Inhoud:
Voorwoord
Activiteiten van Veefkind
Toelichting bij namen door Veefkind genoemd
Tekst van Mededeelingen Veefkind
Fotokopie van Mededeelingen van Veefkind
Tekst van Verweerschrift van Veefkind
==============================================================================
Voorwoord
Inhoud:
Voorwoord
Activiteiten van Veefkind
Toelichting bij namen door Veefkind genoemd
Tekst van Mededeelingen Veefkind
Fotokopie van Mededeelingen van Veefkind
Tekst van Verweerschrift van Veefkind
==============================================================================
Voorwoord
Met enige aarzeling vertoon ik een verklaring getiteld ‘Mededeelingen’ over de activiteiten van de Sicherheitsdienst in 1946 werd afgelegd en een ‘Verweerschrift’ tegen veroordeling die door de gearresteerde Inlichtingendienstman Johannes Hubertus Veefkind in 1950 werd geschreven. Sommige lezers zullen menen hier uit te kunnen afleiden dat de kwaadaardigheid van zijn activiteiten wel mee vielen. Echter het stuk staat bol van leugens en verzwijgingen: iemand die van misdrijven wordt verdacht mag zoveel liegen als hij wil en hoeft zichzelf niet te beschuldigen. De leugens en verzwijgingen hebben vooral betrekking op gebeurtenissen waar hij zelf bij betrokken was. Dit speelt echter ook een rol bij gebeurtenissen waarbij personen betrokken zijn die na de oorlog in een machtspositie waren gekomen; met name personen die voor en tijdens de oorlog bij de Haagse Politie Inlichtingendienst werkten en vervolgens na de oorlog bij de Binnenlandse Inlichtingendienst of een van zijn voorgangers zoals Bureau B van het Bureau nationale Veiligheid. Men zal tevergeefs zoeken naar namen van personen waar hij intens mee samengewerkt heeft zo als Johann Crabbendam, Anne van der Ploeg of Johannes Eckhardt, terwijl Abraham van Dijk slechts sporadisch wordt genoemd. Veefkind heeft voor en tijdens de oorlog nauw met deze personen samengewerkt en ze behoorden tot de zwaarste landverraders en oorlogsmisdadigers en werden desondanks niet vervolgd omdat ze erg nuttig waren om de communistische verzetsmensen opnieuw te vervolgen. Maar er staan ook enkele zeer interessante dingen in vermeld, nl. over het Englandspiel, Anton van der Waals (Kranendonk) en de samenwerking sinds 1935 tussen de Haagse Politie Inlichtingendienst en de Gestapo in Wuppertal.
Verbazingwekkend is zijn mededeling dat het Englandspiel niet in 1942 is begonnen, zoals in veel geschiedenisboekjes staat, maar dat al in 1940 een geheime agent die per parachute in Nederland arriveerde door twee leden van de Haagse Politie Inlichtingendienst werd opgevangen, wat betekent dat er al voor die tijd contact tussen de chef van de Londense Centralen Inlichtingendienst François van ’t Sant in Londen en de Haagse Politie Inlichtingendienst moet zijn geweest (zie bladzijde 3 van kopie Mededeelingen). Poos en Slagter konden de parachutist bij zijn schuilnaam aanspreken, waaruit Veefkind de conclusie trok dat er al ruim voor de dropping contact moet zijn geweest tussen de geheime dienst in Londen (onder leiding van François van ’t Sant) en de Sicherheitsdienst. Het Spiel moet aldus ontstaan zijn binnen enkele weken na de Duitse inval in Nederland. (Deze mededeling zou kunnen slaan op de geheime agent Lodewijk Anne Rinse Jetse Hamel die in augustus 1940 bij Hillegom gedropt werd.)
Verder vermeld hij dat Anton van der Waals, door velen beschouwd als Nederlandse grootste landverrader, al voor de oorlog betrokken was bij het opsporen van leden van de groep Wollweber (scheepssabotagegroep), wat ook in geen enkel historisch werd vermeld staat, terwijl het stuk toch aan Lou de Jong bekend was (zie bladzijden 3 en 29 van kopie Mededeelingen).
Het derde bijzondere is dat hij vermeld dat de komst van de Sicherheitsdienst op 16 of 17 mei 1940 naar Den Haag een connectie heeft met een in 1935 begonnen samenwerking bij de bestrijding van het communisme tussen de Haagse Politie Inlichtingendienst en de Gestapo in Wuppertal. De leider aan Nederlandse van deze samenwerking Marten Slagter stapte onmiddellijk van de Inlichtingendienst naar de Sicherheitsdienst over Dit kan niets anders betekenen dan dat de Duitse keuze voor Kurt Döring als leider van de bestrijding van het communisme in Nederland gebaseerd is op het feit dat hij hoofd van de afdeling Bekämpfung Kommunismus in Wuppertal was. Veefkind geeft aan dat Marten Slagter van de Haagse Politie Inlichtingendienst onmiddellijk na de Duitse inval het contact met de Gestapo uit Wuppertal voort zette door contact op te nemen met Kurt Döring waarbij hij in 1935 gelogeerd had en waarmee hij bevriend was (zie bladzijde 1 van kopie Mededeelingen).
Zeer opvallend is dat in beide stukken de naam van zijn chef gedurende het eerste oorlogsjaar Johann Gottlieb Crabbendam totaal ontbreekt. Dit suggereert dat deze door de Duitsers in het bestrijden van het communisme geïntroduceerde persoon die na de oorlog precies hetzelfde werk deed als topfunctionaris van de Binnenlandse Veiligheidsdienst niet ontmaskerd mocht worden als Gestapo-agent.
Activiteiten van Veefkind
De gegevens zijn afkomstig uit het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, waarbij het dossier van Veefkind het belangrijkste is.
Veefkind kwam in 1922 bij de Vreemdelingendienst, waarschijnlijk was zijn functie het in beeld brengen van de activiteiten van de communistische partij CPN (die toen zelf vaak de afkorting CPH gebruikte). In 1923 begon een infiltratie actie, waarbij door de politie betaalde infiltranten de CPN en zijn mantelorganisaties werden ingestuurd en probeerden daarin bestuursfuncties te krijgen. De namen van twee van die infiltranten zijn bekend, nl. Johannes Hubertus van Soolingen en Steven Pegels.
Veefkind werd in 1926 door de Haagse hoofdcommissaris François van ’t Sant geplaatst in een functie bij de nieuw opgerichte Inlichtingendienst die onderdeel werd van de Vreemdelingendienst. Tegelijkertijd werden Steven Pegels en Abraham van Dijk voor hetzelfde werk aangetrokken. Ze moesten het communisme bestrijden. Dat werk werd daarvoor al gedaan door de Vreemdelingendienst zonder aparte Inlichtingendienst. Omstreeks 1930 werd Willem Hendrik van Duivenboden aangetrokken om als betaalde infiltrant in de CPN te gaan werken; hij was in 1933 een van de eerste leden van de NSB met nummer 1953. Dit is zeer opmerkelijk, want eind 1933 kondigde de minister van Justitie het al bestaande ambtenarenverbod, dat een overheidsfunctie verbood voor leden van een groot aantal linkse organisaties, werd uitgebreid voor NSB-leden. Dan zou je verwachten dat op een gevoelige positie ook niet samengewerkt werd met NSB’ers, maar dat gebeurde wel.
Ook omstreeks 1930 kwam Johann Gottlieb Crabbendam als persoonlijk assistent van Van ’t Sant te werken. Van ’t Sant stuurde als hoofcommissaris de Inlichtingendienst rechtstreeks aan (andere politieonderdelen werden via een commissaris aangestuurd). Crabbendam werd een vertrouweling van Van ’t Sant en het is daarom zeer waarschijnlijk dat er regelmatig contacten tussen Crabbendam en de Inlichtingendienst waren als er afspraken voor vergaderingen gemaakt moesten worden of vertrouwelijke stukken overgebracht moesten worden.
Veefkind bezocht in uniform openbare vergaderingen van de CPN. Daardoor kende hij veel namen van communisten. Hij mocht in het openbaar absoluut geen contact hebben met infiltranten zoals Van Soolingen en Van Duivenboden. Bovendien mochten de infiltranten niet op een politiebureau verschijnen: ze moesten bij een speciaal daarvoor aangewezen Inlichtingendienstman thuis hun inlichtingen afgeven en instructies en geldelijke vergoeding in ontvangst nemen (het was een wettelijk verboden betaling met zwart geld, waarover geen inkomstenbelasting werd geheven).
Begin 1935 gaf de liberale burgemeester De Monchy opdracht om een samenwerking met de Gestapo in Wuppertal aan te gaan om het communisme te bestrijden. Het was hoogst waarschijnlijk een van de minister van Justitie afkomstige opdracht, want die gaf tegelijkertijd opdracht aan commissaris Karel Henri Broekhoff van de Amsterdamse Politie Inlichtingendienst om een samenwerking aan te gaan met Heinrich Müller van de afdeling Bekämpfung Kommunismus van het Reichssichertheitshauptamt in Berlijn (Müller werd tijdens de oorlog hoofdverantwoordelijke voor de moord op drie miljoen mensen). Bij de samenwerking werden gegevens over Duitse communistische vluchtelingen en Haagse communisten aan de Gestapo verstrekt, terwijl de Gestapo gegevens over Duitse communistische vluchtelingen verstrekte. Omdat de samenwerking niet bekend mocht worden, werd een uitwisseling tussen de Haagse Politiemannen Zangvereniging Entre Nous en de Wuppertaler Polizei Gesang Verein als dekmantel gebruikt. Daarvoor werd de Inlichtingendienstman Marten Slagter tot voorzitter van Entre Nous benoemd. Veefkind werd samen met enkele andere Inlichtingendienstmannen ook lid van de zangvereniging. Om de kosten te drukken werden bij bezoeken de Haagse politiemannen ondergebracht bij hun Duitse collega’s thuis. Zo logeerde Marten Slagter bij de Gestapo-officier Kurt Döring. Kurt Döring zou bij de Duitse bezetting van Nederland als eerste Sicherheitsdienstman in Nederland arriveren en vanuit Den Haag de leiding krijgen over de bestrijding van het communisme in Nederland, wat tot de dood van meer dan tweeduizend communistische verzetsmensen heeft geleid, terwijl er na de oorlog ook nog vele honderden zwaar lichamelijk en psychisch getraumatiseerde overlevende communisten uit de Duitse concentratiekampen terugkeerden. Ook Veefkind ging met het bezoek aan Wuppertal mee. Omgekeerd kwam de Wuppertaler Polizei Gesang Verein in Nederland op bezoek en gaf daar diverse concerten en trad ook op voor de radio. Voor de contacten buiten de bezoeken om werd een koerier ingezet, waardoor in een tijd van ridicuul extreme bezuinigingen een brief niet een dubbeltje, maar honderd gulden kostte.
Omstreeks 1938 kwamen er klachten over geluidsoverlast in een dure buurt rond de Shell gebouwen in Den Haag. Veefkind werd eropaf gestuurd. Hij constateerde dat de WA van de NSB met toestemming van Shell schietoefeningen hield op een terrein van Shell. Veefkind stuurde de WA weg, ze moesten maar elders gaan oefenen. Maar voorschrift was dat de wapens in beslag moesten worden genomen en dat er proces-verbaal moest worden opgemaakt voor ongeoorloofd wapenbezit en transport van wapens en munitie over de openbare weg. Natuurlijk deed Veefkind dit niet, want hij was geheim lid van de NSB: openlijk lid zijn kon niet vanwege het ambtenarenverbod. De Centralen Inlichtingendienst (CID) beschikte over een lijst van geheime leden van de NSB en wist dus dat Veefkind geheim lid was. Volgens het ambtenarenverbod had Veefkind ontslagen moeten worden, maar vanwege het hoge gehalte van NSB-sympathisanten bij de CID gebeurde dat niet. Het ambtenarenverbod voor de NSB-leden was een wassen neus. De CID was onderdeel van het leger en de opperbevelhebber tot 1934 Hendrik Seijffardt was vanuit zijn functie chef van de CID. Na zijn pensionering in 1934 werd hij spoedig lid van de NSB. Tijdens de oorlog aanvaardde Seijffardt de functie van opperbevelhebber over het Vrijwilligerslegioen dat tegen de Sowjet Unie ging vechten, dat toen een officieel een bondgenoot van Nederland was: de voormalige Nederlandse opperbevelhebber ging dus feitelijk tegen Nederland vechten. De militaire staatsmacht van Nederland was voor de oorlog met instemming van de christelijke en liberale politici (nu CDA, VVD en D66) in handen van de NSB en de Nederlandse inlichtingendiensten die buitenlandse spionage en ander gewroet moesten tegen gaan, zaten vol met NSB’ers. Er was bij de top van de christelijke en liberale partijen, de voorlopers van CDA en VVD, een grote sympathie voor de NSB.
Meteen na de Nederlandse capitulatie paste de liberale burgemeester De Monchy een reorganisatie van de Haagse Politie Inlichtingendienst toe, die erop neerkwam dat de Inlichtingendienst de communisten ten behoeve van de nieuwe machthebbers, de Duitse bezetter, in beeld moest brengen. Het was toen algemeen bekend dat daarmee de levens van de communisten in groot gevaar werden gebracht. Van Soolingen werd benaderd om zijn infiltratie in de CPN voort te zetten.
Als een soort strafmaatregel naar de Haagse bevolking toe, werd De Monchy op 1 juli 1940 door de Duitse bezetter ontslagen. Het was niet omdat De Monchy op enige wijze anti-Duits was of anderszins fout had gehandeld, maar om aan de Haagse bevolking te tonen dat in geval van ongewenste activiteiten door de bevolking de Duitsers maatregelen zouden nemen. In dit geval betrof het leggen van bloemen bij het koninklijk paleis aan het Noordeinde in verband met de verjaardag van prins Bernhard. De burgemeestersfunctie werd volgens Nederlands recht vervolgens tot 1942 uitgeoefend door de liberale locoburgemeester Van der Bilt, waarmee deze liberale functionaris formeel de leiding had over een gigantisch bloedbad op linkse verzetsmensen.
Veefkind werd in de zomer van 1940 lid van de NSB; hij kreeg een erenummer (95448) beneden de honderdduizend dat was voorbehouden aan hen die al voor de oorlog (geheim) lid waren. Verder werd hij lid van de SS.
In de zomer van 1940 werd in het kader van het Englandspiel contact gelegd tussen de Sicherheitsdienst en de Nederlandse inlichtingendienst in Londen onder leiding van François van ’t Sant (zie verklaring van Veefkind hieronder). Op 12 november 1940 werd Crabbendam door de Duitsers benoemd tot chef van de Haage Politie Inlichtingendienst. Dit is vreemd, omdat Crabbendam geen enkele ervaring met de Inlichtingendienst had en verder omdat hij kennelijk vanwege incompetentie tussen 1935 en 1940 om de haverklap van de ene naar de andere politiefunctie werd overgeplaatst en dan word je niet zomaar op de prestigieuze functie van chef van de Inlichtingendienst geplaatst. Mogelijk werd hij gekozen vanwege het contact dat de Sicherheitsdienst met Van ’t Sant in Londen had gelegd.
Op 25 november 1941 werd de Documentatiedienst met meerdere afdelingen gevormd. In eerste instantie vormde de Inlichtingendienst qua personeelsleden 95 % van de Documentatiedienst, maar dat snel veranderen met het plaatsen van NSB-gezinde politiemannen bij de Inlichtingendienst en wat later met de toevoeging van afdelingen Joodse Zaken en Economische Zaken. Crabbendam werd tot tijdelijk waarnemend chef benoemd, omdat de beoogde chef een NSB’er was die de functie weigerde omdat hij die te min vond. De Documentatiedienst ging zich in eerste instantie nagenoeg volledig met anti-Duitse activiteiten bezig houden, waarbij de bestrijding van het communisme de grootste activiteit was, maar ook gevaarlijke zaken als oranjebloempjes in de vensterbanken, dragen van muntjes met de beeltenis van koningin Wilhelmina en neuriën van het Wilhelmus.
Na de oorlog ontkenden leden van de Haagse Politie Inlichtingendienst dat voor juni 1941 door de Documentatiedienst onderzoek naar communisten gedaan werd. Maar er zijn over vier personen rapportjes uit februari 1941 van de Haagse Inlichtingendienstman Johannes Gerhardus Hendricus Eckhardt (NSB’er en na de oorlog lid van de Binnenlandse Veiligheidsdienst) bewaard gebleven, waarin waarnemingen over politieke activiteiten door deze personen; uit de nummering kan opgemaakt worden dat er minimaal zes van zulke rapportjes zijn geweest. Het toont het leugenachtige karakter van de BVD’ers.
Minstens acht leden van de vooroorlogse Haagse Politie Inlichtingendienst gingen deel uitmaken van het ‘ontvangstcomité’, dat gedropte agenten moest opvangen, proberen stiekem te ontwapenen en vervolgens aan de Sicherheitsdienst uitleveren. Hun namen zijn: Abraham van Dijk, Johannes Gerhardus Hendricus Eckhardt, Cornelis Leemhuis, Steven Pegels, Anne van der Ploeg, Leonardus Adrianus Poos, Johannes Lubertus Savenije, Marten Slagter, Johannes Hubertus Veefkind, Jan Nicolaus Viëtor en Sikko Wijmenga. Daarvan werden Van Dijk, Eckhardt, Van der Ploeg lid van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Het waren allemaal zeer zware landverraders en massamoordenaars, want ze wisten donders goed dat als niet-geüniformeerde militairen in handen van de vijand vallen ze in de regel vroeger of later doodgeschoten worden (er zijn ongeveer zestig gedropte agenten om het leven gebracht). Daarnaast werden de gelijknamige zoon van Veefkind en de politie-informaten Johannes Hubertus van Soolingen en Willem Hendrik van Duivenboden ook lid van het ontvangstcomité. Verder ging de vooroorlogse Nederlandse geheime agent Anton van der Waals zich bezig houden met het opzoek van contactadressen van de agenten, waardoor nog eens tientallen verzetsmensen de dood in werden gedreven.
De arrestatie van communisten die door de informant Van Soolingen in beeld zijn gebracht, begon op 28 april 1941. De hoofdreden was het voorkomen van het verspreiden van het 1 mei-nummer van De Waarheid. De Sicherheitsdienst-chauffeur Berend Jan Doornebos, tevens V-Mann, kwam bij de communistische kapper Jan Montfoort om zich te laten scheren. Hij was er nog nooit eerder geweest. Vervolgens kwam Johannes Hendrikus Petrus van Kersbergen binnen en vroeg om een broodbonnetje. Montfoort zei dat hij geen broodbonnetje had en gaf hem een blaadje en zei dat hij er voorzichtig mee moest zijn. Kersbergen vertrok en even later ook Doornebos. Een minuut later kwam Doornebos terug in gezelschap van twee Sicherheitsdienst-mannen in uniform en die arresteerden Montfoort. Na de oorlog verklaarde Doornebos dat hij het kapperszaakje toevallig zag toen hij door de straat reed en spontaan besloot zicht te laten scheren. Het onooglijke kapperszaakje is van de rijweg nauwelijks zichtbaar, omdat er een gebouwtje met benzinepomp voor staat, en van een afstandje was het niet als kapperszaak herkenbaar. Verder zei hij dat hij de overhandiging van het blaadje zag en dat na het verlaten van de kapperszaak bij de Sicherheitsdienst verteld had, waarna een arrestatieteam op pad ging. Dit is in volkomen in tegenspraak met de naoorlogse verklaring van Montfoort dat de Sicherheitsdienst na een minuut binnenkwam; als Doornebos de waarheid vertelde dan had er minstens twee uur tussen moeten zitten. Het is duidelijk dat de boel in scène was gezet, vermoedelijk om het blaadje in handen te krijgen.
Veefkind werd volgens Otto Lange op 1 januari 1941 bij de Sicherheitsdienst gedetacheerd, zelf zei hij in mei 1941. Hij ging deel uitmaken van een arrestatieteam dat verder nog bestond uit de Sicherheitsdienstman Otto Lange en de vooroorlogse Inlichtingendienstinformant Van Duivenboden. Hij schoot soms bij arrestaties. Verder moest hij bij alle verhoren van communisten als tolk aanwezig zijn, maar soms verhoorde hij communistische arrestanten in zijn eentje. Hij mishandelde arrestanten ernstig en wel zo dat het martelen genoemd kan worden: hij sloeg en schopte, sloeg tanden uit mond, sloeg met gummiknuppel, sloeg iemand met hoofd tegen muur zodat het bloed er uit spatte, wurgde, deed strop om hals en dreigde met verwurging, sloeg iemand tegen de grond, sloeg met metalen liniaal, sloeg met karwats. Hij sloeg een vrouw tegen onderkin en schopte tegen haar achterwerk. Hij bood een aantal echtgenotes van arrestanten een bezoek in de gevangenis aan in ruil voor een nacht seks: dit plaatste de vrouwen voor een groot dilemma, want het was misschien wel de laatste kans voor een afscheid voor eeuwig, omdat verwacht werd dat velen vermoord zouden worden (dat is ook gebeurd).
Op 2 september was Veefkind als tolk aanwezig bij het verhoor van Herman Holstege. Holstege werd verschrikkelijk geslagen en vervolgens door Sicherheitsdienstman Ernst Knorr met een gummiknuppel in de anus gepord, zodat de darmen scheurden. Onder verschrikkelijke pijnen is Holstege enkele uren later overleden. In de cel ernaast zaten twee communistische gevangenen en die hoorden het geschreeuw van Holstege, twee Sicherheitsdienstmannen en Veefkind (ik heb omstreeks 2005 de oorgetuige Fred Donderwinkel nog gesproken en die was nog steeds getraumatiseerd door deze gebeurtenis). Na de oorlog ontkende Veefkind daar aanwezig te zijn geweest en kwam met het alibi dat hij op dat tijdstip een poging deed om Gerrit Kastein te arresteren. Er is echter door mevrouw Kastein een door haar ondertekende verklaring afgelegd dat op dat moment twee andere politiemannen bij haar aan de deur kwamen, waarvan ze de namen heel goed wist: ze sprak met Jilis van der Weerd en de vanwege een grote bochel op de rug goed herkenbare Van Duivenboden stond iets verderop. Ambtenaren van de naoorlogse Politieke Opsporingsdienst (POD), collega’s van Veefkind, hebben stapeltjes kopieën in de dossiers gestopt, die woordelijk hetzelfde zijn, maar waaruit het ene zinnetje met de namen van de arresterende personen was weggelaten. Zo zat de naoorlogse rechtsgang in elkaar.
Op 11 september 1942 ging de detachering van Veefkind bij de Sicherheitsdienst over in een vast dienstverband bij de Sicherheitsdienst. In 1942 kreeg Veefkind rapportjes van Van Soolingen waarin die melding maakte dat communisten weer in Delft en Den Haag actief waren. In beide gevallen werkte Veefkind mee aan de arrestatieacties. Zodoende heeft Veefkind een essentiële rol gespeeld bij drie arrestatieacties die in totaal tot 125 dode communisten hebben geleid.
Veefkind werd vervolgens ingezet bij het arresteren van Nederlandse verzetsmensen, waarvan de namen via het radioverkeer of door inzet van Anton van der Waals bij de Sicherheitsdienst bekend raakten; het waren voornamelijk leden van het sociaaldemocratisch verzet en de Ordedienst. Veefkind moest in 1943 de woning van de gearresteerde ingenieur Antonius Johannes Lambertus (Ton) Juten bewaken. Juten verkeerde in goede welstand. De tweede dag nam Veefkind een koffer mee en stal kostbaarheden uit de woning. Na beklag door mevrouw Juten bij de Sicherheitsdienst werd Veefkind gearresteerd en in het Oranjehotel opgesloten. Hij hoefde overdags niet in zijn cel blijven zitten, maar mocht op de gang gaan zitten, zodat hij meer aanspraak had. Vervolgens kreeg hij de leiding over een groep gevangenen die iedere dag uit de gevangenis marcheerde om de uit gebouw Kleykamp na het bombardement de overgebleven kaarten van het reserve bevolkingsregister (kopieën van persoonsbewijzen met foto) te sorteren (na de oorlog zijn de kaarten bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst terecht gekomen, die ze na verloop van tijd vernietigd heeft, zodat de foto’s van tienduizenden vermoorde Joden voor goed verdwenen zijn: een walgelijke actie).
Na vrijlating was Veefkind nog medeplichtig aan moorden. Zo was hij bijvoorbeeld op 14 juni 1944 samen met onder anderen Poos en Slagter aanwezig bij een door de Sicherheitsdienst in het kader van het Englandspiel in scène gezette wapendropping bij Helvoirt. Zo werden 15 verzetsmensen in de val gelokt, waarvan er een bij een vuurgevecht ter plekke werd doodgeschoten, een ander zwaar gewond raakte en er 13 in kamp Vught gefusilleerd werden.
Veefkind werd na de oorlog tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld, die bij cassatie werd omgezet in twintig jaar gevangenisstraf. Bij de rechtszaak vond men het martelen van communisten en de welbewuste medeplichtigheid bij de moord op meer dan honderd communisten irrelevant. Hij zou in september 1958 vervroegd worden vrijgelaten, ware het niet dat hij zes weken eerder overleed.
Toelichting bij namen door Veefkind genoemd
(inclusief namen waar ik naar verwijs; enkele namen van personen die ik niet heb kunnen identificeren, heb ik niet opgenomen)
Toelichting bij de namen in onderstaande fotokopie, voor zover ik de personen heb kunnen identificeren:
Ackermann
Hauptscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst en stond onder leiding van Hans Harders.
Afflerbach, Arnold
Hauptsturmführer. Aan het begin van de oorlog werd hij bij de Sicherheitsdienst in Maastricht aangesteld. In 1941 kwam hij bij de Sicherheitsdienst in Den Haag. Aan het eind van de oorlog was hij verbonden aan het ‘Mordkommando Frank’, dat onder andere Sibertanne-moorden pleegde.
Alsem, Hendrik Maria Anton
Hij was als filmer in Nederlandsch Indië. Hij reisde daar gratis rond in het gezelschap van een schatrijk Amerikaan, die hem de opdracht had gegeven een film over de cultuur van Nederlandsch Indië te maken. Alsem lichtte hem op door geen films in de camera’s te plaatsen. Na het verbreken van de betrekkingen met de Amerikaan, vervolgden de koloniale autoriteiten hem niet wegens oplichting, maar zetten hem op de boot naar Nederland ‘wegens gebrek aan bestaansmiddelen’. In Nederland werd hij actief op het gebied van onderwijsfilms. Vervolgens begon hij het restaurant Château Bleu naast restaurant Boschhek van zijn vader. Alsem was al actief als spion voor Duitsland en Château Bleu werd de ontmoetingsplek tussen Duitse spionnen als Traugott Protze en Bonn enerzijds en hoge functionarissen uit de Nederlandse ambtenarij, leger (bijv. Petrus Hamer) en Haagse Politie Inlichtingendienst. Zijn filmmaatschappij ging voor de Duitse overheid werken. Tijdens de bezetting werd Alsem inkoper voor de Sicherheitsdienst, vooral voor de aankoop van filmcamera’s en lichtgevoelig materiaal. Tijdens de oorlog onderhield hij betrekkingen met de door de Duitsers aangesteld hoofdcommissaris Petrus Hamer. Later kwam hij in contact met leden van de Sicherheitsdienst, waarbij Fritz Hillesheim. Hillesheim was de spil in een afpersingssysteem, waarbij arrestanten voor relatief lichte anti-Duitse vergrijpen zich voor minimaal 5.000 gulden konden vrijkopen onder het dreigement dat ze anders naar een concentratiekamp gestuurd zouden worden. De totale opbrengst van het afpersingsspel moet tussen de een en twee miljoen gulden (nu tien tot twintig miljoen gulden) bedragen hebben, dat onderling verdeeld werd. Hillesheim werd schatrijk en belegde zijn vermogen in juwelen, woningen en aandelen (vaak ging het om van Joden gestolen bezit). Om zijn vermogen in Nederland niet kwijt te raken wilde hij een verblijfsvergunning in het Nederland van na de oorlog regelen. Daarom deserteerde hij op Dolle Dinsdag en dook met hulp van Alsem onder. Alsem voorzag hem van en briefje van de ‘verzetsgroep Korps Admiraal Doorman’, waarin stond dat Hillesheim als functionaris van de Sicherheitsdienst ‘behulpzaam geweest voor de illegaliteit en de goede zaak van Nederland gediend’ en ondertekende met de absurde titel ‘Ministerie van Oorlog, 1e luitenant’. De verzetsgroep Doorman, met 500 leden, was ook op Dolle Dinsdag opgericht en was niet meer dan een leerlingenlijst van het Haagsch Lyceum. De Sicherheitsdienst was woedend over de desertie, vooral omdat het verhaal ging dat Alsem een lijst van leden van de Sicherheitsdienst had gemaakt met daarop hun wandaden, die zou kunnen help bij het aanvragen van een verblijfsvergunning. Hillesheim werd door Reinder Zwolsman, V-Mann uit het Sonderkommando Frank’ opgespoord en na een uitspraak van de krijgsraad opgehangen. Zwolsman mocht het bezit van Hillesheim als beloning houden. Zwolsman verbood Alsem om zich nog langer als verzetsman voor te doen, waarna Alsem klaagde hij ‘Ik vind het gemeen, dat jullie mij de kans ontnemen om rooverhoofdmannetje te spelen’. De twee kregen ruzie, waarna Alsem door Zwolsman in eerst het Oranjehotel en later in de psychiatrische inrichting Ursulakliniek opsloot. Alsem kon tijdens een bombardement ontsnappen, maar werd kort daarop met ernstige maagklachten in een ziekenhuis Westeinde opgenomen; de maagklachten werden een maagperforatie. Na de oorlog beschreef staatsgeschiedvervalser Lou de Jong hem als een verzetsheld van de ‘verzetsgroep Karel Doorman’, zoals nu ook op het leugenplatform Wikipedia vermeld staat. Na de oorlog kreeg Alsem de functie van hoofd filmdienst van de Generale Staf met de rang reserve-kapitein.
(Amiable)
Hij was de laatste vooroorlogse chef van de Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij werd in juli 1940 weggepromoveerd tot hoofdambtenaar bij procureur-generaal Antoni Brants.
Arlt, Arno
Sturmbannführer. Hij was eerst officier van justitie en vervolgens rechter bij het SS-und Polizeigericht in Utrecht. Hij heeft in veel strafzaken de doodstraf geëist en als rechter veel mensen ter dood veroordeeld, onder andere deelnemers aan de April-meistakingen in 1943.
Baars, Joannes Antonius (Jan)
Hij was lid van het door Alfred Haighton opgerichte fascistische Verbond van Actualisten. Baars maakte naam door vechtpartijen met sociaaldemocraten, communisten en politie; er werden heel wat politiemannen in elkaar geslagen. Na een ruzie met Haighton stichtte hij de Algemeene Nederlandsche Fascisten Bond (ANFB). De ANFB claimde dat het niet antisemitisch was, maar vond wel dat 80% van de Joden uit Nederland verdreven moesten worden. Na de opkomst van de NSB begon de ANFB aanhang te verliezen. Begin jaren dertig ontstond er een samenwerking tussen de ANFB van Baars met de Haagse Politie Inlichtingendienst, waarbij leden van de ANFB de CPN infiltreerden. (mededeling van Veefkind). Baars was een pure fascist, dat wil zeggen dat hij aanhanger van de dictators Mussolini en Salazar was en later ook van Franco, maar niet van de Nazi Hitler alhoewel hij daar wel sympathie voor had. Baars raakte zelfs persoonlijk bevriend met Mussolini en bezocht hem. Direct na de Duitse inval werd Baars inkoper voor de Wehrmacht en liep in Wehrmacht-uniform; het inkopen moest op de zwarte markt gebeuren, zodat het leek alsof de Wehrmacht-inkopen niet ten koste van de bevolking gingen. In augustus 1940 kreeg Baars toestemming om een bezoek aan Mussolini in Rome te brengen; Baars ging naar Rome, maar schijnt Mussolini toen niet ontmoet te hebben. In 1940 stond Baars in contact met Jan de Quay met betrekking tot de oprichting van de fascistische organisatie Zwart Front (uiteindelijk werden geen van beiden er lid van). In 1942 werd Baars secretaris van de WA-hopman Albertus Nijland, waarvoor hij onder andere brieven moest behandelen waarin acties gevraagd werden tegen met naam en adres genoemde Joden die nog rond liepen (Baars heeft geen enkele Jood gewaarschuwd). Na de oorlog kwam Baars bij de Politieke Recherche Afdeling te werken, waar hij een groot aantal CABR-dossiers stal (nu de kern van het Archief Jan Baars). In 1961 schreef Jan Baars een briefje naar minister-president Jan de Quay, waarin hij hem eraan herinnerde dat ze elkaar kenden en waarin hij hem vroeg te bemiddelen bij de aanvraag van een pensioen van de Stichting 1940-1945. Daarop gaf De Quay aan de Stichting opdracht een verzetspensioen toe te kennen. In een formulier van de Stichting gaf Baars als enige verzetsdaad tijdens de oorlog aan, dat hij in 1948 als lid van de Buitenlandse Inlichtingendienst in Praag in een boekwinkel een boek over psychologische oorlogsvoering had gekocht. Baars heeft nooit zijn gezicht laten zien op door de Stichting 1940-1945 georganiseerde bijeenkomsten voor gepensioneerd leden van het verzet, maar staat wel op het leugenplatform Wikipedia vermeld als verzetsheld. Later is bekend geworden dat de Stichting 1940-1945 onwettig de salarissen van de leden van de stay-behind organisatie Operatiën en Inlichtingen betaalde; deze organisatie was voortgekomen uit de bevrijdingsactie van Mussolini door de Duitse parachutisten onder leiding van de SS’er Otto Skorzeny, die in 1944 en 1945 in Den Haag verbleef.
Bakker, Cornelis
Hij was lid van de Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij werkte sinds 1935 samen met Gestapo in Wuppertal. Hij was werkzaam voor de Centralen Inlichtingendienst. Hij werd lid van de NSB (nummer 108453). Hij werd najaar 1942 chef van de Documentatiedienst. Hij meldde de dood in de concentratiekampen aan de nabestaanden. Hij gaf leiding aan de opsporing van de communistische verzetsman Jacob Boekman, dat tot elf doden leidde. Hij vroeg een verzetspensioen aan bij de Stichting 1940-1945.
Bandon Brava
Schrijffout, moet zijn Brandon Bravo.
Bark, Otto
Zijn echte naam Bardzetzko werd te moeilijk gevonden, hij werd bijna altijd aangeduid met Bark. Aan het eind van de oorlog was hij in Groningen gedetacheerd. Hij is tijdens oorlogshandeling bij de bevrijding van Groningen in april 1945 gesneuveld.
Barkov, Albert
(Barkoff)
Obersturmführer. Hij volgde in 1942 Ernst Knorr op als leider van Referat IV A van de Sicherheitsdienst en werd enkele maanden later opgevolgd door Johannes Munt.
Bartels, Walter Hermann Eugen
Unterscharführer. Lid van de Sicherheitsdienst Referat IV C 2. Hij gaf leiding aan Leonardus Poos en Marten Slagter. Hij speelde een belangrijke rol bij het gevangen nemen van gedropte geheime agenten in het kader van het Englandspiel. Hij zette in het Oranjehotel een ton en een ladder tegen de gevangenismuur om Brandon Bravo te laten ‘ontsnappen’. Hij was betrokken bij de vervolging van leden van de Ordedienst en Paroolgroep. Hij stelde lijsten van te fusilleren personen op en organiseerde executies. De vooroorlogse leden van de Haagse Politie Inlichtingendienst Poos en Slagter werkten voor Bartels.
Bauer, Franz
Sturmscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst. Hij werd op 30-3-1945 bij een Sicherheitsdienst inval in een woning aan de Laan van Meerdervoort 791 door een ondergedoken politieman doodgeschoten.
Bennekers, Christoffel
Hij werd in 1927 de chef van de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst. In 1937 trok hij Anton van der Waals aan om de activiteiten van scheepssabotagegroep, onderdeel van de groep Wollweber, in de Rotterdamse haven in beeld te brengen; er werden bommen aan schepen van de as-mogendheden gelegd die in strijd met de Nederlandse neutraliteit wapens naar de Spaanse staatsgreep plegende fascisten brachten. Daarbij infiltreerde Van der Waals de Rotterdamse CPN. In januari 1938 bracht Bennekers de door Van der Waals achterhaalde namen van de scheepssabotageploeg naar een bijeenkomst met de Gestapo in Hamburg, onafhankelijk van het feit of de betreffende personen strafbare feiten hadden gepleegd en de wetenschap dat daarmee de doodstraf voor deze personen dreigde. Het zou ongeveer twintig Nederlandse communisten het leven kosten, waaraan Bennekers in belangrijke mate medeplichtig was. Van januari 1938 tot mei 1940 gaf Bennekers leiding aan de infiltratie door Anton van de Waals in de Rotterdamse CPN; het is onbekend hoeveel Rotterdamse communisten dat het leven heeft gekost. Hij stond op een Duitse lijst van ongeveer 30 personen waarmee de Gestapo na een Duitse inval zo snel mogelijk contact moeten opnemen. In deze periode werkte Bennekers nauw samen met de Johannes Veefkind van de Haagse Politie Inlichtingendienst. Op 19 juni 1940 hervatte Bennekers zijn activiteiten voor de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst, maar werd op 16 december 1940 overgeplaatst. Bennekers organiseerde de eerste anti-Joodse maatregelen in Rotterdam. Bennekers werd op 13 juli 1942 om onbekende redenen door de Sicherheitsdienst gearresteerd en werd op en lijst van gijzelaars geplaatst. Hij werd op 15 augustus 1942 samen met vier andere prominente Rotterdammers gefusilleerd bij wijze van represaille voor een (mislukte) bomaanslag op een trein met Duitse militairen die over het Rotte-viaduct reed (luchtspoor). Later bleek dat communisten de aanslag hadden gepleegd.
Bieroth, Jakob Wilhelm
Politiespion. Hij was officieel van beroep juridisch economisch adviseur.
Bilderbeek, Friedrich Wilhelm
Hij was penningmeester en chef van de ledenadministratie van de NSB.
Blanke, Jan
Sturmscharführer. Hij was lid van de SS. Hij was lid van de Sicherheitsdienst. Hij was betrokken bij het Englandspiel.
Blankenstein, Willem
Rottenführer. Hij was lid van de SS. Hij werd op 11-2-1945 met drie andere Sicherheitsdienstmannen een inval in een woning in Almelo. Zijn functie was chauffeur. Hij werd door de vluchtende Albert Lancker doodgeschoten.
Bläser
Untersturmführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst. Hij was betrokken bij het Englandspiel. Hij deed onderzoek naar de moord op Hermannus Reijdon.
Blattgerste, Gustav Wilhelm August
Sturmscharführer. Eerste werkte hij voor Referat IV C voor bestrijding niet linkse verzetsgroepen. Vervolgens ging hij werken voor Referat IV A 1, bestrijding communisme. In die functie begeleidde hij samen met Erich Zinkel de communist Adrianus Nas naar een ontmoeting met de communist Tjerk Kloostra. Nas riep een waarschuwing naar Kloostra, die trok razendsnel een revolver en schoot Zinkel door het hoofd, waarna hij wegvluchtte (hij werd enige minuten later bij een vuurgevecht met drie politiemannen dood geschoten). Blattgerste bleef bij de stervende Zinkel, waardoor Nas niet kon vluchten.
Blume, Mathieu Désiré
Voor de oorlog rechercheur van politie bij de Haagse Vreemdelingendienst. Hij gaf voor de oorlog onrechtmatig verblijfsvergunningen aan uit Duitsland gevluchte Joden, maar gaf dat tegelijkertijd door aan Duitse instanties, waarvoor hij een Duitse onderscheiding kreeg. Hij werd ervoor ontslagen.
Boegheim, Josephus
Hij was lid van de NSB. Hij was spion voor Duitsland. Hij was ten tijde van hoofdcommissaris François van ’t Sant politie-informant voor de Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij bezocht regelmatig Paul Rinck op het kantoor van de Inlichtingendienst.
Boezeman, Jacobus Johannes Wilhelmus
Hij was lid van de Geuzenorganisatie. Hij werd na arrestatie tijdens een verhoor op 8 januari 1941 in het Oranjehotel door de Sicherheitsdienstman Ernst Makowsky doodgeslagen.
Bohmke, Karl
Sturmscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst in Almelo.
Bolland, Antonie (Toon)
Hij was V-Mann voor het Judenreferat. Hij was aanwezig bij de arrestatie van een Joods communistisch echtpaar en twee dagen later van drie met het echtpaar verbonden communisten, wat een zware slag voorde Persoonsbewijscentrale was.
Bolland, Petrus Gerardus
Politieagent Hij was lid van de NSB. Hij kwam per 1 januari 1941 bij de Documentatiedienst. Hij werkte voor de Duitse topspion Traugott Protze.
Bonn
Mogelijk een valse naam. Hij kwam in 1936/37 naar Nederland, deed zich voor als communistisch vluchteling en werd bij een communistisch gezin ondergebracht. Hij was als Duitse spion aan de Haagse Politie Inlichtingendienst bekend. Hij had in het restaurant Château Bleu afspraken had met Nederlandse functionarissen. Hij gebruikte verschillende namen. Hij zette tijdens de oorlog zijn activiteiten voort. Vanaf 1942 werkte hij voor Johannes Munt. Hij reisde in 1943, via de door Traugott Protze geïnfiltreerde pilotenlijn, vanuit Nijmegen naar Engeland.
Bos, Hendrik Cornelis
(Bosch)
Hij was voor de oorlog op verschillende plekken in Nederlandsch Indië resident.
Brandon Bravo, Mozes
(niet verwarren met persoon met identieke naam die in verband met de razzia op Hollandia-Kattenburg gearresteerd werd en op 12 november 1942 in het Oranjehotel werd opgesloten op verdenken van het lezen van De Waarheid)
Hij was van Joodse afkomst. Hij zat in 1941 opgesloten in het Oranjehotel. Hij fungeerde als celspion en vervolgens als V-Mann voor. Hij verraadde aan de bewaking dat de communistische gevangeniskapper Johannes Montfoort briefjes van gevangenen (communisten, Stijkelgroep) naar buiten liet smokkelden. Hij werd door de leider van het Referat Kommunismus Bruno Wolff aangeworven als V-Mann. Omdat de bewaking dit zelfs niet mocht weten, werd een ontsnapping in scene gezet, waarbij door Walter Bartels een ton en een ladder tegen de gevangenismuur werden klaar gezet. Als V-Mann kreeg hij een pistool. Hij probeerde de moeder van de gevangen zittende Frederik Donderwinkel in de val te lokken door via haar een Joods kind te laten onderduiken. Na het mislukken daarvan infiltreerde hij de Ordedienst en verraadde een groot aantal leden daarvan.
Breed, Adriaan (Jacques)
Hij gebruikte ook wel de roep- of schuilnaam Jacques en de aliassen Zwarte Jaap en Foute Leo. Hij was V-Mann voor Friedrich Frank. Hij was betrokken bij het via een gefingeerde wapendropping in 1944 in Helvoirt in de val lokken van een verzetsgroep van 15 man. Bij de arrestatie werd een persoon doodgeschoten en een raakte zwaar gewond, de overige 13 werden gefusilleerd. Aan het eind van de oorlog was hij V-Mann voor Friedrich Frank.
Bregonje, Evert Leonardus
(Burgonje)
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst, Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte personen ophalen.
Breitner, Willi
Sturmscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst, Referat IV A 1 communisme. Hij was aanwezig bij de arrestatie van Herman Holstege. Hij mishandelde arrestanten. Hij deed vooral radiozaken.
Broekhoff, Karel Henri
Hij werd eind 1917 aangesteld in een functie om de communistische partij in de gaten te houden. Vanaf 1919 onderhield hij voor de Centralen Inlichtingendienst de contacten met soortgelijke organisaties in andere Europese landen, maar vooral met Duitsland. In 1921 werd de Nederlandsche Centrale in Zake Falsificaten en internationale Misdadigers opgericht, waarover Broekhoff de leiding kreeg; de centrale werd kortweg aangeduid als Valschgeldcentrale. De Valschgeldcentrale hield zich alleen in schijn bezig met het vervalsingen van waardepapieren, het was een dekmantel voor een geheime politieke politie om communisten dwars te zitten. In 1923 werd de Internationale Kriminalpolizeiliche Kommission (IKK) opgericht. Officieel was het een internationaal samenwerkingsverband voor het bestrijden van het vervalsen van waardepapieren en rondreizende bendes zakkenrollers, maar in werkelijkheid wat was het gericht op het communisme te bestrijden. Broekhoff werd de Nederlandse vertegenwoordiger in de organisatie. Broekhoff ging de gegevensstroom van namen en achtergronden van linkse personen, die door lokale Politie Inlichtingendiensten verzameld werden, naar de Centralen Inlichtingendienst coördineren. In 1935 ging hij in opdracht van minister een samenwerkingsverband aan met de afdeling Bekämpfung Kommunismus van de Gestapo in het Reichssicherheitshauptamt (RSHA) in Berlijn. Het RSHA stond onder leiding van Heinrich Müller, waarmee Broekhoff een homoseksuele relatie kreeg. (Müller zou tijdens de oorlog de hoofdverantwoordelijke worden voor de moord op drie miljoen mensen in de concentratiekampen, waarbij de vergassingen). Broekhoff werkte vooral nauw samen met Bruno Wolff die tijdens de bezetting het Referat Kommunismus van de Sicherheitsdienst in Den Haag zou leiden. Broekhoff zorgde ervoor dat de Gestapo de beschikking kreeg over de lijst van linksextremisten van de Centralen Inlichtingendienst, wat tijdens de oorlog meer dan duizend Nederlandse communisten het leven zou kosten. Hij gaf vanuit het RSHA opdracht om bij enkele Amsterdamse communisten huiszoeking te doen, waarbij hij opdracht gaf specifiek te kijken op een aantal door Duitse spionnen aangegeven plekken te kijken. Hij liet de politie assisteren bij het ontvoeren van een Duitse communistische vluchteling. Hij stond op een Duitse lijst van ongeveer 30 personen waarmee de Gestapo na een Duitse inval zo snel mogelijk contact moeten opnemen. Op 26 april 1941 trad Broekhoff af als leiden van de Valschgeldcentrale, omdat hij benoemd werd tot hoofdambtenaar voor bijzondere diensten en commissaris van de Rijkspolitie, waarmee hij zijn anticommunistische activiteiten voort zette. Broekhoff was nauw bevriend met Polizeiführer en Generalkommissar für das Sicherheitswesen Johann Rauter. Broekhoff hield in zijn woning grote drinkgelagen met Gestapo officieren.
Brückner
Sturmscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV A 1. Hij wekte onder Erich Lütkenhaus. Hij was betrokken bij het Englandspiel.
Bruijn, Willem de
(Bruin)
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst, Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte goederen ophalen.
Burg, H. van den
Hij was hoofdinspecteur verbonden was het Directoraat-Generaal van Politie.
Burgonje
Schrijffout, moet zijn Evert Leonardus Bregonje
Canaris, Wilhelm
Hij had tijdens de oorlog de leiding over de Duitse Abwehr (contraspionage). Hij spande zich speciaal in om de communistische organisatie van de groep Wollweber te bestrijden. Over deze groep heeft hij verklaard dat die verantwoordelijk was voor de dood van 200.000 Duitse militairen. Hij zocht contact met de Britse spionageorganisatie MI6 om de oorlog aan het westelijk front te beëindigen door Hitler te vervangen en gezamenlijk tegen de Sowjet Unie te gaan vechten. De contacten lekten uit en Canaris werd gearresteerd en uiteindelijk in april 1945 opgehangen.
Clasie, Hendrik Philippus
(Klazie)
Na het afzetten van hoofdcommissaris Van de Meij, in september werd hij benoemd tot plaatsvervangend hoofdcommissaris. Hij kon goed opschieten met de leider van de Duitse contraspionage Traugott Protze en had er regelmatig contact mee, hij ging ermee akkoord dat de Inlichtingendienst Steven Pegels en andere politiemannen speciale werkzaamheden voor Protze gingen verrichten. Hij werd om onbekende redenen op 12 september 1944 door de Sicherheitsdienst gearresteerd: de Duitsers waren wantrouwig geworden met betrekking tot zijn loyaliteit aan de bezetter. Hij werd achtereenvolgens kamp Amersoort en concentratiekamp Neuengamme opgesloten. Hij overleed in april 1944 in Neuengamme.
Daalmeijer, Hendrik Jacobus
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst, Hij was speciaal chauffeur voor Deppner. Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte personen ophalen.
Daalmeijer, Pieter Hendrik
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst. Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte goederen ophalen.
Deckers, Laurentius Nicolaas
Hij was een politicus en lid van de Rooms katholieke Staats Partij. Hij was tussen 1929 en 1935 minister van Defensie en van 1935 tot 1937 minister van Landbouw en Visserij. In 1933 was hij opdrachtgever tot het bombardement op het marineschip Zeven Provinciën toen daarop muiterij wegens slechte arbeidsomstandigheden was uitgebroken: er vielen 23 doden. Tijdens de oorlog werd hij commissaris in het bouwbedrijf Reinder Zwolsman. Deckers was betrokken bij de grootschalige bunkerbouw door de bouwbedrijven van Zwolsman en de handel in Joods onroerend goed door de makelaardij van Zwolsman. Bij deze activiteiten was de zenuwarts Eduardus Hoelen, oprichter en directeur van de Ursulakliniek, ook nauw betrokken. Het CABR-dossier van Deckers is na de oorlog verdwenen. Na de oorlog speelde Deckers een leidinggevende rol in het misdaadcomplex van de stay-behind organisatie Stichting Opleiding Arbeidskrachten Nederland (SOAN)
Deppner, Erich
Sturmbannführer. Lid van de Sicherheitsdienst. Hij volgde Bruno Wolff op als leider van Referat IV van de Sicherheitsdienst, dat het verzet bestreed. Hij besliste over wie naar een concentratiekamp werd gestuurd. Hij speelde een hoofdrol bij de beslissing om Russische krijgsgevangenen op 9 april 1942 in kamp Amersfoort te fusilleren. Hij was tot 1943 kampcommandant van Westerbork en voerde de eerste deportaties van Joden uit. Hij gaf verschillende keren bevel tot de fusillering van groepen mensen bij wijze van represaille.
Dienstknecht, Peter
Sturmscharführer. Hij werkte bij de Sicherheitsdienst onder Oskar Wensky. De politie-informant Johannes van Soolingen meldde in januari 1945 aan hem dat hij een groepje actieve communisten in het vizier had. Drie van hen werden op 12 maart 1945 gefusilleerd.
Dijk, Abraham van
Hij was sinds 1926 lid van de Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij introduceerde de Duitse spion en NSB’er Josephus Boegheim als informant bij de Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij werd lid van de NSB en SS. Hij werd lid van de Documentatiedienst. Bij het Englandspiel maakte hij deel uit van het ontvangstcomité. Werkte tijdens oorlog voor de Duitse topspion Traugott Protze en hielp bij het binnendringen van een pilotenlijn vanuit Nijmegen naar Spanje. Hij werd na de oorlog benoemd tot adjudant van koningin Wilhelmina om haar te bespioneren. Hij werd lid van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Hij vroeg een verzetspensioen aan bij de Stichting 1940-1945.
Dijk, Meindert Johan
Politieman. Hij was lid van de SS. Hij was lid van de Sicherheitsdienst in Den Haag. Aan het eind van de oorlog was hij actief in de omgeving van Assen.
Doorman, Karel Willem Frederik Marie
Nederlandse schout-bij-nacht. Bij de slag in de Javazee werd zijn schip door de Japanse marine tot zinken gebracht. Hij is daarbij om het leven gekomen.
Doornebos, Berend Jan
(Doornebosch)
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst, Hij was V-Mann voor de Sicherheitsdienst, waarbij voor Friedrich Knolle. Hij was betrokken bij het arresteren van de eerste communist in Den Haag, nl. de kapper Johannes Montfoort. Doornebos verklaarde na de oorlog dat hij toevallig in de kapperszaak terecht kwam, zag dat iemand De Waarheid in ontvangst nam, dat op het Binnenhof vertelde, waarna een arrestatieteam op pad ging dat ook nog drie andere communisten arresteerde. In wekelijkheid kwam hij opzettelijk in de kapperszaak, want de zaak was van de rijweg nauwelijks te zien, doordat het zicht erop belemmerd werd door een gebouwtje met benzine pomp, hij kon zien dat een papiertje overhandigd werd, maar niet dat het De Waarheid was, de arrestatie van Montfoort gebeurde twee minuten nadat Doornebos de zaak verlaten had, in welke tijd onmogelijk naar het Binnenhof kon worden gereden, zijn chef gewaarschuwd kon worden, een arrestatieteam gevormd worden en naar de zaak gereden kon worden. Ook de arrestatie van de drie andere communisten is zo niet te verklaren. Het is overduidelijk dat een toneelstukje werd opgevoerd om te voorkomen dat onder de communisten bekend werd dat de Documentatiedienst en de Sicherheitsdienst hen op spoor was. Uit verdere verklaringen ban Veefkind kan worden geconcludeerd dat Doornebos een V-Mann voor de Sicherheitsdienst was om communisten in de val te lokken. Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte goederen op halen. Uit deze affaire zijn 107 doden voortgekomen. Doornebos functioneerde ook wel aks V-Mann voor Friedrich Knolle.
Döring, Kurt
Hij was in 1935 leider van de afdeling Bekämpfung Kommunismus van de Gestapo in Wuppertal. Toen de Haagse Politiemannenzangvereniging in opdracht van burgemeester De Monchy in 1935 in Wuppertal op bezoek kwam om als dekmantel te fungeren voor het aangaan van een samenwerking tussen de Haagse Politie Inlichtingendienst met de Gestapo in Wuppertal, logeerde de speciaal voor dit doel benoemde voorzitter Marten Slagter van Entre Nous bij Döring. Hiermee ontstond een samenwerking tussen hoofdcommissaris François van ’t Sant en de Gestapo, die met het Englandspiel een vervolg kreeg. Vanwege deze samenwerking was Döring de eerste Sicherheitsdienstman die in mei 1940 in Nederland arriveerde en zich in Den Haag vestigde om het communisme in Nederland te bestrijden.
Dose, H.B.F.M.
Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV A 1 Kommunismus in Den Haag.
Duijkers, Peter Jozeph
(Duikers)
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst, Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte goederen ophalen.
Duivenboden, Willem Hendrik van
(Duivenbode)
Hij had rossig haar en was lichamelijk gehandicapt door een grote bochel op zijn rug en had daardoor de bijnamen ‘De Kromme’ en ‘De Bult’. Door zijn uiterlijk was hij heel goed te herkennen was. Door zijn bochel kon hij geen gewenste baan bij leger of politie krijgen. Hij was sinds 1931 voor de Haagse Politie Inlichtingendienst infiltrant in de Haagse CPN (hij werd tijdens de oorlog bij arrestatieacties door verschillende communisten herkend als vooroorlogs lid van de CPN). Hij werkte al sinds omstreeks 1931 met Veefkind samen. Hij was al in 1933 een van de eerste leden van de NSB (nummer 1953). Hij werd omstreeks april 1941 tolk en V-Mann voor de Sicherheitsdienst, speciaal voor Ernst Knorr. Hij werd tijdens de oorlog tijdens arrestatieacties door verschillende communisten herkend als vooroorlogs CPN-lid. Hij was betrokken bij veel arrestaties van communisten, meestal samen met Otto Lange en Veefkind. Hij was aanwezig bij het arresteren van Herman Holstege. Hij was betrokken bij veel verhoren van communisten en hij mishandelde daarbij veel communisten. Hij werd bij het Englandspiel ingezet om goederen op te halen. In 1944 las hij in Varsseveld groepsgewijs het doodvonnis voor aan 46 te fusilleren personen.
Eijmaal, Anthonius Josephus Maria van
(Finmaal, Finmanel)
Hij was voor de oorlog politieman. Hij was tijdens oorlog lid van de NSB en SS. Hij was lid van de Documentatiedienst en deed anti-joodse zaken. Hij werd bij de Sicherheitsdienst gedetacheerd.
Eijsink
Schrijffout, moet zijn Eysink.
Einthoven, Louis
Hij was hoofdcommissaris van politie in Rotterdam. Hij stuurde Anton van der Waals aan als infiltrant in de Rotterdamse CPN. Hij stond op een Duitse lijst van ongeveer 30 personen waarmee de Gestapo na een Duitse inval zo snel mogelijk contact moeten opnemen. In 1940 was hij een van de drie oprichters van de Nederlandsche Unie, welke naam was gebaseerd op de vooroorlogse fascistische organisatie Nationale Unie. Vervolgens wilde hij de Nederlandsche Unie met het fascistische Nationaal Front. Einthoven wilde in voorjaar 1945 dat de voormalige NSB-burgemeester van Den Haag na de bevrijding opnieuw burgemeester werd. Einthoven wilde aan het eind van de oorlog dat de democratie in Nederland werd afgeschaft, dat er geen verkiezingen kwamen en dat Nederland een eenpartijstaat onder leiding van de Ordedienst werd. Na de oorlog werd Einthoven directeur van het Bureau Nationale Veiligheid en stelde Johann Crabbendam aan als hoofd van Bureau B en kreeg als opdracht dezelfde werkzaamheden toe als hij eerder op Inlichtingendienstgebied had gedaan: dat was het de dood in drijven van massa’s communisten. In 1948 werd hij hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, waarbij hij een ook een reeks NSB’ers en vooroorlogse Duitse spionnen aan stelde.
Ekeren, Jan van
Hij was chauffeur voor de Sicherheitsdienst en werd bij het Englandspiel ingezet om goederen op te halen.
Enkelstroth, Friedrich August
Untersturmführer. Hij was lid van Sicherheitsdienst Referat IV A 1 communisme. Hij arresteerde veel communisten. Hij was aanwezig bij het arresteren van Herman Holstege. Hij mishandelde arrestanten. Hij was betrokken bij de fusillering van mensen en schoot er zelf een aantal dood.
Eysink, Berend Jan
(Eijsink)
Hij was lid van de NSB (nummer 109515). Hij was lid van Sicherheitsdienst Referat IV A1 communisme. Hij arresteerde veel communisten.
Finmaal
Schrijffout, moet zijn Eijmaal
Finmanel
Schrijffout, moet zijn Eijmaal
Fischer, Franz
Sturmscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst en werkte onder Willy Zöpf in het Referat IV B4. Zijn bijnaam was ‘Judenfischer’. Hij mishandelde Nederlandse verzetsmensen met stokken en ijzeren stangen tijdens verhoren in gebouw Windekind (de voormalige woning van hoofdcommissaris François van ’t Sant). Hij was samen met Willy Zöpf de hoofdverantwoordelijke voor de moord op meer dan honderdduizend Nederlandse Joden (hij regelde de deportatie van de Nederlandse Joden, terwijl bij de Sicherheitsdienst in Den Haag sinds august 1942 bekend was dat de Joden in Auschwitz vermoord werden). Hij werd na de oorlog ter dood veroordeeld, welke straf na gratie werd omgezet in levenslange gevangenisstraf. Hij werd in 1989 vrijgelaten.
Frank, Friedrich
Obersturmführer. Lid van de Sicherheitsdienst Referat IV E contraspionage, ondergeschikt aan Joseph Schreieder. De groep waar hij leiding aan gaf werd het Sonderkommando Frank genoemd. De basis van het Sonderkommando was in de Willemsparflat op de hoek van de Laan van Meerdervoort en Zeestraat in Den Haag. Hij stuurde de V-Mann Reinder Zwolsman met een peloton van 10 marechaussees aan en ook de V-Mannen Adriaan Breed, Hendrikus Vastenhout, Jan Haakman, Joseph Wesemael en Richard Salter. Hij was betrokken bij een groot corruptie- en chantagespel, waarbij arrestanten voor licht anti-Duitse vergrijpen bedreigd werd en met zenden naar concentratiekamp, maar dat ze zich voor 5.000 gulden (nu 50.000 Euro) konden vrijkopen; het geld werd binnen een kleine groep verdeeld. Hij was in sterke mate betrokken bij een Spiel tussen de Duitse Abwehr (contraspionage) onder leiding van Joseph Schreieder en Bureau Bijzondere Opdrachten in Londen, waarin Reinder Zwolsman een belangrijke rol speelde. Hij stuurde een aantal door de regering in Londen gedropte geheime agenten aan, die voor hem per radio met Londen communiceerden. Via de radiozenders lokte hij het bombardement op 3 maart 1945 op Bezuidenhout; Frank adviseerde enkele mensen om uit Bezuidenhout weg te blijven, waarbij Jan Haakman en Hendrikus vastenhout: bij het bombardement kwamen tegen de 600 mensen om het leven. Hij was de leider van de Silbertanne moorden (Veefkind noemt het een ‘moordkommando’ en ‘vliegend kommando’). Behalve een kantoor op Binnenhof 4 had hij ook nog een actiecentrum in de Willemsparkflat op de hoek Javastraat-Zeestraat. Na de Duitse capitulatie vluchtte hij naar Den Helder en van daar per marineschip naar Duitsland.
Frens, Willem de
Hij was voor de oorlog politieagent. Hij was lid van de Documentatiedienst.
Geelkerken, Cornelis van
Hij richtte samen met Anton Mussert de NSB op. Hij was plaatsvervangend Leider van de NSB en had daarom lidnummer 2.
Geigerseder, Elisabeth
(Geigerster, Geigese)
Zij was secretaresse van Joseph Schreieder. Zij had een intieme relatie met Anton van der Waals. Zij was goed ingewijd in het Englandspiel.
Gemmeke, Albert Konrad
Obersturmführer. Hij was in 1943 opvolger van Erich Deppner als kampcommandant van Westerbork. Hij voerde de deportatie van Joden uit.
Genechten, Robert van
(Genegten)
Hij was van oorsprong Belg en werd in 1930 tot Nederlander genaturaliseerd. Hij werd in 1934 lid van de NSB. Hij werd redacteur van het theoretische blad van de NSB. Hij volgde Antoni Brants op als procureur-generaal.
Geradts
Obersturmführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst. Hij stond onder leiding van Oskar Wensky.
Gerbig, Oskar Konrad
Hauptsturmführer. Hij had tot februari 1945 de leiding over de Sicherheitsdienst in Almelo.
Gernot
Hauptscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV. Hij was in het kader van het Englandspiel betrokken bij het ophalen van gedropte goederen of personen.
Gijn, Pieter van
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst, Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte goederen ophalen.
Giskes, Hermann Josef
Oberstleutnant. Lid van de Abwehr (contraspionage). Hij had de dagelijkse leiding bij het Englandspiel.
Goulooze, Daniël
Hij was voor lid van de groep Wollweber. Hij was voor de schijn postzegelhandelaar, welke functie hij gebruikte om op de postzegelmarkt van Amsterdam contacten met andere leden van de groep Wollweber te hebben. Hij had op verschillende adressen in Amsterdam geheime zenders staan, die gebruikt werden om gecodeerde berichten naar Moskou te zenden. Tijdens de oorlog noemden de Duitsers de reeks zenders die Rote Kapelle (rode orkest) en de bijbehorende persoenen ‘pianisten’, vanwege de ritmische piepjes die via de radio gehoord konden worden. Via de een van de zenders werd in augustus 1940 het uit Den Haag afkomstige bericht doorgeseind dat de Duitsers zich reeds sinds lange tijd voorbereidden op een oorlog met de Sowjet Unie, die in de winter zou voortduren en waarbij de bevoorrading deels per vliegtuig zou plaats vinden. Dat werd opgemaakt uit het feit dat de Duitsers onmiddellijk na ede bezetting van Nederland aan het meubelbedrijf Pander opdracht gaven om duizenden vliegtuigonderstellen op ski’s te bouwen voor transporttoestellen. In 1943 werd Goulooze opgenomen in het driemanschap dat de leiding had over de landelijke CPN had, wat verreweg de grootste verzetsorganisatie van Nederland was. Op 14 november 1943 werd Goulooze door de Sicherheitsdienst gearresteerd. Goulooze stemde er in toe om ten behoeve van de Duisters radioverkeer met Moskou te onderhouden. Doordat Goulooze een veiligheidscode in het radioverkeer wegliet was het radioverkeer zinloos. Toen de Duitsers dat doorkregen, werd Goulooze naar een concentratiekamp gestuurd. Goulooze was ten dode opgeschreven toen hij in Sachsenhausen arriveerde. Een Nederlandse communistische gevangene herkende hem en schreef hem onder een valse naam in het register, waardoor Goulooze dit kamp kon overleven.
Grimm
Sturmführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV.
Groin de Planque, Johan Meindert van
Hij was sinds 1933 lid van de NSB (nummer 3717) en werd tijdens de oorlog lid van de SS. Werkte sinds eind jaren dertig voor de Duitse topspion Traugott Protze. Hij kwam in 1942 bij de politie en meteen bij de Documentatiedienst. Zijn aliassen waren ‘Planken’ en ‘Plantinga’. Hij arresteerde communisten. Hij schoot arrestanten dood. Hij werd na de oorlog ter dood veroordeeld, maar dat werd omgezet in levenslang.
Grundeken, Adrianus Hendrikus
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst. Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte goederen ophalen.
Haakman, Jan
Voor de oorlog werd er meerdere malen proces-verbaal tegen hem opgemaakt wegens oplichting. Hij werd koerier voor de Nederlandse regering om diplomatieke post naar ambassade in Belijn te brengen; hij gebruikte zijn koerierspas om zaken naar en vanuit Duitsland te smokkelen. Na het beëindigen van de relatie met de regering werd zijn koerierspas niet ingenomen. Vrij snel na de Duitse bezetting werd hij lid van de NSB met lidnummer 107256. Hij werd nog in 1940 inkoper voor de Wehrmacht. In 1942 werd hij gearresteerd wegens zwarte handel, maar weer vrijgelaten. In 1944 werd hij V-Mann voor Friedrich Frank en werd daarmee chef van Reinder Zwolsman. Hij kreeg een wapenvergunning plus vuurwapen van de chef van de Duitse contraspionage Joseph Schreieder. Hij was met Reinder Zwolsman actief op de zwarte markt bij het verhandelen van goederen die door Reinder Zwolsman bij zwarthandelaren in beslag waren genomen. Op 14 juni 1944 was hij samen met onder anderen Leonardus Poos, Marten Slagter en Johannes Veefkind aanwezig bij een door de Sicherheitsdienst in het kader van het Englandspiel in scène gezette wapendropping bij Helvoirt. Zo werden 15 verzetsmensen in de val gelokt, waarvan er een bij een vuurgevecht ter plekke werd doodgeschoten, een ander zwaar gewond raakte en er 13 in kamp Vught gefusilleerd werden. Hij was betrokken bij een afpersingssysteem binnen het Sonderkommando Frank, waarbij arrestanten voor relatief lichte anti-Duitse acties zich konden vrijkopen voor minimaal 5.000 gulden onder het dreigement dat ze anders naar een concentratiekamp gezonden zouden worden. Na de oorlog presenteerde hij een lijst van meer dan 250 personen waarvan hij de vrijlating bewerkstelligd zou hebben. Hij maakte in het kade van een tweede Englandspiel deel uit van een cirkelgang van doorgeven van boodschappen via François van ’t Sant, Anton van der Waals, Joseph Schreieder, Jan Haakman, Reinder Zwolsman, François van ’t Sant Tijdens het hoogtepunt van de hoogtepunt van de hongersnood liet hij een binnenschip met een grote lading aardappelen komen, die hij voor een groot deel op de zwarte markt verhandelde. Door al dit soort acties werd hij schatrijk, welk geld hij belegde in op de zwarte markt gekochte juwelen (geroofd van gedeporteerde Joden) en de aankoop van een reeks van gedeporteerde Joden geroofde woningen (minstens 20, maar waarschijnlijk veel meer). Hij woonde in de wijk Bezuidenhout en werd tijdig gewaarschuwd dat Friedrich Frank een bombardement op Bezuidenhout uitlokte. Zij woning werd totaal verwoest bij het bombardement, maar hij bleef met zijn gezin ongedeerd; hij raakte meubelen en huisraad kwijt, maar behield zijn grote voorraad juwelen en eigendomspapieren van woningen. Hij vroeg op 14 augustus 1993 een verzetspensioen aan bij de Stichting 1940-1945.
Hadler, Wilhelm
Untersturmführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat C II. Hij arresteerde onder anderen leden van het sociaaldemocratisch verzet. Aan het eind van de oorlog was hij werkzaam in Enschede. Aan het einde van de oorlog was hij betrokken bij het doodschieten van gevangen genomen geallieerde piloten.
Haighton, Coenraad Alfred Augustus
Hij stichtte samen met een broer het fascistische Verbond van Actualisten, waarin Jan Baars een prominente rol in ging spelen.
Hamel, Lodewijk Anne Rinse Jetse
Hij was een marine-officier die in de meidagen van 1940 in Engeland terecht kwam. Hij werd door François van ’t Sant aangeworven om als geheim agent boven Nederland gedropt te worden. Hij werd op 27 augustus 1940 bij Hillegom gedropt. Hij zou op 13 oktober 1940 per vliegtuig uit Nederland naar Engeland teruggehaald worden, maar dat mislukt. Twee dagen later werd hij door twee Nederlandse politiemannen gearresteerd en op 16 juni 1941 gefusilleerd. Als door Veefkind gedropte geheime agent identiek aan Van Hamel zou zijn, dan werd hij door Leonardus Poos opgevangen en had Van ’t Sant al zijn komst naar Nederland aan leden van de Haagse Politie Inlichtingendienst door gegeven. Dan zouden de twee politiemannen die Van hamel arresteerden vrijwel zeker Leonardus Poos en Marten Slagter zijn.
Hamer, Petrus Marinus Carolus Julianus
Hamer werd gekozen in Volksraad Nederlandsch Indië. Hij kende Dora Peekema-Dibbets vanuit Batavia en had er later in Den Haag een intieme relatie mee. Hij was in Nederlandsch Indië lid van de Vrijmetselarij. Hij had in 1935 een gesprek met Cornelis van Geelkerken; Hamer vertelde dat hij niet openlijk NSB-lid wilde worden omdat hij een functie in het leger wilde hebben. Hij was voor de oorlog officier-commissaris en plaatsvervangend auditeur-militair bij de krijgsraad in Den Haag. Hij had in restaurant Chateau Bleu veelvuldig contacten met Duitse spionnen in Den Haag zoals de spionnen Bonn en Traugott Protze en de Duitse Gezantschapsattaché Heinrich Hushahn. Volgens Hendrik Alsem ontving Hamer veel Duitsers en was voortdurend dronken; hij had regelmatig omgang met publieke vrouwen. Hamer had ook veel ontmoetingen met Duitsers in Hotel des Indes in Den Haag; de hoteleigenaar naam ook vaak deel aan de gesprekken. Hij was lid van de SS. Hij werd begin september 1941 door Polizeiführer Rauter benoemd tot hoofdcommissaris van politie. Hamer werd lid van de NSB met stamboeknummer 95113, welk nummer erop duidt dat hij al voor de oorlog geheim lid van de NSB was; hij was tegelijkertijd lid van de Nationaal Socialistische Nederlandsche Arbeiders Partij (NSNAP). Hij richtte de Haagse Documentatiedienst op. Hij werkte tijdens de oorlog voor Stelle P van de vooroorlogse spion Protze. Hij overhandigde uit het militair archief gestolen documenten (staatsgeheimen) aan Protze en Schreieder. Hij was behulpzaam bij het stelen van staatsgeheimen uit een militair archief en gaf die door aan de Duitse contraspionage. Hij werd vanwege veelvuldige dronkenschap in 1943 afgezet. Hij werd na de oorlog tot vijftien jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij vroeg in 1988 een verzetspensioen bij de Stichting 1940-1945 aan.
Hardegen, Paul
Untersturmführer. Hij kreeg in 1945 als opvolger van Oskar Gerbig de leiding over de Sicherheitsdienst in Almelo.
Harders, Hans Ernst
Hauptscharsturmführer. Lid van de Sicherheitsdienst. Was betrokken bij de Sibertanne-moorden.
Hardler, Wilhelm
Untersturmführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst in Den Haag.
Harster, Wilhem
Brigadeführer. Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des Sicherheitsdiensts: de op een na hoogste functionaris van de Sicherheitsdienst in Nederland. Zijn kantoor was op Plein 1 in Den Haag. Hij gaf in 1941 toestemming voor ‘verschärfte Venehmung’ van communisten, wat berekende dat ze gemarteld mochten worden. Hij werd in augustus 1943 overgeplaatst naar Italië. Hij was in Italië betrokken bij de moord op 70 Italianen. Hij werd in 1956 in Oberbayern Oberregierungsrat.
Hartmann, Lina
Zij is in Duitsland geboren en had de Duitse nationaliteit. Door haat huwelijk in 1923 had verkreeg zij de Nederlandse nationaliteit. Na een echtscheiding in 1934 kwam zij aan de kost als publieke vrouw. Zij spioneerde voor de oorlog voor Duitsland en bracht onder andere de opstelling van het afweergeschut rond Rotterdam in beeld. Zij bespioneerde Rotterdamse communisten van de scheepssabotageploeg, onderdeel van de Europees werkzame Duitse communistische groep Wollweber, en wist in 1940 ondergedoken leden van de groep op te sporen en aan de Sicherheitsdienst te verraden, onder andere Jan Cornelis van Schaik die in Loosduinen was ondergedoken en die ter dood door onthoofding veroordeeld werd en in 1943 tijdens Blutnächte von Plötzensee opgehangen werd. Eind 1940 verhuisde zijn naar Den Haag en werd V-Frau voor de chef Ernst Knorr van het Referat Kommunismus van de Sicherheitsdienst. Knorr noemde haar Rote Fuchs, omdat ze rood haar had en sluw was.
Hassel, Rudolf
(Hassle)
Aan het begin van de bezetting kwam hij bij Sicherheitsdienst in Den Haag, maar werd overgeplaatst naar de Referat IV B jüdische Auswanderung in Amsterdam. Hij was bevriend met kampcommandant Albert Gemmeke van kamp Westerbork. Hij verloor zijn echtgenote aan Gemmeke.
Haubrock, Otto Heinrich Karl
(Haubruck)
Sturmscharführer. Lid van de Sicherheitsdienst. Hij was lid van de Abwehr (Duitse contraspionage). Hij wist Fritz Rudolf Hillesheim op te sporen. Hij speelde van september 1944 tot mei 1945 een rol in het Spiel tussen het Sonderkommando Frank en het Bureau Bijzonder Opdrachten in Londen, waarbij V-Mann Reinder Zwolsman behulpzaam was. Hij werkte aan het eind van de oorlog samen met Jan Marginus Somer van het Bureau Inlichtingen en kon zo de V-Mann Joseph Wesemael laten ontsnappen.
Heijningen, David van
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst, Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte goederen ophalen.
Heijnis, Cornelis
Hij kwam in 1933 bij de politie. Hij was voor de oorlog lid van de Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij werd lid van de NSB (nummer 110123) en SS. Hij werd lid van de Documentatiedienst en chef daarvan. Hij arresteerde communisten, sociaaldemocraten en Joden. Hij werd lid van de Bahnfahndung (treincontrole). Hij werd lid van de Sicherheitsdienst. Hij werd erg rijk door beloningen voor arrestaties en kocht daar meerdere huizen mee. Vanaf zomer 1943 was zijn kantoor aan de Nassaulaan 23, omdat het gebouw van de Documentatiedienst bij het bombardement op gebouw Kleykamp beschadigd was. Op 8 maart 1945 arresteerde hij op aangeven door de politie-infiltrant Johannes van Soolingen vier communisten, waarvan er drie op 12 maart in Rotterdam gefusilleerd werden.
Heinemann, Ludwig
Untersturmführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat III A 1. Hij was een ondergeschikte van Friedrich Ludwig Knolle. Hij arresteerde onder anderen de bekende verzetsman Edmund Wellenstein. Bij fusilleringen gaf hij het genadeschot. Aan het einde van de oorlog liet hij verschillende keren groepen mensen fusilleren. Hij werd na de oorlog ter dood veroordeeld en gefusilleerd.
Hertlein
Hauptscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV A. Hij arresteerde, meestal samen met Otto Lange, veel communisten. Hij was vooral betrokken bij radiozaken.
Heske, Bruno
Schrijffout, moet zijn Bruno Neske.
Heskes, Johan
Haagse communist die op 28 april 1941 gearresteerd werd. De naam moet door de politie-infiltrant in de CPN Johannes Hubertus van Soolingen aan de Sicherheitsdienst toegespeeld zijn. Er werd een toneelstukje bij de kapper Johannes Montfoort opgevoerd omdat de Sicherheitsdienst zo hoopte dat de Haagse communisten niet in de gaten kregen dat de Sicherheitsdienst hen op spoor was. Bij Heskes werd een grote stapel van het illegale blaadje De Waarheid gevonden, dat ter gelegenheid van de 1 Mei viering verspreid zou worden. Heskes is na de bevrijding in het concentratiekamp Dora overleden.
Heydonck, Willy
Untersturmführer. Kwam samen met Kurt Döring als eerste Sicherheitsdienstmannen in Nederland en werd in Den Haag gestationeerd. Hij kwam bij het Referat IV te werken. Hij werd naar Amsterdam overgeplaatst. Hij mishandelde arrestanten.
Himmler, Heinrich Luitpold
Hij was de Reichsführer van de SS. Hij was achter Hitler de tweede man van Nazi-Duitsland. Hij was in belangrijke mate schuldig aan de Joodse holocaust. Hij pleegde vlak na de oorlog zelfmoord.
Hillesheim, Fritz Rudolf
Sturmscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst. Hij kwam op 15 augustus 1941 naar Nederland. Hij was een ondergeschikte van Oskar Wensky en hield zich bezig met het bestrijden van de zwarte handel. De Sicherheitsdienst zette V-Männer in bij het bestrijden van de zwarte handel: ze moesten hoge prijzen voor goeder aanbieden. Als de zwarthandelaar toehapte, werden bij levering de goederen in beslag genomen en de zwarthandelaar gearresteerd. Hillesheim moest de beloningen aan de V-Männer uitbetalen , maar stak daarbij vaak een deel in eigen zak. De in beslag genomen goederen werden vervolgens deels door de Sicherheitsdienst zelf op de zwarte markt verhandeld. De V-Mann Reinder Zwolsman had daarvoor met zijn peloton marechaussees een eigen handelszaak aan de Laan van Nieuw Oost Indië 277: onder meer werd er gehandeld in kazen, boter, turf, levensmiddelen, benzine, motorolie, stookolie, autobanden, fietsbanden, accu’s, benzineblikken, textiel, fietsen enz. Daarnaast was Hillesheim de spil in een afpersingssysteem, waarbij arrestanten voor relatief lichte anti-Duitse vergrijpen zich voor minimaal 5.000 gulden konden vrijkopen onder het dreigement dat ze anders naar een concentratiekamp gestuurd zouden worden. De totale opbrengst van het afpersingsspel moet tussen de een en twee miljoen gulden (nu tien tot twintig miljoen gulden) bedragen hebben, dat onderling verdeeld werd. Hillesheim werd schatrijk en belegde zijn vermogen in juwelen, woningen en aandelen (vaak ging het om van Joden gestolen bezit). Zijn echtgenote bracht de juwelen in Duitsland onder op een veilig adres en kreeg daardoor de bijnaam ‘juwelen Lotte’. Om zijn vermogen in Nederland niet kwijt te raken wilde hij een verblijfsvergunning in het Nederland van na de oorlog regelen. Daarom deserteerde hij op Dolle Dinsdag en dook met hulp van Alsem onder. Alsem voorzag hem van en briefje van de ‘verzetsgroep Korps Admiraal Doorman’, waarin stond dat Hillesheim als functionaris van de Sicherheitsdienst ‘behulpzaam geweest voor de illegaliteit en de goede zaak van Nederland gediend’ en ondertekende met de absurde titel ‘Ministerie van Oorlog, 1e luitenant’. De verzetsgroep Doorman was ook op Dolle Dinsdag opgericht en was niet meer dan een leerlingenlijst van het Haagsch Lyceum. De Sicherheitsdienst was woedend over de desertie, vooral omdat het verhaal ging dat Alsem een lijst van leden van de Sicherheitsdienst had gemaakt met daarop hun wandaden, die zou kunnen help bij het aanvragen van een verblijfsvergunning. Hillesheim werd door Reinder Zwolsman, V-Mann uit het Sonderkommando Frank’ opgespoord en na een uitspraak van de krijgsraad opgehangen. Zwolsman mocht het bezit van Hillesheim als beloning houden. Zwolsman verbood Alsem om zich nog langer als verzetsman voor te doen, waarna Alsem klaagde hij ‘Ik vind het gemeen, da jullie mij de kans ontnemen om rooverhoofdmannetje te spelen’. De twee kregen ruzie, waarna Alsem door Zwolsman in eerst het Oranjehotel en later in de psychiatrische inrichting Ursulakliniek opsloot. Alsem kon tijdens een bombardement ontsnappen, maar werd kort daarop met ernstige maagklachten in ziekenhuis Westeinde opgenomen; de maagklachten werden een maagperforatie. Na de oorlog beschreef staatsgeschiedvervalser Lou de Jong hem als een verzetsheld van de ‘verzetsgroep Karel Doorman’, zoals nu ook op het leugenplatform Wikipedia vermeld staat.
Hitler, Adolf
Reichsführer. Staatshoofd van Duitsland. De oorlog die hij startte kostte meer dan vijftig miljoen mensen het leven.
Hoelen, Eduardus Quirinus Hubertus Maria
Hij was een zenuwarts en stichter en directeur van de Ursulakliniek in Wassenaar. Zwolsman werd patiënt van mem en hij gaf Zwolsman morfine-injecties, waardoor Zwolsman verslaafd raakte. Hij werd commissaris Tijdens de oorlog werd hij commissaris in het bouwbedrijf Reinder Zwolsman. Het bedrijf werd zelfs enige tijd vernoemd naar de Nassaulaan in Den Haag, waarin Hoelen woonde. Hoelen was betrokken bij de grootschalige bunkerbouw door de bouwbedrijven van Zwolsman en de handel in Joods onroerend goed door de makelaardij van Zwolsman. Zwolsman kon personen waarmee hij ruzie had opsluiten in de gesloten afdeling van de Ursulakliniek, wat onder anderen met Hendrik Alsem gebeurde. Hoelen kwam frequent bij de groep Geheime Dienst Nederland dat de spil was in een tweede Englandspiel in de periode september 1944 tot mei 1945. In maart 1945 leverde Zwolsman een grote hoeveelheid door de RAF gedropte wapens af, die hij met behulp van door de Sicherheitsdienst geleverde vachtwagens opgehaald had. De wapens werden onder bewaking van Duitse SS-troepen gesteld om verspreid te worden na de Duitse capitulatie om de vorming van en door de bevolking gewenste regering tegen te gaan. Hoelen werkte mee aan de moord op een door Zwolsman gearresteerde persoon, die in principe na de oorlog berecht had kunnen worden indien dat gewenst mocht blijken. Direct na de bevrijding verborg Hoelen tegen forse betaling oorlogsmisdadigers om hen tegen arrestatie te beschermen. Hoelen werd op 1 juli 1945 gearresteerd vanwege collaboratie, maar drie dagen later door POD-functionaris Reinder Zwolsman vrijgelaten. Het CABR-dossier 113207 van Hoelen is spoorloos verdwenen. Na de oorlog had Hoelen veelvuldig contact met de RKSP/KVP-politicus Carl Romme die een oude studievriend was. Er werd gesproken over het opsluiten van koningin Juliana als psychiatrisch patiënt, waarna prins Bernhard regent zou worden.
Hol, Willem
Hij was ten tijde van de Duitse inval commissaris van politie en gaf leiding aan de Zeedenpolitie. Burgermeester De Monchy bracht de Inlichtingendienst op 15 mei 1940 onder bij de Zeedenpolitie, maar twee weken later bi de Justitieelen Dienst. Hij stelde een lijst van alle in Den Haag wonende Joden en Joodse bedrijven. In 1943 stal hij 7.000 gulden (nu 70.000 Euro) uit het politiepotje voor het bestrijden van de zwarte handel. Hij werd in 1944 eervol ontslagen, vanwege het verzamelen van wapens (voor hobby), rassenschande, jodenbegunstiging en verduistering.
Holbeck, Fritz Heinrich
Oberscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst in Almelo.
Holstege, Herman
Communistisch verzetsman. Hij was instructeur voor eerste de Rotterdams CPN en vanaf juni 1941 voor de Haagse CPN (een instructeur was iemand die de verbinding onderhield tussen een lokale verzetsgroep van de CPN en de landelijke leiding in Amsterdam en gaf de instructies van de landelijke leiding door). Holstege was ondergedoken, maar kwam op 31 juli 1941 naar zijn woning om een aantal privé-zaken af te handelen. De politie had uit verhoren van eerdere communisten zijn naam vernomen als instructeur en observeerde de woning. Holstege werd op 1 augustus 1941 gearresteerd door Otto Lange, Johannes Veefkind, Breitner, Enkelstroth, Willem van Duivenboden. Bij verhoren gaf hij geen informatie prijs. Omdat de Haagse Sicherheitsdienst er zeer op gebrand was de landelijke leiding in handen te krijgen, besloot Ernst Knorr om op 2 september 1941 een speciaal verhoor toe te passen met zware martelingen. Aanwezig waren Ernst Knorr, Otto Lange en als tolk Johannes Veefkind. Knorr deed gedurende anderhalf uur het meeste martelwerk, wat met veel geschreeuw van alle aanwezigen gepaard ging. Holstege werd met een gummiknuppel in de anus gepenetreerd, waardoor de darmen scheurden. Bij het verhoor gaf Holstege de namen van twee CPN-contacten prijs: een al gearresteerde Leidse communist en een Rotterdamse. Daarna gaf hij alleen nog gefingeerde namen prijs, waardoor Lange de volgende dag zei dat Holstege hen bij de neus had genomen. De naam van de Rotterdamse communist leidde tot een groot aantal arrestaties in Rotterdam door het drietal Lange, Veefkind en Van Duivenboden, resulterende in vele tientallen doden. Holstege overleed enkele uren later na hevige pijnen, zijn hele lichaam zat vol blauwe plekken. Er werd gezegd dat Holstege zich had opgehangen, maar in de cel was geen enkel steunpunt waaraan iemand zich kon ophangen. Holstege werd begraven in een verzegelde gesloten kist en Veefkind moest er op toezien dat niemand de kist opende. Na de oorlog ontkende Veefkind dat hij daarbij aanwezig was, maar zijn stem was tijdens de marteling herkend door de twee bewoners van de naastgelegen cel. Veefkind kwam met het alibi dat hij samen met Jilis van der Weerd een poging deed Gerrit Kastein te arresteren. Maar mevrouw Kastein heeft een verklaring getekend dat de tweede persoon niet Veefkind maar de goed herkenbare Van Duivenboden was. De collega’s van Veefkind die na de oorlog bij de Politieke Opsporingsdienst werkten, hebben een stapeltje kopieën van die verklaring gemaakt, waarin de zin met de naam Van Duivenboden is weggelaten, en in de dossiers gestopt (de getekende verklaring is bewaard gebleven). Bij het martelen gepaarde verhoor heeft Holstege voornamelijk valse namen opgegeven, maar ook twee echte namen. Een van die twee namen leidde tot de arrestatie van omstreeks tweehonderd communisten in de regio Rotterdam, waarvan er vele tientallen om het leven zijn gekomen.
Hushahn, Heinrich
Oberregierungsrat. Hij was officieel persattaché bij de Duitse legatie aan de Laan Copes van Cattenburch 1 (hoek Scheveningscheweg) in Den Haag. Hij spioneerde voor Duitsland. Hij was bevriend met de hoge legerofficier Petrus Hamer, die tijdens de bezetting tot hoofdcommissaris van Den Haag benoemd werd. Hushahn was regelmatig aanwezig in het restaurant Château Bleu van Henk Alsem, waar hij gesprekken met hoge ambtenaren, legerofficieren en politiefunctionarissen van de Inlichtingendienst voerde.
Iersel, Martinus Jacobus Adrianus
Hij was officier bij de marine. Hij was districtsleider van de NSB in Zuid-Holland.
IJsink
Schrijffout, moet zijn Berend Jan Eysink
IJzerloo, Theo van
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst. Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte goederen ophalen.
Jager Meezenbroek, Paulus Gerardus
(Jager Meerenbroek)
Hij was voor en tijdens de oorlog de chef van de Centrale Inlichtingendienst van de NSB. Hij werkte samen met de chef van de Documentatiedienst Friedrich Wilhelm Simon.
Kastein, Gerrit
Hij was een prominent communist. Hij was van beroep zenuwarts. Hij ging in 1937 voor korte tijd als vrijwilliger naar Spanje om medische bijstand te verlenen aan gewonden van het Spaanse regeringsleger en de Internationale Brigade. Hij was op 17 mei 1940 een van de oprichters van het communistische verzet in Den Haag. Verder was hij medeoprichter van het Medisch Contact (artsenverzet), Militair Contact (gewapend communistisch verzet meestal aangeduid als mil) en het verzetsblad De Vrije Katheder. Hij stuurde de militante communistische gezinde verzetsgroepen CS6 en de Nederlandse Volksmilitie aan, evenals bomaanslagen plegende sabotagegroepen in Hengelo en Terwolde. Hij vergezelde Jan Verleun bij de moord op Hendrik Seijffardt en vermoordde Hermannus Reijdon en echtgenote. Hij organiseerde en liquidatiepoging op Anton van der Waals, die mislukte omdat hij zelf gearresteerd werd. Hij kon gearresteerd worden door de Rotterdamse Sicherheitsdienst. Na arrestatie pleegde hij zelfmoord door uit een verhoorkamertje op de tweede verdieping bij de Sicherheitsdienst op het Binnenhof te springen.
Kersbergen, Johannes Hendrikus Petrus van
Hij was waarschijnlijk een V-Mann voor de Documentatiedienst of Sicherheitsdienst. Op 28 april 1941 ging hij naar de kapper Johannes Montfoort en kreeg De Waarheid. Dit werd ‘toevallig’ gezien door de Sicherheitsdienst chauffeur Berend Jan Doornebos, waarna twee minuten nadat Doornebos de kapperszaak verliet een arrestatieactie gestart werd, waarbij vier communisten gearresteerd werden. In de maanden erna werden nog eens 130 communisten gearresteerd, wat tot 107 doden heeft geleid. Kersbergen werd ook gearresteerd, maar twee weken later weer vrijgelaten, wat het zeer waarschijnlijk maakt dat hij een V-Mann was.
Kiesewetter, Ernst
Major. Lid van de Sicherheitsdienst. Hij werkte voor de Abwehr (contraspionage).
Klazie
Schrijffout, moet zijn Clasie.
Kloostra, Tjerk
Hij was een communistische verzetsman die vanaf eind mei 1940 al gewapend over straat ging. Hij was ex-werknemer van het meubelbedrijf Pander en vernam in augustus 1940 van een voormalige collega dat Pander onderstellen op ski’s voor duizenden Duitse transportvliegtuigen ging maken. Dat duidde er op dat Duitsland zich opmaakt voor een oorlog tegen de Sowjet Unie, die in de winter zou voorduren en dat de bevoorrading gedeeltelijk per vliegtuig zou gebeuren. Deze belangrijke militaire informatie werd door Daan Goulooze, leider van de Nederlandse tak van de groep Wollweber, naar Moskou geseind. In 1943 zou Kloostra een ontmoeting op de Haagsche Markt hebben met Adrianus Nas. Nas was echter gearresteerd en werd begeleid door twee Sicherheitsdienstmannen naar de afspraak gebracht. Nas riep een waarschuwing, waarna Kloostra een pistool trok en de begeleider Erich Zinkel doodschoot. Kloostra vluchtte weg naar een pand in een zijstraat, maar werd achtervolgd door drie politiemannen. In het volgende vuurgevecht werd Kloostra doodgeschoten.
Knolle, Friedrich Ludwig
Obersturmbannführer. Lid van de Sicherheitsdienst. Hij sprak vloeiend Nederlands. Hij zette Berend Doornebos wel eens in als V-Mann. Hij had een leidinggevende rol bij de stay-behind organisatie Jagdkommando Nordwest dat zijn hoofdkwartier op het landgoed Zorgvliet had. Hij had als V-Mann Andreas George Bouten, die voor de oorlog een lange carrière als Duits spion had en ook informant van de Centralen Inlichtingendienst was. Het Jagdkommando is voorgekomen uit de bevrijdingsactie in 1943 van Mussolini door een groep parachutisten onder leiding van Otto Skorzeny die ook op Zorgvliet aanwezig was. Uit het Jagdkommano Nordwest zijn de stay-behind organisaties Weerwolf, Stichting Opleiding Arbeidskrachten Nederland (SOAN) en Operatiën & Inlichtingen (aangesloten bij het terreurnetwerk Gladio) die 1992 werd opgeheven.
Knop, Erwin
Sturmbannführer. Lid van de Sicherheitsdienst. Hij was ondergeschikte van Erich Deppner. Hij was in het Englanspiel betrokken bij het ophalen van gedropte personen en goederen. Aan het eind van de oorlog was hij werkzaam in Enschede. Hij werd na de oorlog door de Britse bezettingsmacht berecht, ter dood veroordeeld en opgehangen.
Knorr, Ernst
Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV A 1. Hij was de chef van Otto Lange. Hij miste aan een hand alle vingers. Hij arresteerde soms communisten. Bij het verhoren van communisten werd hij erbij geroepen als de arrestant hardnekkig geen informatie losliet; hij had een academische titel en als hij geroepen werd, werd tegen de arrestant gezegd dat ‘de dokter’ er bij geroepen werd. Hij was specialist in het martelen van arrestanten. Hij vermoorde Herman Holstege door hem een gummiknuppel in de anus te drukken, waarbij de darmen scheurden; bij het verhoor waren ook aanwezig Otto Lange en Veefkind. Hij werd in februari 1943 door Gerrit Kastein in het been geschoten waardoor hij ernstig gewond raakte. Het wapen had Kastein van Anton van der Waals gekregen, maar was afkomstig van Joseph Schreieder en was eerder gebruikt voor het doodschieten van Hermannus Reijdon. Hij werd in de loop van 1943 naar Groningen overgeplaatst, waar hij veel mensen martelde; hij vermoorde verschillende personen. Op 16 april 1945 vluchtte hij met een groep SS’ers naar Schiermonnikoog in de hoop dat ze met een Duitse boot afgehaald en naar Duitsland gebracht zouden worden. Bij de Duitse capitulatie weigerde de groep zich over te geven. Pas op 28 mei 1945 gaf de groep zich over en werd twee dagen later naar Groningen overgebracht en kwam in Canadese krijgsgevangenschap. Op 27 juni 1945 werd hij door de Canadezen uitgeleverd aan Nederlandse autoriteiten en naar het Oranjehotel overgebracht. Daar hield een groep schijnverzetsmensen toezicht en om te tonen dat ze goede vaderlanders waren martelden ze oorlogsmisdadigers, waarbij Knorr. Op 7 juli 1945 werd hij van de eerste verdieping naar beneden gegooid (de verdieping lag extra hoog), en was op slag dood (er werden meer mensen op dezelfde manier in het Oranjehotel vermoord, zoals een communist in 1941 en gedetineerde oorlogsmisdadigers in 1945).
Koene, Martinus
Politieman. Hij was tijdens de oorlog lid van de Haagse Documentatiedienst en Sicherheitsdienst. Aan het eind van de oorlog was hij werkzaam in Almelo.
Kooistra, Gustav Adolf
Informant voor Sicherheitsdienst. Hij was een in Den Haag bekende pooier. Hij was V-Mann voor Erwin Knop.
Kranendonk
Schuilnaam van Anton van der Waals gebaseerd op zijn moeders achternaam Cranendonk.
Kreuder, Peter Paul
Hij was een pianist, componist en dirigent.
Kruyt, Cornelis Jacobus Aart
(Kruit)
Hij werd in 1933 leider van de Nationaal-Socialistische Nederlandsche Arbeiderspartij (NSNAP), die in 1941 op moest gaan in de NSB. De NSNAP was zwaar antisemitisch.
Kuiper, Willem
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst, Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte goederen ophalen.
Lages, Willi Paul Franz
Hauptsturmführer. Hij werd in 1941 aangesteld als leider van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam. Hij was hoofverantwoordelijke voor de deportatie van Nederlandse Joden, terwijl hij kort na zijn aanstelling wist dat de Joden na deportatie vermoord werden. Hij werd in 1943 leider van Aussenstelle Amsterdam van de Sicherheitsdienst. Hij speelde een hoofdrol bij de Silbertanne moorden. Hij werd na de oorlog ter dood veroordeeld, welke straf bij gratie werd omgezet in levenslang. Hij gaf opdracht tot de moord op Hannie Schaft. Hij werd in 1966 wegens medische redenen vrijgelaten, maar dat bleek gebaseerd op een foutieve diagnose.
Lahr
Oberscharführer. Hij was secretaris van Wilhelm Harster.
Lancker, Albert Ferdinand
(Lanckert)
Hij was lid van de Ordedienst. Hij kwam in een leidende positie bij de Raad van Verzet. Op 11 februari 1945 bevond hij zich in het hoofdkwartier van het district Salland van de Binnenlandse Strijdkrachten in Hoge Hexel. De Sicherheitsdienst vermoedde wapens in de woning en deed een inval met vier man, waarbij Johannes Veefkind. Lancker vluchtte, waarbij hij bij de voordeur twee SD’ers neerschoot. De twee overgebleven SD’ers, waarbij Veefkind, schoten op de vluchtende Lancker die getroffen werd. Hij wilde zich niet overgeven en schoot zich een kogel door het hoofd. Na de oorlog werd Veefkind beschuldigd van moord op Lancker.
Lange, Otto
Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV A 1 communisme. Hij sprak vloeiend Nederlands. Hij was afkomstig van de Gestapo in Hamburg, waar de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst voor de oorlog nauw mee samenwerkte bij de bestrijding van activiteiten door de communistische scheepssabotagegroep: de samenwerking, waarbij gebruik werd gemaakt van de diensten van Anton van de Waals, wat ongeveer twintig communisten het leven heeft gekost. Hij was bij het grootste deel van arrestaties van communisten in de regio Den Haag aanwezig. Hij arresteerde meestal met hulp van Veefkind en Van Duivenboden. Hij martelde veel gearresteerde communisten. Hij is verantwoordelijk voor de moord op minstens 125 Haagse en Rotterdamse communisten. Hij was aanwezig bij de martelmoord op Herman Holstege. Door de martelmoord kon hij nog eens tweehonderd communisten in de agglomeratie Rotterdam arresteren.
Lauhus, Wilhelm
(Lahus)
Sturmbannführer. Hij was tot 1941 leider van de Aussenstelle Amsterdam van de Sicherheitsdienst, maar werd afgezet wegens zijn als niet adequaat beoordeelde optreden in verband met de Februaristaking.
Leander, Zarah
Zij werd geboren als Sara Stina Hedberg en gebruikte als artieste de naam Leander. Zij trad in dienst van de Duitse filmmaatschappij UFA die veel Nazi-propaganda en antisemitische films maakte.
Leemhuis, Cornelis
Lid van de vooroorlogse Haagse Politie Inlichtingendienst tijdens de oorlog lid van de Documentatiedienst; lid van NSB (nummer 116098). Werkte sinds eind jaren dertig voor de Duitse topspion Traugott Protze. Bij het Englandspiel maakte hij deel uit van het ontvangstcomité. Hij was V-Mann voor Sicherheitsdienst. Hij drong een pilotenlijn vanuit Nijmegen naar Spanje binnen, waardoor in Brussel en Parijs verzetsmannen gearresteerd konden worden. Hij maakte aan het eind van de oorlog deel uit van het Sonderkommando Frank. Hij was betrokken bij de stay-behind organisatie Weerwolf.
Leeuwen, Hendrik Jan
Hij was chauffeur voor de Sicherheitsdienst en werd bij het Englandspiel ingezet om goederen op te halen.
Lehander, Sara
Schrijffout, moet zijn Zarah Leander
Liffert
Schrijffout, moet zijn Wilfert
Lütkenhaus Erich Aloysius
(Lütkenhus)
Obersturmführer. Hij was leider van de Sicherheitsdienst in Zwolle. Hij was in 1943 de chef van Veefkind.
Luurssen, Krieno Hendrik
Hij was voor de oorlog lid van de Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij ging op eigen verzoek in mei 1940 als eerste Nederlandse politieman in dienst van de Sicherheitsdienst. Hij kreeg de leiding over de Bahnfahndung (treincontrole), die minstens duizend mensen, meest Joden, het leven heeft gekost. Hij kwam in het Sonderkommando Frank dat onder leiding van Friedrich Frank stond. Hij was betrokken bij een groot corruptie- en chantagespel, waarbij arrestanten voor licht anti-Duitse vergrijpen bedreigd werd en met zenden naar concentratiekamp, maar dat ze zich voor 5.000 gulden (nu 50.000 Euro) konden vrijkopen; het geld werd binnen een kleine groep verdeeld. Hij werd door substituut officier van Justitie Nicolaas Johannes Gerardus Sikkel, die in opdracht van zijn zwager Gerbrandy in de Raad van Verzet was opgenomen en vervolgens in de verzetsgroep van Hannie Schaft kwam, ook in die verzetsgroep opgenomen.
Makowski, Ernst
Oberscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IVC II, later IV A3. Hij was zeer gewelddadig bij verhoren. Hij mishandelde arrestanten.
Mangold
Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV. Hij was in het kader van het Englandspiel betrokken bij het ophalen van gedropte personen en goederen.
May, Ernst Georg
Untersturmführer. Lid van de Duitse Abwehr (contraspionage). Hij verhoorde gearresteerde geheime agenten. Hij was code-expert.
Meij, Nicolaas Gerardus
De hoofdcommissaris van Den Haag bij de Duitse inval, die voor de oorlog de Haagse Politie Inlichtingendienst rechtstreeks aanstuurde; hij sprak dagelijks met de chef van de Inlichtingendienst Johannes Amiabel. Hij werkte samen met het hoofd van de Centralen Inlichtingendienst van de NSB Paulus de Jager Meezenbroek. In september 1940 werd hij door de Duitsers afgezet, omdat WA-man Petrus Ton bij relletjes door een politiekogel dodelijk werd getroffen. Na een smeekbedebrief naar Rauter werd hij benoemd als Raadsadviseur bij top-NSB’er Robert van Genechten.
Monchy, Salomon Jean René de
Hij was lid van de Liberale Staats Partij. Hij werd in 1934 benoemd tot burgemeester van Den Haag. Hij gaf opdracht aan de Haagse Politie Inlichtingendienst om een samenwerking aan te gaan met de Gestapo in Wuppertal. Als burgemeester was hij verantwoordelijk voor het gedrag van de Haagse Politie Inlichtingendienst die voor de oorlog nauw met Duitse spionnen samenwerkte en weigerde op proces-verbaal op te maken tegen de NSB vanwege verboden wapenbezit en transport van wapens over de openbare weg. Op de dag van de Nederlandse capitulatie 15 mei 1940 paste hij een organisatorische wijziging aan in de aansturing van de Haagse Politie Inlichtingendienst, die er op neer kwam dat de Inlichtingendienst zijn werkzaamheden voor de in aantocht zijnde Duitse bezetter ging voortzetten. Hij gaf opdracht om de sinds 1923 lopende infiltratie in de Haagse CPN voort te zetten, wat heeft geresulteerd in de dood van 128 communistische verzetsmensen. De samenwerking met de Gestapo in Wuppertal resulteerde er in dat de leider Kurt Döring van de afdeling Bekämpfung Kommunismus van de Gestapo in Wuppertal waarmee nauw werd samen gewerkt, als eerste man van de Sicherheitsdienst in Nederland kwam en vanuit Den Haag het communisme in Nederland ging bestrijden, wat tot de dood van omstreeks 2000 Nederlandse communisten heeft geleid. In 1946 ging hij ermee akkoord dat de gemeentepolitieman Abraham van Dijk, die voormalig NSB’er, SS’er en handlanger van de Duitse topspion Traugott Protze was, benoemd werd tot adjudant van koningin Wilhelmina, waarmee het staatshoofd in gevaar werd gebracht. Direct na de oprichting van de VVD, werd hij een prominent lid van die partij.
Montfoort, Johannes
Hij was communist en lid van De Vonk-groep. Hij was van beroep kapper. Op 28 april kwam de V-Mann Berend Jan Doornebos bij hem in de zaak om zich te alten scheren. Doornebos was er nog nooit geweest. Tijdens de scheerbeurt kwam Kersbergen binnen (vrijwel zeker een V-Mann voor de Documentatiedienst), vroeg om een broodbonnetjes wat een kapper natuurlijk niet heeft (waarschijnlijk was het een code) en kreeg een exemplaar van De Waarheid. Doornebos kon alleen maar zien dat een blaadje papier werd overhandigd, maar niet dat het De Waarheid was. Twee minuten nadat Doornebos de zaak verlaten had, werd Montfoort gearresteerd. Na de oorlog verklaarde Doornebos dat hij naar de Sicherheitsdienst aan het Binnenhof was gereden, met een collega over het voorval gesproken had, waarna die collega de chef waarschuwde, die een arrestatieteam samenstelde en op pad ging om Montfoort te arresteren. Dar heb je minstens twee uur voor nodig en kon onmogelijk in twee minuten gebeurd zijn. Vervolgens werden zonder enige verdere aanwijzing nog drie communisten gearresteerd. Het hele verhaal dat Doornebos opdiste en dat door Veefkind herhaald werd, is een grote leugen. Waarschijnlijk was de Sicherheitsdienst door de politie-infiltrant in de CPN Van Soolingen op de hoogte gesteld dat de CPN ter gelegenheid van 1 Mei een speciale editie van De Waarheid ging uitbrengen, wat de Sicherheitsdienst wilde voorkomen en daarvoor een toneelstukje in elkaar zette om te suggereren dat er een toevalstreffer was in plaats dat de Sicherheitsdienst via de infiltrant de verzetsgroep op spoor was. Dit toneelstukje heeft geleid tot 107 doden. Montfoort overleefde de Duitse concentratiekampen, maar keerde met tbc uit de kampen terug waaraan hij in 1952 overleed.
Müller, Heinrich
Hij kreeg in 1934 de leiding over het Referat Kommunistische und Marxistische Bewegung und deren Nebenbewegungen van de Gestapo in het Hauptsicherheitshauptamt (RSHA) in Berlijn. In die functie was Müller verantwoordelijk voor de moord op honderden Duitse communisten. In 1935 ging hij een samenwerking aan met commissaris Broekhoff van de Valschgeldcentrale in Amsterdam voor het bestrijden van het communisme. Afgesproken werd dat Broekhoff namen van Nederlandse communisten en gevluchte Duitse communisten zou leveren en dat Duitse spionnen vrijuit in Nederland mochten opereren. In ruil daarvoor zou de Gestapo namen leveren van Indonesische communisten die actief waren voor de onafhankelijkheid van Indonesië, welke namen door Duitse spionnen in Nederlandsch Indië werden verkregen. Bij het aangaan van de samenwerking gaf Müller meteen aan dat gevluchte Duitse communisten die door Nederland naar Duitsland werden uitgewezen met de doodstraf rekening moesten houden. Müller en Broekhoff kregen een homoseksuele relatie. Als Broekhoff in Berlijn was, gaf hij vanuit het RSHA opdracht om op bepaalde adressen in Amsterdam huiszoeking te doen. Tijdens de oorlog werd Müller de hoofdverantwoordelijke voor de moord op drie miljoen mensen in concentratiekampen, inclusief de vergassingen. In april 1945 verdween Müller uit de bunker waar Hitler zich met enkele hooggeplaatste functionarissen verschanst had. In 1963 werd een grafmonument voor Müller ontdekt, dat bij opening leeg bleek te zijn. Het heeft er alle schijn van dat het ter misleiding was geplaatst. In 2013 kwam iemand naar buiten met de mededeling dat hij in 1945 op straat het lichaam van iemand in uniform van een hoge militair gevonden had, met het identiteitsbewijs van Heinrich Müller in een van zijn zakken en dat hij dat lichaam in een massagraf op een Joodse begraafplaats had gedumpt. (Als je met zo een oncontroleerbaar verhaal pas zeventig jaar na de oorlog naar buiten brengt, is het totaal ongeloofwaardig. Müller beschikte als leider van de Gestapo over alle hulpmiddelen om zich een valse identiteit met bijbehorende valse papieren aan te meten en alle geldmiddelen om naar het buitenland te vluchten en een leven in rijkdom te leiden.)
Müller, Willy
Hauptscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV E
Munt, Johannes Heinrich Louis
Voor de oorlog diende hij in de Spaanse burgeroorlog ten behoeve van generaal Franco. Hij kwam in 1942 naar Den Haag. Hij was lid van de Sicherheitsdienst. Hij kreeg de leiding over het Referat Kommunismus en was opvolger van Bruno Wolff (na een korte periode dat Albert Barkov de leiding had). Een van zijn V-Männer was Reinder Zwolsman. Hij wees verschillende malen aantallen van zijn arrestanten aan die bij wijze van represaille gefusilleerd moesten worden. Hij was postzegelverzamelaar. Hij arresteerde een postzegelhandelaar, die volgens Munt valse zeldzame postzegels had. De handelaar werd vrijgelaten nadat hij afstand van zijn collectie had gedaan.
Mussert, Anton Adriaan
Hij was oorspronkelijk lid van de Liberale Staatspartij (voorganger van de VVD). Hij richtte samen met Cornelis van Geelkerken de NSB op en had dientengevolge lidmaatschapsnummer 1. Hij werd de leider van de NSB. Tijdens de oorlog benoemden de Duitsers hem tot Leider van Nederland. Hij werd na de oorlog ter dood veroordeeld en in 1946 gefusilleerd.
Nas, Adrianus Reinardus
Hij was een communistisch verzetsman. Hij was in 1943 ‘instructeur’ voor Den Haag, wat betekende dat hij het contact onderhield tussen de Haagse CPN en de landelijke leiding in Amsterdam. Hij werd gearresteerd in een arrestatieactie die door de politie-infiltrant Van Soolingen veroorzaakt is. Nas zou een ontmoeting hebben met Tjerk Kloostra op de markt in Den Haag. De Sicherheitsdienstman bracht Nas naar de markt. Toen Kloostra naderde riep Nas naar Kloostra ‘Bertus onraad’, waarop Kloostra een pistool trok en Zinkel doodschoot. Nas werd in september 1943 gefusilleerd.
Naumann, Erich
(Neumann)
Brigadeführer. Als leider van de Einsatzgruppe B was hij verantwoordelijk voor de moord op minstens 135.000 Joden en zigeuners in de bezette Sowjet Unie. Hij was in Nederland de opvolger van Wilhelm Harster. Hij werd na de oorlog ter dood veroordeeld en in 1951 opgehangen.
Nehlis, Heinrich
Sturmbannführer. Hij had de leiding over het bestrijden van ongewenste activiteiten door kerkgenootschappen en religieuze groeperingen. Hij was de chef van Ewald Nehls.
Nehls, Ewald August Walther Heinrich
Sturmscharführer. Hij was actief voor kerkelijke aangelegenheden en ondergeschikte van Heinrich Nehlis.
Neske, Bruno Waldemar
(Heske)
Sturmscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat C 3 sabotage. Hij verzegelde op 20-7-1940 de drukkerij van het communistische dagblad Het Volksdagblad. Hij mishandelde arrestanten. Veefkind probeerde na de oorlog zijn schuld bij de martelmoord op Neske af te schuiven. De aanwezigheid van Neske is onlogisch, want het maakte niet deel uit van het Referat communisme.
Neumann
Schrijffout, moet Naumann zijn.
Neven, Cornelis Johannes
Hij was een Haagse communist en werd op 5 juni 1941 gearresteerd door Otto Lang en Willem van Duivenboden. Hij werd in een concentratiekamp opgesloten. Hij overleed na de bevrijding in een Frans militair ziekenhuis in Karlsruhe.
Nieuwenhuijs, Gerardus Marinus Johannes
Hij was politieman. Voor de oorlog werkte hij voor de Vreemdelingendienst. Hij was lid van de SS. Hij was lid van de Documentatiedienst. Hij werkte samen met Steven Pegels.
Noppen, Leendert Adolf
Politieman. Hij werd bij Oskar Wensky gedetacheerd.
Osendarp, Martinus Bernardus
Hij was voor de oorlog een bekende atleet. Hij was lid van de NSB en SS. Hij werd vanwege zijn bekendheid door Reichskommissar Seyß-Inquart bij de Haagse politie geplaatst, waar hij bewakingsdiensten bij het kantoor van Seyß-Inquart vervulde. Vervolgens kreeg hij een functie bij de Sicherheitsdienst onder leiding van Johannes Munt. Bij een arrestatieactie schoot hij een vluchtend persoon in de rug.
Pasman, Mia
Zij was secretaresse van Otto Lange. Zij was de concubine van Otto Lange. Hij deed haar een trouwbelofte voor nadat zijn echtgenote aan tbc was overleden; maar de ziekte was een leugen.
Pape, Jan
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst, Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte personen ophalen.
Peekema-Dibbets, Dora
Zij werd als jonkvrouwe in Nederlandsch-Indië geboren, maar verloor die titel door een huwelijk met een niet-adellijk persoon. Zij was voor de derde keer gehuwd met een topambtenaar die in mei 1940 met de regering naar Londen vertrok. Zij kende hoofdcommissaris Petrus Hamer vanuit Nederlandsch Indië. Zij beweerde bij de filmmaatschappij UFA stand-in voor Zarah Leander te zijn geweest. Zij had een relatie met Seyß-Inquart, die woonde op het landgoed Clingendaal en waarvoor ze vlakbij ging wonen op de Van Kijfhoeklaan 122 in Den Haag. Zij was spionne voor Traugott Protze; ze kreeg zijn opdrachten via Abraham van Dijk, die voor de oorlog Haagse Politie Inlichtingendienst werkte en na de oorlog voor de Binnenlandse Veiligheidsdienst; haar informatie ging via de omgekeerde weg naar Protze. Bij een door de Duitse bezetter goedgekeurde poging naar Engeland te reizen strandde ze in Lissabon, waar ze een begin juni 1944 bedrelatie met de Amerikaanse militaire attaché kreeg. Van hen kreeg ze te horen waar en wanneer de invasie in Londen zou plaats vinden. Ze waarschuwde een of twee dagen voor de invasie haar relaties in Den Haag, maar onder door andere afwezigheid van personen in het weekend, arriveerde de boodschap pas een paar uur na het begin van de invasie bij bevoegde personen in Berlijn.
Pegels, Steven
Hij was voor 1926 voor de Haagse Politie Inlichtingendienst infiltrant in de CPN. Hij werd in 1926 door hoofdcommissaris François van ’t Sant aangetrokken voor de Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij stond voor de oorlog in contact met de Duitse spion Nowak. Aan het begin van de bezetting werd hij lid van de NSB (nummer 112019) en de SS. Hij werd lid van de Documentatiedienst en zelfs enige tijd chef van. Hij rolde de Geuzenorganisatie op. Bij het Englandspiel maakte hij deel uit van het ontvangstcomité. Hij verrichtte werkzaamheden ten behoeve van de leider van de Duitse contraspionage Traugott Protze. Hij was lid chef van de Documentatiedienst.
Petri, Eugen W.
(Petrie, Petry)
Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV A in Den haag.
Poos, Leonardus Adrianus
Lid van de vooroorlogse Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij verrichtte werkzaamheden voor de Centralen Inlichtingendienst. Hij was lid van de NSB. Hij was tijdens de oorlog lid van de Documentatiedienst en Sicherheitsdienst. Werd voor de oorlog aangestuurd door hoofdcommissaris François van ’t Sant. Werkte sinds 1935 samen met Gestapo in Wuppertal. Hij werd in 1939 bij de Centralen Inlichtingendienst gedetacheerd. Speelde hoofdrol in Englandspiel. Hij ving in 1940 samen met Marten Slagter de eerste geheime agent op die in het kader van het Englandspiel in Nederland gedropt werd (waarschijnlijk Lodweijk Hamel). Hij was V-Mann voor Sicherheitsdienst. Tijdens de oorlog trad hij nagenoeg altijd op samen met Marten Slagter. Hij rolde de Stijkelgroep op. Bij het Englandspiel maakte hij deel uit van het ontvangstcomité. Hij verrichtte werkzaamheden ten behoeve van de leider van de Duitse contraspionage Traugott Protze.
Rahms, Hans
Sturmscharführer. Hij werkte samen met Leonardus Poos en Marten Slagter bij de bestrijding van het niet-communistisch verzet.
Rappard, Ernst Herman ridder van
Hij was in 1931 medeoprichter van de Nationaal Socialistische Nederlandsche Arbeiders Partij van Nederland (NSNAP)
Rauter, Johann Baptist Albin
Hij was Polizeiführer en Generalkommissar für das Sicherheitswesen en stuurde aldus de totale Sicherheitsdienst in Nederland aan.
Reijdon, Hermannus
Hij was gemachtigde voor volksvoorlichting in het schaduwkabinet van Anton Mussert. Hij en zijn vrouw werden op 7 februari 1943 door de communist Gerrit Kastein doodgeschoten. Kastein gebruikte een pistool dat hij van Anton van der Waals had gekregen, maar dat van de chef van de Duitse contraspionage Joseph Schreieder afkomstig was na een ‘Kaliberprüfung’, zodat nagegaan kon worden wanneer het wapen gebruikt werd. Het wapen zou een paar dagen later door Kastein gebruikt worden door Ernst Knorr in het been te schieten.
Rinck, Paul Constant
Hij werkte voor en tijdens de oorlog samen met Josephus Boegheim. Hij was al voor de oorlog geheim lid van de NSB, maar kreeg tijdens de oorlog lidmaatschapsnummer 112503. Hij werd via Boegheim en Abraham van Dijk bij hoofdcommissaris François van ’t Sant aanbevolen als medewerker van de Haagse Politie Inlichtingen dienst. Van ’t Sant’s opvolger Van der Wijk plaatste Rinck over naar de afdeling vent- en strandvergunningen. In 1940 kreeg hij een beleidsfunctie bij e Haagse politie. Na de oorlog werd hij door Johan Gottlieb Crabbendam bij de Politieke Inlichtingendienst (PID) aangesteld.
Rotgers, Bonko
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst. Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte goederen ophalen.
Ruijs, Willem
Hij was directeur van de Rotterdams Lloyd. Hij werd drie keer gearresteerd wegens respectievelijk verdenking van steun aan verzet, contact met een Britse geheime agent en een onbekende reden. Na de derde arrestatie werd hij als gijzelaar beschouwd. Op 7 augustus 1942 pleegde de communistische verzetsgroep Nederlandse Volksmilitie een aanslag op Duitse trein met van verlof terugkerende militairen; de aanslag mislukte maar had in principe honderden militairen het leven kunnen kosten. De Duitsers eisten dat de daders zich binnen een bepaalde termijn moesten melden, anders zouden er vijf gijzelaars worden doodgeschoten. De daders meldden zich niet en er werden vijf gijzelaars, waarbij Ruijs doodgeschoten.
Saint au Lauierre, Frans Adolf
Hij was als chauffeur in dienst van de Sicherheitsdienst, Hij moest in het kader van het Englandspiel gedropte goederen ophalen.
Salter, Richard Friedrich
Hij was een infiltrant in de CPN ten behoeve van de Centralen Inlichtingendienst. In 1940 trad hij Duitse dienst om eerst woningen van naar Engeland vertrokken politici en overhaast vertrokken burgers van Duitsland vijandige landen. Later haalde hij woningen van Joden leeg. Hij werd V-Mann voor Friedrich Frank en wist vooral communistische verzetsmensen te verraden, waarmee hij veel schade aan de Persoonsbewijscentrale aanrichtte.
Sant, François van ’t
Hij kreeg een functie bij de Rotterdamse rivierpolitie, nadat hij tijdens zijn politieofficieropleiding een stage bij de politie had gedaan (het was geen snelle promotie, zoals op veel plekken vermeld staat, maar een normale rang voor een nieuwe werknemer met een politieofficierdiploma). Hij kreeg vanwege de Eerste Wereldoorlog de opdracht om buitenlandse activiteiten in de haven in de gaten te houden, waarna hij door de Centralen Inlichtingendienst benaderd werd om activiteiten te verrichten. Hij werd tijdens de Eerste Wereldoorlog schatrijk doordat hij van een Engelse spionageorganisatie grote sommen geld in ontvangst nam om politiemannen aan te stellen om Duitse activiteiten in de gaten te houden, maar het geld in eigen zak stak. Zijn leven kwam vanwege de buitenlandse spionageactiviteiten in gevaar en hij werd weggepromoveerd naar de post van commissaris van politie in Utrecht. Hij werd in 1920 hoofdcommissaris in Den Haag, voor welke post een relatie met de Centralen Inlichtingendienst noodzakelijk was. Hij startte de infiltratie in de CPN, die tot 128 doden zou leiden. In 1926 richtte hij een Haagse Inlichtingendienst op, waarbij hij extreemrechtse personen met een pro-Duitse houding aantrok; de meesten zouden of in de jaren geheim lid van de NSB worden of werden dat aan het begin van de Duitse bezetting. In 1935 ging de Haagse Politie Inlichtingendienst, die rechtstreeks door Van ’t Sant werd aangestuurd, een samenwerking aan met de onder leiding van Kurt Döring staande afdeling Bekämpfung Kommunismus van de Gestapo in Wuppertal; dit contact kreeg een vervolg met het Englandspiel. In 1935 moest hij als hoofdcommissaris aftreden. Bij de Duitse bezetting vertrok hij samen met de regering naar Londen waar een nieuwe Centralen Inlichtingendienst werd gesticht. Hij zond geheime agenten uit naar Nederland die bij aankomst meteen werden gearresteerd door leden van de Haagse Politie Inlichtingendienst, die vaak al voor de oorlog onder hem hadden gewerkt.
Santing, Hendrik Tijmen
(Santink)
Politieman, hij werd op 21 oktober 1942 bij de Documentatiedienst gedetacheerd.
Savenije, Johannes Lubertus
Hij was voor de oorlog politieman. Hij werkte voor de oorlog bij de Vreemdelingendienst. Hij kreeg de medaille van verdienste van de Duitse consul Wucherpfennig voor het verstrekken van inlichtingen. Hij was tijdens de oorlog lid van de NSB (nummer 112506) en SS. Hij was in dienst van de Sicherheitsdienst Referat C II, dat niet-linkse organisaties bestreed. Bij het Englandspiel maakte hij deel uit van het ontvangstcomité. Hij was V-Mann voor Sicherheitsdienst. Hij werkte voor de Duitse topspion Traugott Protze.
Schaik, Josephus Robertus Hendricus van
Hij was lid van de Rooms Katholieke Staats Partij (RKSP). Hij was voor de oorlog minister van Justitie. Hij verordonneerde in januari een nauwe samenwerking tussen de Centralen Inlichtingendienst en de afdeling Bekämpfung Kommunismus van de Gestapo in Berlijn. Deze afdeling stond onder leiding stond van Heinrich Müller, die tijdens de oorlog de leiding over alle concentratiekampen, zodat Müller hoofdverantwoordelijke voor de moord op minstens drie miljoen mensen was (inclusief alle vergassingen). Aan Nederlandse kant werd de contactman commissaris Karel Henri Broekhoff die chef van de Valschgeldcentrale was; deze centrale was een valse naam voor de Amsterdamse Politie Inlichtingendienst. Broekhoff en Müller kregen een homoseksuele relatie. Het doel van de samenwerking was gegevens over Nederlandse en Duitse communisten uit te wisselen. Tegen de Tweede Kamer loog Van Schaik dat het om een normale politiesamenwerking ging. De Gestapo gaf meteen bij de eerste ontmoeting aan dat gevluchte Duitse communisten die door Nederland naar Duitsland uitgewezen zouden worden, met de doodstraf rekening moesten houden. Deze samenwerking heeft vele honderden Nederlandse en vele tientallen Duitse communisten het leven gekost. Tijdens de bezetting was Van Schaik betrokken bij de Ordedienst.
Schatte-Olivier, Nicolaas van de
Luitenant-kolonel Staatspolitie, recherchecommandant in Zuid-Holland en Zeeland. Op 6 september 1944 kreeg hij autopech in Staphorst; zijn chauffeur ging hulp halen. Een aantal verzetsmensen ontdekten de auto en gingen eropaf. Van de Schatte-Olivier schoot op hen. Hij werd overmeesterd en na verhoor gedood. Bij wijze van represaille werden twintig inwoners van Staphorst naar het concentratiekamp Neuengamme overgebracht; ze zijn allemaal om het leven gekomen.
Schreieder, Joseph
Lid van de Sicherheitsdienst. Hij was de leider van de Duitse contraspionage in Nederland. Hij was de leider aan Duitse zijde bij het Englandspiel (Nordpolspiel). Hij leerde Anton van der Waals op 21 april 1941 kennen. Hij was chef van Friedrich Frank. Hij speelde van september 1944 tot mei 1945 een Spiel met het Bureau Bijzonder Opdrachten in Londen, waarbij V-Mann Reinder Zwolsman zijn hulpje was: er bestond een François van ’t Sant, Anton van der Waals, Joseph Schreieder, Jan Haakman, Reinder Zwolsman, François van ’t Sant.
Schmidt, Friedrich Wilhelm
Hauptscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst, Referat IV A 1 communisme.
Schweiger, Johann
Hauptsturmführer. Hij was de Unterkommandant van het Oranjehotel en had de dagelijkse leiding.
Schwier, Werner
(Swier)
Hij was lid van de Sicherheitsdienst. Hij richtte het strafkamp Erika bij Ommen op.
Seegers-Budde, Helena Margaretha
Zij was een in Amsterdam woonachtige communistische vrouw, die gescheiden van haar prominente communistische echtgenoot leefde. Voor de oorlog logeerde Ernst Wollweber enkele keren een paar dagen of weken bij haar. Door gevolg van de door Christoffel Bennekers doorgegeven namen van Rotterdamse leden van de scheepssabotagegroep werd zij samen met haar zoon op 9 oktober 1940 gearresteerd door de Sicherheitsdienst en naar Hamburg overgebracht. Daar werd zij zodanig heftig gemarteld dat zij zelf moord pleegde. Haar zoon werd in een concentratiekamp vermoord.
Seijffardt, Hendrik Alexander
Hij was tot 1934 opperbevelhebber van het Nederlandse leger en in die functie leider van de Generale Staf, waar de Centralen Inlichtingendienst onder viel. Kort na zijn pensionering werd hij lid van de NSB. Hij werd op 11 juli 1941 benoemd tot opperbevelhebber was van het Nederlands Vrijwilligerslegioen, dat aan het Oostfront voor de Duitsers tegen de Sowjet Unie ging vechten, maar de functie was symbolisch want hij had geen enkele invloed op het legioen. Hij werd op 5 februari 1943 door de communisten Gerrit Willem Kastein en Jan Verleun, lid van de verzetsgroep CS6, doodgeschoten.
Seyß-Inquart, Arthur
Obergruppenführer. Hij was Reichskommissar va Nederland, en daarmee tijdens de bezetting de hoogst geplaatste Duitse functionaris in Nederland.
Simon, Friedrich Wilhelm
Hij werd lid van de NSB met lidmaatschapsnummer 126152. Hij werd in april 1941 benoemd tot chef van de Documentatiedienst, maar werd in die functie pas actief in juni 1941. Lou de Jong pleegde bewust geschiedvervalsing door te beweren dat Simon per 1 januari 1941 chef van de Inlichtingendienst om te verzwijgen dat het latere hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst Johann Gottlieb Crabbendam van 25 november 1940 tot 2 april 1941 chef was). Simon werkte samen met het hoofd van de Inlichtingendienst van de NSB Paulus de Jager Meezenbroek.
Slagter, Marten
Lid van de vooroorlogse Haagse Politie Inlichtingendienst en tijdens de oorlog lid van de Documentatiedienst en Sicherheitsdienst. Hij werd voor de oorlog aangestuurd door hoofdcommissaris François van ’t Sant. Hij werkte sinds 1935 samen met Gestapo in Wuppertal. Hij logeerde in Wuppertal thuis bij Kurt Döring, die als eerste Sicherheitsdienstman in Den Haag arriveerde en de leiding kreeg over de bestrijding van het communisme in Nederland. Hij werd lid van NSB (nummer 95203 welk nummer aangeeft dat hij al voor de oorlog geheim lid was). Hij ving in 1940 samen met Leonardus Poos de eerste geheime agent op die in het kader van het Englandspiel in Nederland gedropt werd (waarschijnlijk Lodewijk Hamel). Hij was V-Mann voor Sicherheitsdienst. Tijdens de oorlog trad hij nagenoeg altijd op samen met Leonardus Poos. Hij speelde hoofdrol in Englandspiel. Hij rolde de Stijkelgroep op. Bij het Englandspiel maakte hij deel uit van het ontvangstcomité. Hij werkte voor de Duitse topspion Traugott Protze.
Smid, Adalbert
Hij was oprichter van de Nationaal Socialistische Nederlandsche Arbeiders Partij (NSNAP) “De Binckhorst”. Vervolgens sloot hij zich aan bij een groepje rond het blad De Bezem onder leiding van Alfred Haighton. Tijdens de oorlog was hij een V-Mann voor de Sicherheitsdienstman Willi Breitner.
Smid, Ariën
Untersturmführer. Hij diende als vrijwilliger aan het Oostfront. Hij was leider van een speciaal Kommando dat Sibertanne-moorden pleegde. Hij pleegde de in de kelder bij de Sicherheitsdienst aan de Heemraadsingel in Rotterdam de Silbertanne-moord op Fulps Valstar.
Somer, Jan Marginus
Hij was de leider van het Bureau Inlichtingen in Londen.
Soolingen, Johannes Hubertus
(Zolingen)
Hij werd in 1923 aangesteld om als politiespion de Haagse CPN te infiltreren. Deze infiltratie werd in mei 1940 in opdracht van burgermeester De Monchy voortgezet. Na de oprichting van de Documentatiedienst werkte hij indirect voor het naoorlogse hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst Johann Gottlieb Crabbendam Dit leidde in een arrestatieactie van 28 april tot eind september 1941, waarbij omstreeks 170 communisten werden gearresteerd, daarvan zijn er 57 om het leven gekomen; er vloeide na de martelmoord op Herman Holstege nog een arrestatieactie uit die tot 50 doden leidde. In voorjaar melde hij aan Veefkind een communistische groep in Delft ‘domicilie’ had: de hieruit volgende arrestatieactie leidde tot 7 doden. In september 1942 meldde hij aan Veefkind dat hij opnieuw een CPN-groep in Den Haag was geïnfiltreerd: de hieruit volgende arrestatieactie leidde tot 11 doden. Begin 1945 meldde hij Heijnis dat hij opnieuw een paar actieve communisten had ontdekt, waardoor op 12 maart 1945 drie communisten werden gefusilleerd. De achtereenvolgende contactpersonen van Van Soolingen bij de Haagse Politie Inlichtingendienst sinds half 1935 en voor zover bekend waren: 1935 Jacob Gros, januari 1940 Ari Leendert van den Bos, augustus 1941 Jilis van der Weerd, april 1943 Cornelis Heijnis (Veefkind en Van Soolingen mochten vanwege geheimhoudingsmaatregel in het openbaar geen contact met elkaar hebben, maar ontmoetten elkaar zo nu en dan bij de contactpersonen thuis).
Spaans, Maarten
Hij werd op 27 april 1942 lid van de Haagse Documentatiedienst. Hij maakte jacht op Joden en onderduikers.
Stal, Franciscus van der
Hij was een communistisch verzetsman; hij verspreidde de illegale blaadjes De Vonk en De Waarheid. Hij werd op 28 april 1941 gearresteerd door Sicherheitsdienstman Otto Lange en de vooroorlogse Inlichtingendienstinfiltrant in de CPN Van Duivenboden. Hij werd door beide personen bij verhoren mishandeld, waardoor onder ander blijvende doofheid optrad. Hij is in januari 1945 in Dachau overleden.
Sticht
Sturmscharführer. Hij werkte bij de Sicherheitsdienst onder leiding van Hans Harders.
Stijkel, Johan Aaldrik
Hij was de leider van een aan de Ordedienst verwante verzetsgroep. De groep werd door het duo Leonardus Poos en Marten Slagter opgerold. De volgende arrestatieactie op 2 april 1941 stond onder leiding van Johann Gottlieb Crabbendam, het naoorlogse hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Door deze arrestatieactie zijn meer dan veertig leden van de groep om het leven gekomen.
Supf
Schrijffout, moet zijn Willy Zöpf.
Swier
Schrijffout, moet zijn Werner Schwier.
Teunissen, Johannes
(Theunissen)
(er is nog een niet nader geïdentificeerde Teunissen die chauffeur voor de Sicherheitsdienst was en bij het Englandspiel betrokken was voor het ophalen van gedropte personen en goederen)
Hij kwam in 1931 bij de Vreemdelingendienst. Hij was lid van de NSB en SS. Hij was lid van de Documentatiedienst. Hij was V-Mann. Hij werkte voor de Duitse topspion Traugott Protze. Zijn dochter Hildegard werkte als dienstmeisje bij Protze. Hij werd in 1943 chef van de Documentatiedienst. Hij kwam na het opheffen van de Documentatiedienst in augustus 1944, volledig in dienst van de Sicherheitsdienst.
Thomsen, Arthur
Hauptsturmführer. Hij was leider Aussendienststelle Arnhem van de Sicherheitsdienst. Hij executeerde hier in de laatste oorlogsmaand ten minste 45 personen en werd daarom de ‘Beul van de Veluwezoom’ genoemd.. Hij werd na de oorlog in het Oranjehotel zwaar mishandeld en uiteindelijk vermoord.
Vaart, Johannes van der
Hij was lid van de Documentatiedienst. Hij werd op14 oktober 1943 bij de Sicherheitsdienst Referat IV A gedetacheerd. Hij was ondergeschikt aan Ewald Nehls.
Valstar, Fulps Vincentinus
Hij was regeringscommissaris voor groenten, fruit en sierteelt. Hij is door een Silbertanne-moord met leven gekomen als wraak voor de liquidatie van de NSB’er en leider Arbeidsbureau Jan Willem Stuit. Hij werd doodgeschoten door de SS’ers Zwart en Ariën Smit in de kelder van de Sicherheitsdienst aan de Heemraadssingel in Rotterdam.
Vastenhout, Hendrikus Wilhelmus
Hij was V-Mann voor Friedrich Frank. Hij werd aangesteld als tolk. Hij werkte samen met de V-Mann Joseph Hendrik van Wesemael. Hij kreeg eind februari 1945 van Frank te horen dat als hij familieleden in Bezuidenhout had wonen, dat die beter onmiddellijk uit de wijk konden vertrekken. In Hij werd na de oorlog ter dood veroordeeld, maar werd gegratieerd.
Veefkind, Johannes Hubertus
Lid van de vooroorlogse Haagse Politie Inlichtingendienst en tijdens de oorlog lid van de Documentatiedienst en Sicherheitsdienst. Vooroorlogs geheim lid van NSB, tijdens oorlog gewoon lid (nummer 95448). Lid van SS. Werd voor de oorlog aangestuurd door hoofdcommissaris François van ’t Sant. Hij werkte sinds 1935 samen met Gestapo in Wuppertal. Bij het Englandspiel maakte hij deel uit van het ontvangstcomité. Arresteerde honderden communisten. Mishandelde vele tientallen communisten; was als tolk aanwezig bij de martelmoord op Herman Holstege. Hij zocht seksueel contact met echtgenotes van gearresteerde communisten, in ruil voor een bezoek in de gevangenis; dit plaatse de vrouwen voor een dilemma, want het kon wel eens de laatste mogelijkheid voor een afscheid voor eeuwig zijn. Hij was V-Mann voor Sicherheitsdienst. Na de oorlog ontkende hij bij de marteling aanwezig te zijn geweest, maat twee personen in de naastgelegen cel hebben tijdens de martelsessie zijn stem herkend. Veefkind kwam met het alibi dat hij samen met Jilis van der Weerd een poging deed Gerrit Kastein te arresteren, maar mevrouw Kastein heeft een getekende verklaring afgelegd dat de tweede man niet Veefkind maar van Duivenboden was. Collega’s van Veefkind bij de Politieke Opsporingsdienst hebben een stapeltje kopieën gemakt, waaruit de verklaring dat Van Duivenboden bij de arrestatiepoging aanwezig was, weggelaten werd en in de dossiers gestopt. In de Mededeelingen beschrijft Veefkind ten dele wat er bij het martelen gebeurde, wat er op wijst dat hij aanwezig was. In 1942 ontving hij van de vooroorlogse politie-infiltrant Van Soolingen eerst het bericht dat de CPN in Delft opnieuw actief was; de hieruit volgende arrestatie actie leidde tot omstreeks 60 arrestanten, waarvan er 7 om het leven zijn gekomen. Vervolgens kreeg hij in september 1942 van dezelfde bron te horen dat die opnieuw de Haagse CPN was geïnfiltreerd. Dit leidde begin 1943 tot omstreeks dertig arrestaties, waarvan er 11 om het leven zijn gekomen.
Verleun, Jan
Hij was een communistische verzetsman, lid van de verzetsgroep CS6. Hij schoot vergezeld van Gerrit Kastein generaal de voormalig Nederlandse opperbevelhebber en opperbevelhebber van het Nederlands Vrijwilligerslegioen aan het Oostfront Hendrik Seijffardt dood. Verleun werd gefusilleerd.
Viëtor, Jan Nicolaas (de zwarte)
Lid van de vooroorlogse Haagse Politie Inlichtingendienst en tijdens de oorlog lid van de Documentatiedienst en Sicherheitsdienst. Tijdens oorlog lid van NSB (nummer 102574). Werkte tijdens oorlog voor de Duitse topspion Traugott Protze. Bij het Englandspiel maakte hij deel uit van het ontvangstcomité. Hij was V-Mann voor Sicherheitsdienst. Hij drong een pilotenlijn vanuit Nijmegen naar Spanje binnen, waardoor in Brussel en Parijs verzetsmannen gearresteerd konden worden.
Waals, Antonius van der
Hij was voor de oorlog infiltrant in de Rotterdamse CPN voor de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst. Hij werd begin januari 1937 aangeworven door de chef van de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst Christoffel Bennekers in opdracht de Rotterdamse burgemeester en hoofdcommissaris Louis Einthoven. Hij spoorde de namen op van leden van de zogenoemde scheepssabotageploeg (onderdeel van de groep Wollweber, later door de Gestapo ‘Rote Kapelle’ genoemd), die aanslagen op schepen pleegde en de Duitse wapentransporten door de Rotterdamse haven (in strijd met de zogenaamde neutraliteit van Nederland) bespioneerde. Doordat de Inlichtingendienst de namen aan de Gestapo in Hamburg leverde, resulteerde dit tijdens de oorlog in ongeveer twintig doden. Onder burgemeester Oud infiltreerde hij de Rotterdamse CPN, wat waarschijnlijk tijdens de oorlog in tientallen doden onder de communisten leidde. Eind 1940 ging hij over van de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst naar de Rotterdamse Sicherheitsdienst. Hij gebruikte als schuilnaam Kranendonk, welke was gebaseerd op de achternaam Cranendonk van zijn moeder. In 1941 bedroog hij burgemeester Oud toen die naar Engeland gaan; Van der Waals stak toen een door Oud uit de gemeentekas gestolen bedrag van twaalfduizend gulden in eigen zak. Tijdens de bezetting werd hij door hoofdcommissaris Louis Einthoven geïntroduceerd als V-Mann voor de Rotterdamse Sicherheitsdienst. In april 1941 ging hij als V-Mann over naar de Haagse Sicherheitsdienst en werd iets later V-Mann voor Joseph Schreieder in het kader van het Englandspiel. Hij veroorzaakte de dood van zowel veel gedropte geheime agenten als leden van het verzet (vooral van het sociaaldemocratische verzet). Hij werd na de oorlog ter dood veroordeeld en als een van weinigen daadwerkelijk geëxecuteerd. Tijdens zijn gevangenschap gaf minister-president Beel opdracht dat Van der Waals met niemand in contact mocht komen zonder special toestemming van Beel persoonlijk; dit om te voorkomen dat Van der Waals alsnog over de rol van de Nederlandse inlichtingendiensten voor en tijdens de bezetting zou gaan praten en daarmee politieke vrienden van Beel zoals Louis Einthoven en Reinder Zwolsman in grote problemen zou brengen.
Weerd, Jilis van der
Hij werd lid van de NSB (nummer 109743) en SS. Hij werd lid van de Documentatiedienst. Hij martelde communisten. Hij zocht seks met echtgenotes van gearresteerde communisten in ruil voor een bezoek in de gevangenis. Hij arresteerde Joden. Aan het einde van de oorlog maakte hij deel uit van het Sonderkommando Frank. Hij werd tot 15 jaar gevangenisstraf veroordeeld en vroeg een verzetspensioen aan bij de Stichting 1940-1945.
Wellenstein, Edmund Peter
Hij was lid van het studentenverzet. Hij werd op 17 januari 1942 gearresteerd. Hij werd tijdens verhoren ernstig mishandeld. Hij werd vrijgelaten. Aan het einde van de oorlog verbleef hij op de terreinen van de Ursulakliniek van Eduardus Hoelen en stond in nauw contact met Reinder Zwolsman.
Wensky, Oskar
Hauptsturmführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst voor de bestrijding van zwarte handel. Hij arresteerde politie-inspecteur Willem Evert Sanders uit Enschede, omdat die weigerde meet te werken aan de uitzending van arbeidskrachten naar Duitsland; Sanders werd weer vrijgelaten omdat hij nodig was voor het oplossen van roofovervallen op distributiekantoren door het verzet. Hij was betrokken bij een groot corruptie- en chantagespel, waarbij arrestanten voor licht anti-Duitse vergrijpen bedreigd werd en met zenden naar concentratiekamp, maar dat ze zich voor 5.000 gulden (nu 50.000 Euro) konden vrijkopen; het geld werd binnen een kleine groep verdeeld. Nadat de hoofduitvoerder van het corruptiespel Hillesheim op Dolle Dinsdag gedeserteerd was, om de status van verzetsman te verkrijgen, zijn vermogen veilig te stellen en mogelijk een verblijfsvergunning in naoorlogs Nederland te krijgen, gaf Wensky leiding aan de opsporing van Hillesheim, waarbij V-Mann Reinder Zwolsman werd ingezet (Hillesheim werd later opgehangen).
Werth, Wilhelm Karl
Hauptscharführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV A 1, communisme, wapenaangelegenheden, werkte samen met Bruno Neske.
Wesemael, Joseph Hendrik van
Hij was een V-Mann voor Friedrich Frank. Hij werd ook ingezet om communistische verzetsmensen op te sporen. Verzetsmensen uit Limburg hebben in 1943 getracht hem te liquideren; daarna zijn er door anderen nog meer liquidatiepogingen gedaan. Op 20 april 1945 vertrok hij in opdracht van Frank opdracht om door het front te trekken en contact met Jan Marginus Somer van het Bureau Bijzondere Opdrachten te zoeken. Vervolgens verdween Van Wesemael spoorloos. Hij werd na de oorlog bij verstek ter dood veroordeeld.
Wijk, Hendrik Johannes van der
Hij was onder hoofdcommissaris François van ’t Sant chef van de Haagse Politie Inlichtingendienst.
Wickevoort Crommelin, Jonkheer Nicolaas Lodewijk Johan van
Hij was oorspronkelijk een tabaksplanter uit Nederlandsch Indië. Hij werd voor een extreem hoog salaris aangesteld als tolk voor Ernst Knorr.
Wijmenga, Sikko
Vooroorlogse politieman. Voor de oorlog geheim lid van NSB en tijdens oorlog gewoon lid (nummer 96415). Tijdens de oorlog lid van de Documentatiedienst en Sicherheitsdienst. Bij het Englandspiel maakte hij deel uit van het ontvangstcomité. Hij was V-Mann voor Sicherheitsdienst.
Wilfert, Horst Richard
(Liffert)
Untersturmführer, Hij was lid van de Sicherheitsdienst in Den Haag.
Woldeit, August
Untersturmführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst Referat IV. Hij stal uit de woning van Antonius Johannes Lambertus Juten een postzegelverzameling, wat tegen het zere been van Johannes Munt was, want die verzamelde zelf postzegels en kon wel wat uitbreiding hebben.
Wolff, Bruno Friedrich
Sturmbannführer. Hij bekleedde in Berlijn vanaf 1 januari 1935 een leidende functie bij de afdeling Bekämpfung Kommunismus en had als zodanig regelmatig contact met de Amsterdamse commissaris van de Valschgeldcentrale Karel Henri Broekhoff. In 1938 bezocht hij Broekhoff in Amsterdam. Hij had een spion in Amsterdam zitten, die zich voordeed als een Joodse vluchteling. Hij was lid van de Sicherheitsdienst en had de leiding over Referat IV dat het verzet bestreed. In november 1941 werd hij voor drie maanden in Noorwegen gestationeerd, waarna hij benoemd werd als Duits consul in Istanbul.
Wölk, Herbert Johannes
Sturmbannführer. Hij was leider van de Aussenstelle Rotterdam van de Sicherheitsdienst. Hij liet vijf gijzelaars doodschieten als represaille voor de (door communisten) gepleegde aanslag op een trein met Duitse militairen die over het Rotte-viaduct (luchtspoor) reed. Toen na de zelfmoord door Samuel Dormits op diens onderduikadres een lijst met namen van communisten die lid waren van de Nederlandse Volksmilitie (NVM) ontdekt werd en een verslag van de aanslag op het Rotte-viaduct, liet hij onmiddellijk die communisten arresteren. Hij liet de Joden onder hen mishandelen en vernederen. Toen bij verhoren aan het licht kwam dat bij het Amsterdamse bedrijf Hollandia-Kattenburg door de werknemers De Waarheid werd gelezen liet hij daar alle Joodse werknemers, ongeveer de helft van het personeel, arresteren (onder het niet-Joodse deel van het personeel werd ook De Waarheid gelezen). Verder liet hij veel huisgenoten van de arrestanten arresteren, waarbij ook jonge kinderen. Ze werden bijna allemaal via Westerbork naar Auschwitz afgevoerd en bijna allemaal vergast. Het heeft ongeveer 420 mensen het leven gekost. Bij de verdere jacht op leden van de NVM werden nog veel meer communisten gearresteerd. Velen werden in het bijzijn van Wölk gemarteld.
Wollweber, Ernst Friedrich
Hij was een Duitse communist die in 1933 na de machtsgreep door Hitler naar de Sowjet Unie vluchtte. Hij wilde echter het verzet tegen Hitler voortzetten en kreeg van Stalin geld en hulpmiddelen. Wollweber vertrok naar Frankrijk, waar hij een organisatie opbouwde die steun verleende aan het verzet door de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD) in Duitsland. Er werden geld, wapens, explosieven en in Duitsland verboden lectuur naar de KPD gesmokkeld. In 1936 pleegde Franco in Spanje een staatsgreep en er brak een burgeroorlog uit. Duitsland steunde de Franco met wapens en militairen, terwijl er een embargo op wapens en vliegtuigen voor de wettige regering kwam. Wollweber schakelde om naar hulpverlening aan de wettige regering in Spanje, terwijl de West-Europese regeringen in de praktijk toestonden dat Duitsland wapens via hun havens naar Franco verscheepte. Wollweber organiseerde niet alleen een stroom vrijwilligers voor het regeringsleger, wapens en vliegtuigen die grotendeels door de Sowjet Unie gefinancierd werden, maar verzamelde ook informatie over de Duitse, Italiaanse en Japanse scheepvaart vanuit West-Europese havens naar het door Franco gecontroleerde deel van Spanje. Daarom staat de groep Wollweber ten onrechte bekend als een spionageorganisatie. Verder ging de groep Wollweber er toe over om bomaanslagen op schepen die wapens naar Franco vervoerden. Dit onderdeel van de groep staat bekend als de scheepssabotagegroep. Daarbij maakte Wollweber gebruik van de communistische internationale vakbond voor scheepslieden International Union of Seamen and Harbour Workers, die steunpunten in de grootste havens had. De belangrijkste havens voor Wollweber waren Antwerpen, Rotterdam, Amsterdam en Hamburg, terwijl er ook een steunpunt in Kopenhagen kwam. Daarom verplaatste Wollweber zijn basis van Frankrijk naar Brussel. Wollweber zelf verhuisde vanwege zijn Noorse echtgenote naar Noorwegen. Wollweber reisde vandaar naar de niet-Duitse havens. In Nederland logeerde hij verschillende keren bij mevrouw Seegers-Budde in Amsterdam. Na het einde van de Spaanse burgeroorlog viel de organisatie van Wollweber terug op het steunen van het KPD-verzet. Vanwege de oorlogsdreiging bleef informatie verzamelen, maar nu ten bate van de Sowjet Unie, een belangrijk onderdeel. Bij de Duitse invasie van Noorwegen vluchtte Wollweber naar Zweden, waar hij werd gearresteerd. In eerste instantie wilde Zweden hem aan Duitsland uitleveren, maar besloot hem uiteindelijk zelf te veroordelen en gevangen te zetten. Wollweber verkreeg het Sowjet-staatsburgerschap en onder druk van de Sowjet Unie mocht Wollweber naar de Sowjet Unie vertrekken. Ondertussen bleef de organisatie Wollweber vanuit de inmiddels bezette West-Europese landen het KPD-verzet steunen. De basis van de organisatie Wollweber in Brussel werd door de Duitse bezetter opgerold. In Nederland was de organisatie vooral in de Rotterdamse haven actief. De Nederlandse regering was officieel neutraal, maar stond de Duitse wapenstroom door de Rotterdamse haven toe: geld stinkt niet. De groep Wollweber plaatste in Rotterdam bommen op Duitse schepen, wat de regering niet op prijs stelde. Daarom werd door de Rotterdamse politie Inlichtingendienst een informant op pad gestuurd om de leden van de scheepssabotagegroep te achterhalen. Dat gebeurde door Anton van der Waals, die na de oorlog als ‘Nederlands grootste landverrader’ gefusilleerd werd. Hij infiltreerde de CPN. De namen die hij achterhaalde werden in opdracht van de minister van Justitie aan de Gestapo in Hamburg doorgegeven, onafhankelijk van het feit of ze zich aan een wetsovertreding schuldig hadden gemaakt. Het was voor de oorlog al bekend dat deze personen in groot levensgevaar kwamen als ze in Duitse handen zouden vallen. Na de Duitse inval ging meteen vanaf de eerste dag af de Gestapo op jacht naar deze mensen en dat heeft ongeveer twintig van hen het leven gekost. Na het oprollen van de groep Wollweber werd het deel van de groep in Amsterdam het centrum van de organisatie met als leider Daan Goulooze. De groep had vijf geheime zenders in gebruik die contact met Moskou onderhielden. Vanwege de als piepgeluiden opgevangen gecodeerde berichten die in Morse werden uitgezonden, noemden werd het door de Duitsers het de ‘Rote Kapelle’ (rode orkest) genoemd en de personen die seinden werden als ‘pianisten’ aangeduid. De Nazi-term ‘Rote Kapelle’ werd na de oorlog door de Binnenlandse Veiligheidsdienst overgenomen. De belangrijkste daad van de groep Wollweber in Nederland was het doorgeven van de ontdekking dat er bij het meubelbedrijf Pander in Den Haag duizenden onderstellen voor vliegtuigen op ski’s gebouwd werden, waarmee duidelijk werd dat Duitsland zich al lang op een oorlog met de Sowjet Unie voorbereidde. In 1943 werd Goulooze gearresteerd en liet zich gebruiken om berichten naar de Sowjet Unie te seinen. Maar doordat Goulooze het veiligheidssignaal wegliet, was de communicatie voor de Duitsers nutteloos. De leider van de Duitse contraspionage Wilhelm Canaris heeft verklaard dat de activiteiten van de groep Wollweber de Duitsers 200.000 militairen het leven heeft gekost.
Wucherpfennig
Hij was voor de oorlog secretaris van de Duitse legatie. Hij stond regelmatig in contact met de Duitse topspion Traugott Protze. Hij reikte aan verschillende medewerkers van de Vreemdelingendienst, waarbij Johannes Savenije, een medaille van verdienste uit voor het verstrekken van inlichtingen.
Zinkel, Erich
Oberscharführer. Zinkel was lid van de Haagsche Sicherheitsdienst en ondergeschikt aan Gustav Blattgerste. Hij sloeg op 8 januari 1941 de Geus Jacobus Johannes Wilhelmus Boezeman tijdens een verhoor dood. Hij bracht de gearresteerde Adrianus Nas naar de Haagsche Markt, waar hij een ontmoeting met Tjerk Kloostra zou hebben. Nas riep een waarschuwing naar Kloostra en die trok een pistool en schoot Zinkel dood.
Zolingen
Opzettelijke schrijffout, Veefkind werkte als sinds 1926 nauw met hem samen en wist donders goed hoe zijn naam geschreven moest worden: het moet zijn Johannes Hubertus van Soolingen.
Zöpf, Willy
(Supf)
Sturmbannführer. Hij was lid van de Sicherheitsdienst en had de leiding over het Judenreferat IV B4. Hij was de chef van Franz Fischer (Judenfischer). Hij is samen met Franz Fischer de hoofdverantwoordelijke voor de moord op meer dan honderdduizend Nederlandse Joden (hij gaf opdracht tot de deportatie van de Nederlandse Joden, terwijl bij de Sicherheitsdienst bekend was dat de Joden in Auschwitz vermoord werden).
Zuidam, Adam Andres
(Zuiddam)
Communistisch verzetsman. Hij werd na de oorlog lid van de Politieke Opsporingsdienst (POD). Hij verhoorde Johannes Veefkind.
Zwolsman, Reinder
Hij werkte begin jaren dertig in het bouwbedrijf en makelaardij van zijn oom. Het bedrijf ging failliet. Hij zette met het klantenbestand het bedrijf voort als nieuw bedrijf, omdat zijn oom vanwege zijn faillissement niet mocht handelen. Zwolsman was een drinkenboer, die in dronkenschap een ongeluk veroorzaakte, waarvoor hij in behandeling van de zenuwarts Eduardus Hoelen kwam. Hoelen schreef hem morfine injecties voor, waardoor Zwolsman verslaafd raakte. Zwolsman geraakt verschillende keren failliet, het laatst in 1939. Het laatste faillissement werd opgeheven en kort na de Duitse inval had Zwolsman opeens en groot bloeiend bedrijf. Vervolgens ging Zwolsman bunkers en dergelijk voor de Wehrmacht in Frankrijk, België, Nederland en Duitsland bouwen. Verder was hij als spion voor Duitsland in België actief. Zwolsman had goede relaties met de Rooms Katholieke Staatspartij (RKSP) en haalde prominente leden van die partij als Hoelen en voormalig minister van achtereenvolgens oorlog en landbouw Laurentius Deckers als commissaris in zijn bedrijf, dat vernoemd werd naar de Nassaulaan waarin Hoelen woonde. Het bedrijf ging handelen in van Joden gestolen onroerend goed en ging grootschalig bunkerbouw in Duitsland doen. Zwolsman werd V-Mann voor Friedrich Frank en kreeg van de Sicherheitsdienst een wapen- en een autovergunning, een pistool, Sicherheitsdienstuniform en benzine. Frank stelde hem aan het hoofd van een peloton van 10 marechaussees dat zwarte handel ging bestrijden, de goederen in beslag nam en er vervolgens zelf zwarte handel mee bedreef. Toen de Sicherheitsdienstman Fritz Hillesheim deserteerde, moest Zwolsman hem opsporen en mocht als beloning diens vermogen houden voor zover hij dat kon achterhalen. Zwolsman was als V-Mann voor Frank de spil in een tweede Englandspiel tussen de chef van de Duitse contraspionage Joseph Schreieder en het Bureau Bijzonder Opdrachten in Londen. Dit Spiel werd omschreven als een ‘cirkelgang’ tussen François van ’t Sant in Londen, Anton van der Waals, Joseph Schreieder, Jan Haakman, Reinder Zwolsman en François van ’t Sant. In maart 1945 moest Zwolsman door de Royal Air Force bij Nieuwkoop gedropte wapens ophalen, waarvoor Zwolsman van de Sicherheitsdienst vrachtwagens, Passierscheine en benzine kreeg. De wapens werden op de terreinen van de Ursulakliniek van Hoelen opgeslagen en door Duitse SS-troepen bewaakt. De wapens waren bedoeld om na de Duitse capitulatie over Den Haag verspreid te worden, om een eventuele door de bevolking gevormde regering tegen te gaan. Na de oorlog kwam de V-Mann voor de Duitse contraspionage bunkerbouwer, zwarthandelaar en handelaar in van Joden gestolen onroerend goed bij de Politieke Opsporingsdienst Zwolsman te werken. Er kwam tegen hem een beschuldiging wegens bunkerbouw bij zijn collega’s binnen en dat er een belastende foto van hem was waar hij poseerde bij de bunkerbouw in Kassel. Zwolsman trok zijn politie-uniform aan, ging naar de woning van de beschuldiger en nam de foto in beslag, waarna die voor goed verdwenen was.
Tekst van Mededeelingen van Veefkind
Bladzijde 1
October 1946
Hierbij een rapport, dat dienende is ter orientatie, daar vele Ambtenaren hierin genoemd, momenteel nog officieel werkzaam zijn.
Als voorbeeld diene hiervoor Hr. Luurssen, momenteel werkzaam als hoofd der recherche bij de P.R.A. te Amsterdam en Abraham van Dijk, die werkzaam is als Inspecteur bij het Bureau B. (Crabbendam)
Verder worden hier nog enkele personen van het E.Spiel in belicht.
Betreft:
Mededeelingen over het werk van de S.D. voor zover ik dit heb meegemaakt en verder heb vernomen.
Mededeelingen
Het oorspronkelijke contact tusschen de Geheime Staatspolitie van Duitschland en Haagsche Politie ligt ver voor de datum van het uitbreken van de oorlog van 10 Mei 1940. Het is mij bekend dat reeds in 1935 of 1936 een verbinding bestond, welke was tot stand gekomen tijdens de uitgewisselde concerten van politiemannenzangvereeniging “Entre Nous” en de Duitsche Politiezangvereeniging in Wuppertal. De belangrijkheid van deze verbinding werd mij eerst na 15 Mei 1940 duidelijk. De inspecteur van Politie Martin Slagter was in die jaren secretaris van Entre Nous en hij was niet ontvankelijk voor de propaganda van het Duitsche nationaal socialisme. Eerst werd een vluchtig contact over de Vereeniging gelegd, dat zich later uitbreidde over een individueel contact, met het gevolg, dat over en weer persoonlijke bezoeken werden afgelegd en tenslotte de meest tragische gevolgen had.
Slagter heeft met zijn gezin bij den voorzitter van de Duitsche mannenzangvereeniging gelogeerd in Wuppertal en bij zoo’n gelegenheid besprekingen gevoerd. De aard van deze gesprekken werden uitwisselingen van gedachten over de politiek en ofschoon mij alles tot in kleinen bijzonderheden onbekend bleef, heb ik uit hetgeen dat later bekend werd begrepen, dat reeds toen gegevens werden uitgewisseld, welke door een courier werden overgebracht. Het eerste gesprek werd gevoerd in het prieel van de tuin van de woning van de voorzitter te Wuppertal. Er is toen een persoon ingeschakeld die een dochter in Den Haag had wonen en als hij deze dochter bezocht, kwam hij bij Slagter op bezoek. Helaas kan ik van deze man en van zijn dochter geen namen herinneren. Als logisch gevolg van vorenomschrevene kwam Slagter direct in verbinding met de ambtenaren van de SD., die hier kort na de capitulatie van het Nederlandsche leger te werk werden gesteld en aanvankelijk kantoor hielden aan de Raamweg te Den Haag.
Wat te voren is geschied, kan ik niet opgeven. Vast staat dat er een kleine kern was nationaal socialisten die onderling met elkander spraken en zeer in het geheim werkten. Hiertoe behoorden Slagter, Wijmenga, Leemhuis en Vietor. Ook Piet Bolland kan in dit worden genoemd. Dit groepje vormde de kern van het opgerichte Rechtsfront en zij hebben daarin leidende functies waargenomen.
Aan het bureau van de SD aan de Raamweg alhier werkten in principe twee Duitsche beambten. De leiding was in handen van een SS Untersturmfuhrer, wiens naam mij is ontschoten doch van wie ik weet dat hij later bij de SD te Amsterdam werkzaam was. Zijn assistent was den Sturmscharfuhrer Willy Heijdock, die later wegens diefstal naar zijn Heimatdienststelle werd teruggestuurd. Slagter was in Mei 1940 rechercheur bij de Haagsche Politie afdeeling C. Direct heeft hij, zij het dan aanvankelijk incidenteel, voor deze twee ambtenaren informatorisch en daadwerkelijk werk verricht. Na vrij
Bladzijde 2
korten tijd kwam Slagter geheel in dien dienst. Ik weet dit zo beslist omdat Slagter in die dagen meerdere malen bij mij kwam met de vraag of ik hem wilde assisteren. Ik heb dit evenveel malen geweigerd. Slagter kon alleen weinig presteren, omdat hij zelf geen rechercheur was. Hij stelde veel belang in samenwerking, doch ik vond het in strijd met mijn geweten. De heer Poos, die toen chauffeur bij de Haagsche Politie was is in het laatst van 1940 als assistent van Slagter ingeschakeld. Zij kregen een auto van de Haagsche Politie ter beschikking en zoo hebben zij tot midden 1944 te zamen gewerkte. Geheel Nederland hebben zij bereisd en zij werkten in hoofdzaak ter oprolling van de illegale organisatie “Vrij Nederland”en de lateren “Orde Dienst”. In de tijd van een halfjaar was de Gestapo in Nederland dusdanig ingewerkt, dat een groote uitbreiding daarvan noodzakelijk werd geacht. De zaak werd op het Binnenhof groot opgeze.t Slagter en Poos werden aan den Unterscharfuhrer Walter Bartels toegewezen. Hun werk en hun activiteit kunnen door mij slechts met de groote lijnen worden omschreven. Ik stel hierbij vast, dat ik met hun slechts heel weinig te doen heb gehad en dat hun werk zoo omvangrijk was. Dat ik daarvan slechts voor een klein deel kennis kreeg. Bovendien was ik niet regelmatig bij de SD gedetacheerd en bij andere werkzaamheden ingezet. Slagter en Poos zijn de personen die de SD hebben georienteerd in de politieke en economische verhoudingen van Nederland en zeer zeker een groot aandeel hebben gehad in alle narigheid, die verschillende politieambtenaren van het Haagsche politiecorps hebben ondervonden. Door hun plaatselijke bekendheid en het spreken van de Nederlandsche taal, kwamen zij heel gemakkelijk achter de toen in opkomst zijnde Nederlandsche wederstandorganisaties. Zij hebben toen groote successen geboekt, doch dit was mogelijk, daar men in de te bewerken kringen erg onvoorzichtig was. De organisaties toen slecht ingesteld, men was goed van vertrouwen, dacht niet aan het feit, dat er ook dubbele rollen werden gespeeld en de SD school achter de gezichten van twee menschen die zich als “goede Nederlanders” voor deden. In kringen waar goed ik was georienteerd heb ik gewaarschuwd, doch deze kring was door omstandigheden vrij spoedig tot de grootst mogelijke kleinheid gereduceerd. De meest prominente in Nederland, die zich uit eigen vaderlandslievende gevoelens of op bevel, voor de illegaliteit hadden ingezet, zijn door hun activiteit gearresteerd. Behalve dat deze menschen werden gevangen genomen en ook wel ter dood werden gebracht, zijn de zijn de organisaties steeds weer teneer geslagen, omdat de kop (het intellect er werd uitgenomen). De menschen van het beste Nederlandsche bloed (officieren en ambtenaren en ook wel burgers) zijn uit het illegale organisatiewezen genomen en zijn niet teruggekeerd. Slagter en Poos waren de propagandamenschen voor de Duitschers in het bijzonder voor de politie. Hun geforceerde bevorderingen waren bedoeld als reclamemiddelen om dit deel van de bevolking week te maken en in dienst van de Duitschers te krijgen. Veel personen zijn door optreden in hun principen aan het wankelen gebracht. Zij hebben hun aandeel gehad in het overhevelen van politiemenschen van de politie naar de SD. Ook mijn detacheering daar is het onmiddellijk gevolg geweest van het noemen van mijn naam bij de toenmalige leider van de SD de regierungsrat en Kriminal Kommissar Wolff. Slagter heeft mij aangewezen als de geschikte figuur om het illegaal communisme te bewerken. Slagter was door zijn welbepraaktheid naar buiten de grote figuur en Poos was meer de stille intelectueel en de raffineur. Naar ik in die dagen meerdere malen vernam, speelden zij hun spel in de illegale organisaties zoo meesterlijk, dat succes bijna altijd was verzekerd. Naast hun eigen verklaringen wijzen ook de door hun ontvangen belooningen en bevorderingen in deze richting. Zij waren bruikbare krachten en voor verschillende groepen van de SD en vertrouwensmenschen van de kopleiding. Zeer zeker hebben zij voor de volgende personen gewerkt. De brigadefuhrer Harsten, Sturmbannfuhrer Deppner en Schreider, Obersturmfuhrer Hassle. De Kriminal Kommissar Harders, Knop en Wolff. Met genoemde heeren waren zij meerdere malen onderweg. Hun aandeel verminderde naarmate de illegale organisaties beter gingen functioneren en een bepaalden graad van illegaliteit hadden bereikt. Het werk was toen boven het kunnen van Slagter en Poos. Daarom werd verschillende vertrouwensmenschen voor het werk ingeschakeld.
Bladzijde 3
Deze werden gevormd uit arrestanten die hun vrijheid en misschien zelfs hun leven hadden verboet, doch als laatste redmiddel werd aangeboden voor de SD in bepaalde zaken te werken. Het was hun taak deze menschen hiertoe rijp te maken. Hierop is verschillend gereageerd. Er waren er die absoluut weigerden, ook die het aannamen en nooit meer terugkwamen en tenslotte ook die het voorstel en misschien heel veel kwaad hebben gesticht. Als zoodanige spionnen zijn mij bekend, de SS mannen Albert Weening uit Winterswijk en Peeters uit Amsterdam. Beiden waren wegens misdrijf in die Deutsche Polizei Gefangnis te Scheveningen gedetacheerd. Zij werden gebruikt als z.g. celspionnen. Verder was er een gedetineerde jood, een kleermaker die in de cel voor de Duitschers en ook voor Slagter en Poos kleermakerswerk verrichtte. Deze drie personen hadden opvallende vrijheden in de gevangenis, rookten en zij gingenmeermalen met verlof. Dit verlof had de bedoeling, dat zij opdrachten vervulden en personen opspoorden. Zij provoceerden het schrijven van briefjes en deze briefjes kwamen natuurlijk in handen van de Sachbearbeiter. Zij gaven papier en potlood aan de arrestanten. Met de geschreven papieren gingen zij verder spelen en wekten bij de menschen buiten vertrouwen. Zij werden door Poos en Slagter of door de Sachbearbeiter geinstrueerd. Incidenteel werd in die dagen opgevangen, dat hun buitenwerk meermalen belangrijk succes had gehad en dat menig ondergedoken illegaal werkend persoon door hun spel werd achterhaald.
Als zeer belangrijk kan ik in het spionageverhaal opgeven een persoon, die onder verschillende schuilnamen op allerlei gebied tegen goede betaling activiteit aan de dag legde. Hij is mij bekend onder de naam Kranendonk. Hij is afkomstig uit Rotterdam uit Rotterdam en hij zou voor de oorlog voor de Inlichtingendienst van de Rotterdamse politie als spion onder de communisten Linker Maasoever hebben gewerkt en als zoodanig goed werk hebben gedaan. Kranendonk werd betaald door de SS Sturmfuher Schreider, voor wien Slagter en Poos toen in hoofdzaak werkzaam waren. Met zijn werken heeft Kranendonk zooveel geld verdiend, dat hij te Den Haag aan de Staten of Stadhouderlaan eenige huizen kon koopen. Enige malen heeft hij een premie van fl.10.000.- ontvangen, welke gesteld was op het hoofd van de(n) dader(s) van een of andere terroristischen daad. Op zijn werk kom ik later terug.
Na deze inleiding wil ik eerst omschrijven een stuk werk van de SD dat dat onder de naam “E. Spiel” bekend was en door den SD in samenwerking met de Duitsche Weermacht werd gedaan. Voor wat het aandeel van de SD betreft stond dit onder leiding en inspiratie van de St.B.Fuhrer Schreider en voor wat betreft de het aandeel voor de Weermacht was het een groep van de Frontaufklarungtrupp, onder leiding van Major Giskes en later Major Kiesewetter. In het beschrijven van deze materie zal ik vele hiaten moeten laten omdat ik slechts korten tijd erbij betrokken was en het spel van verre mocht aanschouwen. Zoo is mij bekend wanneer en onder welke omstandigheden het spel tot stand kwam. Het was in het jaar 1940 dat ik van Slagter met wien ik vriendschappelijke betrekkingen onderhield welke geheel buiten de politiek lagen, vernam dat hij en Poos aanwezig waren geweest bij het afspringen van een Nederlander uit een geallieerd vliegtuig, hetwelk op een nacht op het strand te Katwijk of te Noordwijk had plaats gevonden. Ik kan mij dit zoo goed herinneren omdat hij zoo enthousiast was, daar de afgesprongen persoon door hem bijna in de armen was opgevangen. De afgesprongen man had toen gezegd:”Het is goed, dat je mij bij mijn schuilnaam aansprak anders had ik je neergeknald”. Reeds toen moet een contact tusschen de Duitschersch en Engeland hebben bestaan, anders kan de in Engeland aangenomen schuilnaam niet bij de SD in Den Haag bekend zijn geweest. Dit E. Spiel heeft zich tot een groote organisatie uitgebreid en is zoo omvangrijk geworden dat ik de grootte niet kan aangeven. Verder is mij niet bekend welke personen in eerste aanvang aanwezig waren., het initiatief hebben genomen of welke oorsprong het heeft gehad, Ik was toen nog niet bij de SD gedetacheerd. Later werd mij bekend, dat het spel op geraffineerde wijze werd geleid door Schreider, een oud politieman afkomstig uit Beieren, die over een frappante fantasie beschikt. Op bekwamen manier heeft hij het spel levensvatbaarheid gegeven en zijn oorspronkelijke bedoeling was, het zoo te laten verloopen, dat hij via de afgesprongen agenten
Bladzijde 4
uit Engeland zelfs het oogenblik van de invasie zou kunnen vernemen. Naar Engeland werd een illegale groep van menschen gedetacheerd. Deze groep kreeg via de radio verbinding met Engeland. Zij gaf langs deze weg berichten door. De groep gaf z.g.n. couranten uit welke op meesterlijke wijze werden geredigeerd. De uitgegeven exemplaren werden naar Engeland doorgegeven. Een afgezant van Schreider bezocht meermalen langs een uitgestippelden weg Engeland. Ik meen dat Kranendonk toen al een belangrijke rol speelde en enige malen Engeland heeft bezocht. Zeer zeker weet ik dat Slagter en Poos hierover belangrijke informatie kunnen geven.
Nadat de groep was gevestigd en in Engeland was ingeschreven, kreeg zij een code voor doorzending van berichten. Zij nam een bepaalden zin aan, onder welke zin zij wisten, dat hun berichten doorkwamen. Bij het doorkomen van die zin wisten zij dat er materiaal of agenten werden afgeworpen. De groep zelf koos haar afwerpterrein. Was deze plaats afgezocht dan werd op daarvoor speciaal uitgegeven kaarten de nummers aan de kant vermeld genoteerd en naar Engeland doorgegeven. Werd b.v. op de kaart van Ermelo aan de rand gevonden Z.14 B.40 dan werden in Engeland op de gelijke kaart op deze plaatsen twee denkbeeldige diagonalen getrokken en op het kruispunt van de diagonalen werd dan het afwerp terrein gevonden. Toen in Nederland meerdere terreinen ter onderscheiding en om vergissingen te voorkomen, een letter. Een vliegtuig uitgezonden om b.v. op het terrein gemerkt C af te werpen, dan zocht de bestuurder totdat hij zag op een terrein met een witte lamp voortduren het morsesein C werd doorgegeven. De wetenschap dat dat op een bepaalde dag op een terrein zou worden afgeworpen kreeg de groep als volgt. Aangenomen, dat een groep, welke werkte onder de zin”Jan het beste met je moeder”, deze woorden op de middaguitzending van de Vlaamsche radio hoorde doorkomen wist de groep dat een afworp kon worden verwacht. Indien de zin in de avonduitzending herhaald, dan was de afworp zeker. Men moest steeds naar beide uitzendingen luisteren en dit geschiedde, door personeel van de Frontaufklarungstrupp, gevestigd te Driebergen, later te Hilversum. Leiders waren de Oberst Lt. Giskes en de Major Kiesewetter. In Den Haag waren de prominente figuren de Sturmbanfuhrer Knop. Hun nauwkeurig ingewijde secretaressen waren respectievelijk fraulein Geigese, vervangend Frau Kuckeroit, Fraulein Krack, vervangend Fraulein Sontage en Fraulein Bisschoff. Reeds bij het doorkomen van het eerste bericht, werd vanuit Driebergen later Hilversum Den Haag gewaarschuwd. Een der Duitschers ving het bericht op. Dit geschiedde onder een slagzin b.v.”geht heute Abend los”. Was er bericht dat tevens een persoon afsprong, dan kwam driehoek – er bij, “Mit Besuch”. Tevens werd dan de plaats waar zou worden afgeworpen onder een schuilnaam genoemd. Schuilnamen waren b.v. “Brandstelle” een afgebrande plaats op de heide “Weinachtsbaum” e.d. Bovendien was er een plaats welke werd genoemd “Meresrauschen”. Dit was aan de Zuiderzee waar personen afsprongen, die om een of andere reden niet boven het land doch boven het water moesten afspringen.. Al deze plaatsen werden door personeel van Majoor Kiesewetter uitgezocht en naar Engeland doorgegeven. Alle uitzendingen het E.Spiel betreffende werden door dit personeel verzorgd, en liggen buiten mijn kennis. De pseudocouranten werden, naar ik meen door de Afdeeling van de Obersturmfuhrer Knolle geredigeerd, uitgegeven en verzorgd. De drukkerij, de uitgave en verdere technische bijzonderheden zijn mij onbekend.
Wanneer in dagen van lichte maan, een oproep voor afworp kon worden verwacht, was het personeel van den S.D., dat voor dezen dienst van de afwerpen in aanmerking kwam, verplicht zich te melden. Was er een oproep doorgekomen, dan kwam het personeel en de chauffeurs met de personen- en lastauto’s op het Binnenhof bijeen en werden daar door Schreieder, Harders of Knop in groepen ingedeeld. Tusschen half acht en acht uur vertrokken naar Hoevelaken. Daar werd gewacht op personeel van de Frontaufklarungstrupp, dat te Driebergen op de tweede oproep wachtte. Was het bericht positief, dan werd gezamenlijk naar het aangegeven terrein gereden, terwijl bij negatief resultaat de terugtocht werd aanvaard. In de nabijheid van het afwerpterrein werden de auto’s op aanwijzing van de Duitschers onder de bomen verdekt opgesteld en meet valscherm gecamoufleerd (getarrnt). Op het terrein werd door de Duitsche leider de windrichting gepeild en een driehoek uitgemeten, de beenen van de
Bladzijde 5
driehoek waren ongeveer tachtig meter lang. Aan elke hoek werd een Duitscher met een lantaarn geplaatst. De basis werd aangegeven met twee witte en de top van de driehoek met een roode lamp. De lijn getrokken van de roode lamp naar het midden der basis was de windrichting. Het terrein door de drie lampen ingesloten was het afwerpterrein. De afwerptijd was tusschen twaalf en twee uur ’s-nachts. In de onmiddellijke omgeving van de driehoek, doch zooveel mogelijk verstopt, werd een ultra korte golfzender opgesteld. De Funker, een Duitscher bleef door middel van deze zander in verbinding met een vliegveld. De bedoeling was om zoodra was afgeworpen, dit vliegveld te waarschuwen, waarna de Duitsche jagers konden opstijgen om afschieting te probeeren. Zoodra de afworp was geschied, werd het afgesproken teeken doorgegeven. Dat waren de morsetekens A.A.A. (angeflogen, Abgeschmissen, Abgehauen). Bij elke lampendrager werd een Nederlander geplaatst. Opdracht; Zoodra het noodig was en ongenoode gasten op het terrein kwamen, Nederlandsch spreken en de aandacht van de duitscher afleiden. De Funker had geen bescherming, doch hij had de opdracht als er onraad kwam, te verdwijnen. In voren omschreven organisatie was nog een vierde lampendrager ingeschakeld. Dit was de leider van de Frontaufklarungstrup, die met een witte lamp het morsesein van het terrein gaf. Zoodra een Engelsch vliegtuig, door motorgeronk kenbaar werd, kwamen se leden van de groep in actie. De lampen werden ingeschakeld en de seiner gaf voortdurend het morsesein van het terrein. De vliegenier kon dan vaststellen welk terrein hij passeerde. Indien hij daar moest afwerpen, kwam hij naar beneden, vloog op ongeveer 150 meter over de driehoek , vloog over de lamp in de driehoek en als hij boven de basis was gekomen wierp hij af. Als zuiver werd geworpen kwamen de voorwerpen midden in de driehoek terecht. De afwerp en de hoedanigheid waarop hij was geschied, werd later radiografisch naar Engeland doorgegeven. Bij een goed afworp kreeg de vliegenier 10 pond sterling. Zoodra was afgeworpen werd het aantal parachuten tijden de val geteld en de plaats waar deze neerkwamen nauwkeurig vastgesteld. Het aantal voorwerpen moest ook worden gevonden. Niets mocht op het terrein achterblijven. Het is voorgekomen, dat een parachute niet werd gevonden. Dan werd desnoods twee dagen doorgewerkt. Direct na het neerkomen werden de valschermen ingepakt en de containers verzameld en op de intusschen gehaalde vrachtwagen geladen. Bij het terugrijden naar Den Haag werden de containers ondergebracht in de kelder van Huize Wittenburg aan de Rijksstraatweg te Wassenaar. De inhoud was verschillend. Zij bestond uit wapenen. M.P.’s, karabijnen, handgranaten, springstof, lonten, ijzerdraad, telefoondraad, gereedschappen om sabotage te plegen, kleeding, schoenen en ook wel levensmiddelen (chocolade). Het materiaal werd door een militaire deskundige op degelijkheid en op nieuwigheid onderzocht. Dit was ook van belang, omdat bij huiszoekingen op gelijke voorwerpen werd gelet en dan terstond werd geweten, dat een persoon met een afwerpgroep in verband stond. Voorts was er veel een bedrag aan geld in een der containers aanwezig. De betreffende container was dan met een wit kruis gemerkt. Dit geld werd naar het Reichssicherheitshauptamt te Berlijn verzonden. Het doel van het geld was natuurlijk de illegale organisaties in Nederland te steunen. Twee chauffeurs hebben op een onbewaakt oogenblik een met wit kruis geteekende container geopend en daaruit geld en sigaretten verduisterd. Het betreft de chauffeurs Jan van Ekeren en Henri van Leeuwen, die voor een bepaalden tijd te Scheveningen in de Deutsche Pol.Gefangnis werden opgesloten.
Ik wil nog vermelden, dat op de terreinen niet mocht worden gerookt en geen Duitsch mocht worden gesproken. Op de terreinen werd een onderling wachtwoord, meestal “Maaskerk” ter onderlinge herkenning afgesproken. Elk der deelnemende personen kreeg een pakje sigaretten en dikwijls werd er een fles jenever georganiseerd waaruit elk een slok kreeg. Verder wijs ik op de onderlinge naijver van de menschen van de SD en van de leiders van de SD, weer tegen de Frontaufklarungstrupp. Er was animositeit en ruzie over de verdeeling van de buit. Onder een borrel werd door de Duitschers opgeschept omtrent het feit, dat de Duitschers aan Engeland konden opgeven, wat zij wilden hebben gestuurd. Dat er geen bekendheid naar buiten kwam, verwekt heden nog verwondering.
Nadrukkelijk vestig ik de nadruk op, dat aan de Nederlanders bij het spel betrokken, de zaak geheel anders werd voorgesteld, dan het in werkelijkheid
Bladzijde 6
was. Hun werd het spel aangeprezen als een vrij onschuldig spel, dat ten doel had de wederstand op te vangen en moord en sabotage te voorkomen. De zaak zou door het spel door de Duitschers in onschuldige banen worden geleid. Er waren ingewijden bij de Duitschers en ook wel tolken. Voor de rest was alles onschuldig en als een goed geinsinueerd. Overeenkomstig het bevel van de Reichsfuhrer van de SS (Himmler) mocht niemand kennis krijgen van een zaak, waar hij niets mee te doen had. Indien iemand bij een zaak ware betrokken hij niet meer weten, dan in verband met het onderzoek noodzakelijk werd geacht. Aan dit bevel hield Schreider zich stipt en deze intellectueele “streber” deed zijn werk in dit spel zoo handig dat hij steeds het middelpunt bleef en als zij chef, Dr. Harsten, over het spel dacht of sprak, was de naam Schreider daarbij steeds domineerend. Er werd gezegd dat het E.Spiel en de uitvoering ervan, lag binnen de bepalingen van de Haagsche Conventie 1912, zoodat gehoorzaamheid van de Nederlanders kon worden gevraagd, in verband met de handhaving van de openbare orde en veiligheid.
Terugkomende op de practische uitwerking van het E.Spiel moet ik nog vermelden dat er nog een tweede vorm was van uitwerpen. Ik doel hier op het afwerpen van een of meer personen. De geheele organisatie was dan gelijk aan de eerste, doch er moest dan rekening met depersonen worden gehouden. Ik heb vergeten te melden, dat de bij het spel ingedeelde groepen altijd een Duitsche leider hadden. Deze was boven de menschen, behalve de Frontaufklarungstrupp gesteld. Deze Duitscher deelde op het terrein de menschen in en gaf elk een taak. Zoo gaf hij op wie met de ontvangst van de personen werd belast. Dit waren of Nederlandsche politiemannen of een Nederlandsche tolk of chauffeur. Het Nederlandsch spreken was hier overwegend. Het ontvangen van de afgesprongen man was, hem helpen bij het ontdoen van zijn valscherm en zware vliegerskleeding, verder hem bewegen om zijn vuurwapen af te leggen. Al deze voorwerpen werden dan z.g. begraven, om alle sporen van de afsprong weg te maken. In een woord werd er zoo gehandeld, als of de man werkelijk bij een illegale groep was terecht gekomen. Op een tevoren afgesproken teeken werd de man gearresteerd en geboeid. Dit laatste was noodig ter voorkoming, dat de man met het meegebrachte vergif, zelfmoord pleegde. Na de arrestatie werd de man in een auto geplaatst en bewaakt. Als dan de containers op de lastwagen waren geborgen en de eerst begraven goederen waren opgegraven, werd weggereden. De persoon werd vervolgens naar Haren (N.Br.) gebracht, waar hij door de SS Untersturmfuhrer May, grondig werd gefouilleerd en verhoord. Als secretaresse van May fungeerde mej. De Bruin.
Het kwam voor dat op 5 plaatsen tegelijk werd afgeworpen, zoodat een iedee kan worden gevormd over de belangrijkheid en de omvang van het E.Spiel. Alle personen die bij het spel betrokken waren, moesten te voren een schriftelijke verklaring afleggen, waarbij zij op eerewoord zwijgzaamheid over het spel beloofden. Dit eerewoord zou eerst lang na de oorlog, als het spel was gepubliceerd, worden teruggegeven. Daar mij medegedeeld, dat Duitschers reeds over de organisatie van het spel hebben gesproken, acht ik mij van mijn eerewoord ontslagen. Bovendien acht ik het een groote plicht aan de opheldering van de SD zaken mede te werken en dank ik voor het ondervonden vertrouwen. In dit overzicht kom ik nadrukkelijk terug op de behandeling van de afgesprongen menschen. Mij zijn geen gevallen van mishandeling bekend.
Het werk, dat de chauffeurs te doen hadden, hen ik reeds in een aparte mededeeling vermeld. Ok de mij bekend chauffeurs er bij betrokken heb ik gemeld. De verdere in het spel betrokken personen vermeld ik bij het beschrijven van de SD indeeling. Eerst beschrijf ik het mij verdere bekende spel.
Wanneer de afgesprongen personen waren verhoord, waren vele bijzonderheden bekend, die een uitwerking vereischten. Het was de door mij reeds genoemde Kranendonk die door Schreider tot het uitwerken van deze bijzonderheden werd ingezet. Werden b.v. de adressen bekend, die de persoon waren opgegeven, dan ging Kranendonk geheel geinstrueerd naar deze adressen toe om daar verdere bijzonderheden te vernemen en de persoon die daar woonachtig was in handen van de Duitschers te spelen. Daar hij elke kleinigheid in Engeland opgegeven, kon vermelden, werd Kranendonk geloofd. Hij bracht ook het in Engeland ter beschikking van de illegale organisatie gesteld geld naar de “Anlaufstelle”. Hij gebruikte daarbij de schuilnamen en dekwoorden. Het was Schreider gebleken, dat indien een belangrijk
Bladzijde 7
persoon was gearresteerd, de rest van de groep verdween en onderdook. Hier door brak zijn spel telkens af en moest hij weer van voren af aan beginnen. Dit had hem in noodzakelijkheid gebracht om iets te vinden, waardoor dit mogelijk werd. Hij heeft daarom de z.g. geruisloze arrestatie’s uitgedacht. Bij deze arrestatie moest de te arresteren persoon geheel zonder bekendheid verdwijnen. Schreider wilde in geen geval dat voor zijn spel belangrijke figuren dusdanig werden gearresteerd, dat bekend werd, dat de SD de man had gearresteerd. Daarom had hij een kleine groep SD menschen aangewezen, die in zoo’n geval moesten optreden. Kranendonk speelde daarin de hoofdrol. Als voorbeeld kan ik het volgende vermelden. Een uit Engeland komend persoon sprong hier af en had onder andere de opdracht zich in Amsterdam te melden en aan een adres daar de som van Fl. 10.000,- te brengen. Op het verzoek van dezen man was het geld in een electrische zaklantaarn geborgen en opgerold in het onderste deel van de batterij verstopt. Behalve de ontvangende persoon en de brengende agent wisten geen anderen van deze geldzending en de manier waarop het was geborgen. Aan het opgegeven adres moesten de woorden worden gebruikt: Ik kom de lantaarn brengen”. Na het ontvangst van zoo’n bericht werd met de brenger een afspraak gemaakt. Zonder de zin kwam hij beslist niet aan het adres, Zoo kreeg Kranendonk contact met personen die in het grootste geheim hier werkten en hulp uit Engeland hadden gevraagd. In het te voeren gesprek werd dan door Kranendonk vele geheime instructie’s en mededeelingen van de illegaliteit vernomen, Daarna werd door Kranendonk geheel onschuldig gevraagd of men genegen was hem naar een bepaald adres te brengen. Het gevraagde adres leidde langs een SD auto waaromheen eenige SD menschen liepen. Plotseling werd dan de persoon beetgenomen en in de auto gezet. Terstond moest worden weggereden om zo weinig mogelijk aandacht te trekken. Dan werd de persoon ontwapend en geboeid. Daar de SD menschen in civiel waren viel de geheele ontvoering niet op. Zoo bleef de organisatie om de man in tact en konden na verhoor verdere personen bekend worden om in een groote actie te worden opgerold. Tot vorenomschreven commando behoorden Johanson, een bekend worstelaar en op de hoogte van jiu jitsu-grepen, een oersterke kerel. Verder de Sturmfuhrer Grim en Hauptscharfuhrer Makoffsky. Beide sportfiguren. Grim was bovendien een bokser. Dit viertal menschen was volkomen op elkander ingesteld. Het ging soms om kleinigheden.
Een zeer Schreider geliefde vorm van oprolling van een groep van personen was de volgende: Door een vertrouwensman werd in de op te rollen groep een valsch bericht gelanceerd. Op een bepaalde dag en uur moesten zij op een bepaalde plaats bijeen komen. Een actie werd geinsinueeerd Op een afgesproken plaats werd dan door de zelfde V-Man opdracht gegeven naar een woning te gaan, doch zich daar onder een schuilnaam melden. Er werd natuurlijk zooveel mogelijk een alleen staande woning uitgezocht. Bij de melding welke om de tien minuten plaats vond, werd de persoon binnengelaten, overrompeld, geboeid enter voorkoming van alarmmaking een doek voor de mond gebonden. Vervolgens werden de menschen in een kamer gelegd totdat de laatste man was gearresteerd. Dan werd alles wat hinderlijk was, banden en doeken voor de mond weggenomen. Zoo spoedig mogelijk had dan het vervoer naar de gevangenis plaats. Elke onnoodige kwelling was verboden en elke hinderlijke band bleef net langer dan dringend noodzakelijk was. Het was niet alleen Kranendonk die hierin speelde, doch ook wel anderen die ik niet ken. In het laatst van 1943 en begin 1944 bijzonder de Nederlanders Vastenhout en Fikker.
Tot zoover heb ik het voor de SD belangrijke deel van het E Spiel gememoreerd. Het aantal berichten, dat naar Engeland en terug werd gespeeld en voor de Weermacht van bijzonder belang was is mij niet bekend. Binnen mijn orientatievermogen ligt het vernemen en algemeene bericht dat er een belangrijk spel van het lanceeren van valsche berichten werd verricht. Ik weet ook, dat er van het spel veel meer werd verwacht dan het uiteindelijk bleek te zijn. De eigen ellende en loslippigheid heeft ten slotte het spel gebroken. Zij wilden het steeds mooier maken en elk wilde voor zich zooveel mogelijk eigen voordeel in materialistisch opzicht trekken. Het was hun niet genoeg, dat zij komende agenten arresteerden, dat zij uit de verhoren van die menschen belangrijke berichten over militaire en economische toestanden in Engeland, over de illegaliteit en Nederland kregen, doch zij wilden steeds meer en tenslotte
Bladzijde 8
werd een Duitscher in Wassenaar gearresteerd wegens te veel vertellen. Deze zaak werd gesust omdat bij het verhoor bleek, dat hij zijn orientatie alleen van Duitsche beambten had verkregen. Ook in deze aangelegenheid is getracht de schuld op een Nederlander te schuiven. De Duitschers waren op de hoogte van het aantal in opleiding zijnde agenten, het aantal dat naar Nederland zou komen, de tijden en de plaatsen van komst, vele instructies en opleidingsmethoden. Ook de codes en de golflengten, waarop werd uitgezonden waren bekend geworden. De voorgenomen sabotage werd bekend uit de verhooren en uit de afgeworpen voorwerpen. Berichten en instructies van de Nederlandsche Regeering in Londen aan de politieke partijen in Nederland werden op de zelfde wijze opgevangen en bekend. Op deze instructies werd in de pseudocouranten verwarrend gerageerd en in de wederstandorganisaties zooveel mogelijk twist en tweedracht gesticht. Geprobeerd werd om splitsingen te forceeren. In hoeverre de leiding van de SD in een en ander is geslaagd, laat ik in beoordeling aan deskundige personen over. Als bewaarplaats voor de afgeworpen personen is door Schreider het Roomsch Katholieke seminarie te Haren in Noord-Brabant gevorderd. De kleine man bij de SD heeft nooit anders geweten, als dat de arrestanten in Haren een zeer goede behandeling heeft gehad. Er werd steeds verteld, dat na afloop van de oorlog, aan deze personen de vrijheid zou worden teruggegeven en dat zij als krijgsgevangen werden behandeld. Het spel werd dus zoo onschuldig mogelijk voorgesteld. Dat de menschen bij de invasie in September naar Duitschland zijn vervoerd en daar zijn gefusilleerd vernam ik eerst op 10 September 1946 in het gebouw van P. R.A. aan de Lange Voorhout te ’s-Gravenhage.
Te Haren in Noord-Brabant werkte de Untersturmfuhrer May in hoofdzaak aan de verhooren en de uitwerking van de codes. Zijn secretaresse was de Ned. Stenotypiste Mej. De Bruin. May wordt door mij beoordeeld als een kundig politieman en een rustige figuur. Hij was geheel op zijn werk ingesteld en hij was een man die geheel in de geest van Schreider werkte. Onder de Duitsche ambtenaren ging het gerucht, dat May en Mej. De Bruin in buitenechtelijk verhouding te samen leefden. Dat May zich aan buitensporigheden te buiten ging en mishandelingen heeft toegepast, heb ik nooit gehoord en gezien het werk, dat hij deed en de persoon voor wien hij werkte, acht ik het uitgesloten. De Sturmbanfuhrer Schreider was direct ondergeschikt aan de Sturmbanfuhrer Dr. Deppner, leider van Gruppe IV. Schreider was reeds politieman in Duitschland in de rang van Kriminalrat. Hij wordt beoordeeld als een bekwaam politieman, wiens kwaliteiten bijzonder in deze oorlog tot uitdrukking kwamen. Hij was zeer precies en nauwkeurig. Zeer juist heeft hij de weg uitgestippeld waarlangs hij wilde gaan. Men noemt hem wel eens wat te langdradig, doch hij kwam aan zijn doel. Andere Duitschers hebben hem met naijver in zijn werk gehinderd. Hij beschikte over een groote dosis menschenkennis en hij was gelukkig in het kiezen van zijn menschen. Hij leidde het E.Spiel en kan worden beschouwd als de geestelijke vader ervan. Hij eischte van iedere medewerker volkomen gehoorzaamheid en zwijgzaamheid. Hij deed zich kennen als een principieel tegenstander van onnoodig geweld. Bij de aanvang van een verhoor was hij kort en duidelijk. Hij stippelde bij het begin van zijn verhoor juist uit wat mogelijk was. Gaf de verdacht een eerlijke kans en beloofde bij medewerking de teruggave van het verspeelde leven. Of hij in elk opzicht zijn woord heeft gehouden kan ik niet zeggen. Dat hij zijn arrestanten groepsgewijze heeft laten fusilleeren, valt geheel buiten de toon die ik van hem heb gehoord. Hij heeft meermalen duidelijk gezegd, dat de politieman, die andere middelen dan intellect gebruikt om tot resultaat te komen, onbekwaam is. Zijn secretaresse Fraulein Geigerster heeft langen tijd met de provocateur Kranendonk buiten echt geleefd. Tot de meest geliefde beambten van Schreider behoorden:
SS. Untersturmfuhrer Hadler;
” ” Kramer;
” ” Hauptscharfuhrer Makoffsky;
” Sturmfuhrer Grimm;
” Untersturmfuhrer Johansson
” Mangold en bijzonder
” ” Gernot.
Bladzijde 9
Genoemde beambten waren bij het uitrukken naar de afwerpterreinen de onderleiders Dr.Harsten. Dr.Deppner en Schreider de leiders. Gernot en Mangold waren belast met het opvangen van de berichten uit Driebergen , het verzamelen van het noodige personeel en het verzorgen van de voorraad sigaretten en de cognac. Verder was het hun bijzondere taak de afgeworpen en in de kelder van Huize Wittenberg geborgen containers uit te pakken, de zaken te ordenen en de administratie er over te voeren. Wanneer er veel materiaal aanwezig was dan moesten zij zorg dragen, dat dit naar een afdeeling van het Reichssicherheitshauptamt te Berlijn ging. Verder waren bij het E.Spiel de volgende personen betrokken;
Duitsche beambten:
Brigadefuhrer Dr.Harsten.
St.banFuhr. Dr.Deppner.
St.ban Fuh. Schreider.
Hauptsturmfuhr. Harders.
Obersturmfuh. Knop.
Unterst.Fuh. Hardler.
St.scharfuhrer Ottermaier.
” ” Bruckner.
” ” Haubruck.
” ” Kramer.
Unterst.Fuh. Blaser.
St.Scharfuh. Grim.
Hauptscharfuh. Makoffsky.
Unterst.Fuh. Johansson.
St.Scharfuh. Blanke.
” ” Siffert.
” ” Schmitte.
” ” Walter Bartels.
Nederlanders als tolk of als Polizeiangestellte in dienst van de SD.
Vastenhout:
Fikker, ook personeel van de Aussendienststelle Arnhem, van wie de namen mij niet bekend zijn.
Chauffeurs van Nederlandsche nationaliteit bij de SD in dienst;
Leo Burgonje;
Willem Kuiper;
Hendrik Jan van Leeuwen;
Berend Jan Doornebosch;
Pieter Joseph Duikers;
Piet van Gijn;
Henk Daalmeijer;
Piet Daalmeijer;
Bonke Rotgers;
Jan Pape;
Teunissen;
David van Heiningen;
Willem de Bruin
Frans Adolf Saint au Lauierre
Theo IJzerlo;
Gerardus Raijmakers;
Langelaan;
Arie Grundeken.
Personen van de Nederlandsche Politie bij de SD gedetacheerd of vrijwillig daar werkzaam;
van Funen Marechaussee;
Slagter;
Poos;
Veefkind Sr;
Van der Vaart Sr;
Bladzijde 10
Wijmenga Sikko;
Savenije;
Finmaal;
Er zullen in de loop der tijden wel meer menschen bij het spel betrokken zijn geweest, doch de namen van deze menschen liggen buiten mijn geheugen en misschien kan, bij een verhoor over deze materie, een en ander uit mijn onderbewustzijn worden opgehaald.
Komende tot het geven van de indeeling van de B.d.S. (Sicherheitsdienst en Pol.) kan ik alleen de grote lijn aangeven Uit mijn herinnering komen uitsluitend de leidende figuren naar voren. Tot september 1944 was de B.d.S. gevestigd in Den Haag en wel in hoofdzaak op het Binnenhof en op het Plein.
Verder waren er Aussendienststellen in Rotterdam,Amsterdam,Arnhem,Den Boch,Middelburg,Assen,Groningen en Leeuwarden. Deze hadden weer Aussenposten onder zich die onder een Untersturmfuhrer werden geleid. De Aussendienststellen waren veelal onder leiding van een Sturmbanfuhrer of een Hauptsturmfuhrer. De uiteindelijke verantwoording lag bij Generaal Rauter. Voorzoover het betreft de Sicherheitspolizei was de Brigadefuhrer Dr.Harsten de aangewezen persoon. Onder hen werkten vijf groepenleiders.
Gruppe I.
Leider Obersturmbanfuhrer Knolle. Spreekt vloeiend de Nederlandsche taal. Onder zijn afdeeling vielen pers, radio,propaganda, personenonderzoek, stemming van het Nederlandsche volk pijlen en Duitsche leiding voorlichten, en fernschreiben. Van zijn personeel zijn mij maar weinig personen bekend. Ik kan opgeven Untersturmfuhrer Heinemann, die bij fusilatie onder meer belast was met het geven van het genadeschot van de gefusilleerden. Voorts Hauptscharfuhrer Weingart, die belast is geweest met het opheffen van de Vrijmetselaarsloges in Nederland onder leiding van Dr.Swier. Ik merk op dat Dr.Swier in het geheel geen dokters titel bezat, doch in Duitschland het beroep van paardenslager uitoefende. Hij was in het laatst van de Duitsche bezetting als leider van het kamp “Erika” te Ommen bekend. Weingart is door zijn arbeid bij het opheffen van de vrijmetselaarsloges in aanraking gekomen met den kapitein Steven Pegels. Na de dienstlijke verbinding kwam er een vriendschapsband die tot aan het einde der bezetting bestond. Pegels heeft zijn bevorderingen aan zijn verbinding met Weingard te danken.
Gruppe II.
Leider Sturmbanfuhrer Dr.Arlt. Hij behandelde alle zaken met betrekking van de Nederlandsche Justitie en wel in verband met aanstelling, benoeming en ontslagen personeel van deze Nederlandsche groep. Hij was in vele aangelegenheden de Officier van Justitie in het Duitsche Gericht en heeft zware straffen en zelfs doodstraffen geeischt.
Gruppe III.
Leider Sturmbanfuhrer Supf. Van Supf is mij persoonlijk bekend, dat hij een goed musicus is. Hij is de schrijver van al de muziek voor de pianist Peter Kreuder. Supf zelf bespeelt verschillende muziekinstrumenten, die hij had gehaald of laten halen uit de huizen van joden of bij het opheffen van organisaties werden in beslag genomen.
Supf had het bekende jodenreferat onder zich. De Sturmscharfuhrer Fischer, bekend onder de naam “Judenfischer” was de practische uitvoerder van zijn bevelen. Daar werkten verder de Nederlandsche politiemannen Kaptein en Finmanel. Als typiste heeft er te Den Haag en Velp gewerkt de vrouw van den Hauptfh. Groin de Planque.
Gruppe IV.
De leider van deze groep was de Sturnbanfuhrer Dr.Deppner. Hij is in theorie en in de praktijk een politieman en een leider van formaat. Hij is een “Nazi” in hart en nieren. Hij beheerscht de nationalistische theorie volkomen en leefde overeenkomstig de omstandigheden. Hij was sober in het opeischen van zijn deel. Altijd was hij behulpzaam en kameraadschappelijk voor zijn ondergeschikten. Hij stond bekend als harde werker. Zijn chauffeur was Henk Daalmeijer. Het aan Deppner toegewezen werk kan ik slechts gedeeltelijk opgeven. Hij gaf de groote lijn aan in het bestrijden van wederstand-organisaties en onder zijn
Bladzijde 11
verantwoording viel ook het z.g. E.Spiel. Onder zijn groep viel het werk van de volgende Kriminal Kommissar;
Hauptsturmfuhrer Harders;
” Munt;
Obersturmfuhrer Knop;
” Lutkenhus;
De volgende menschen werkten aan zijn afdeeling;
Onder Harders;
Untersturmfuhrer Hadler;
” Blaser;
Sturmscharfuhrer Haubruck;
” Kramer;
” Grim;
” Gernot;
Unterst.Fuhrer Johansson;
Sturmscharfuhrer Bauer;
Untersturmfuhrer Walter Bartels;
” Schmitte;
” Liffert;
Hauptscharfuhrer Makoffsky;
” Mangold;
Sturmscharfuhrer Blatgerste
Onder Knop werkte de zelfde menschen. Ik geloof dat het werk in elkander vloeide. Bijzonder voor groote acties werden steeds voor beide commissarissen de zelfde personen ingezet.
Voor Munt,
Untersturmfuhrer Knorr
” Enkelstroh
Sturmscharfuhrer Lange
” Bark
” Schmidt
Hauptscharfuhrer de Monck
” Grohs
Sturmscharfuhrer Breitner
” Bruno Heske
Hauptscharfuhrer Willy Werth
De secretaresse van Munt van Fraulein Bohm. Aan het referat van Munt werkte een geheimzinnig figuur onder de naam van Bonn. Hij was belast met het peilen van de stemming onder de Nederlandsche bevolking en hij gaf technische voorlichting over politieke verhoudingen in Nederland over de tijd van voor de oorlog. Uit brokstukken welke ik uit gesprekken opving, weet ik mij te herinneren, dat Bonn voor Mei 1940 onder allerlei valsche namen in Nederland woonde en werkte voor de voorlichting van de Duitsche instantie’s. Hij is academisch gevormd, doch hij heeft geen eindexamen gedaan. Behalve in de Nederlandsche politiek was hij ook goed in Belgische verhoudingen georienteerd. Bonn heeft na moeilijkheden met Knorr te hebben gehad in 1942 dit referat verlaten en hij is naar Belgie vertrokken. Als Nederlandsche medewerkers van Munt heb ik als tolken leeren kennen Duivenbode en Wickevoort-Crommelin. Beiden waren polizeiangestellte en waren vrijwillig bij de SD in dienst. Munt bereidde illegaal communisme en wederstand voor zoover dit individueel was en niet als onderdeel van een groep kon worden beschouwd. Ook het afluisteren van de Engelsche zender. Voorzoover zijn werk bekend is kom ik hierna er op uitgebreid terug.
De volgende menschen werkten onder Lutenhus;
Untersturmfuhrer Woldeit
Sturmscharfuhrers Otenmaier en Bruckner
Bladzijde 12
Sturmschaführer Wetzels en
Oberscharführer Jan Blanke
De secretaresse van Lutkenhus was Mevrouw Kuckereit. Lutkenhus wordt door mij beoordeeld als niet geheel volwaardig. Ik neem de vrijheid van deze beoordeling omdat hij bij de SD in Amsterdam waar hij tot 1942 werkte, als zoodanig werd weggewerkt en naar den Haag werd overgeplaatst, hij kreeg vrij onschuldig werk toegewezen en ik weet toevallig, dat hij o.m. behandelde, brieven van Nederlanders naar het Buitenland en omgekeerd, geschreven waarin de Duitsche censuur aanmerking maakte. Hij moest dan door zijn personeel een nader onderzoek laten instellen. Als hierbij bleek dat het een kwestie van eenige omvang kon zijn of er meer achter zat, dan moest Lutkenhus direct zijn zaken aan de desbetreffende afdeling afgeven. Hij werkte samen met een afdeling van Buitenlandse Zaken uit Berlijn, welke in Den Haag aan de Alexanderstraat (oude Poolse legatie) was gevestigd. De hiervoor aangewezen ambtenaar was Wetzels, die de internering van Amerikanen behandelde.
Als vierde commissaris was een groep van Deppner ingezet de Kriminal Komm. Frank. Deze ambtenaar is tijdens de oorlog op grond van zijn bijzondere activiteit bevorderd. In het laatst van de Duitse bezettingstijd werkte Frank aan het Binnenhof no.20, later had hij een vliegend commando en was hij veel in Den Haag dochoock actief in andere plaatsen. In de tijd van mijn detinering heb ik van celgenoten vernomen, dat Frank het commando heeft gehad over een “Moordcommando”.
Tot zijn commando behoord:
De Untersturmführer Lifert.(oud secretaris van Dr.Harsten).
De Untersturmführer Bauer,
Sturmscharführer Haubruck,
De Nederlandse tolk Vastenhout, den Haag, Wagenstraat;
Op leden van deze groep wilde ik de bijzondere aandacht vestigen.
In dit verband wil ik tegelijk opgeven een “Sonderkommando” dat in het jaar 1943 achter de IJssellinie werkzaam is geweest. In die tijd werd elke overgang over de IJssel verboden en alle mannen boven de leeftijd van 21 jaar moesten de Provincie’s Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel verlaten, voorzover deze menschen niet in die provincies woonachtig waren. Daarna is door dit kommando een razia gehouden onder de bevolking. Ofschoon mij geen bijzonderheden bekend zijn, is toch tot mijn bekendheid doorgedrongen dat veel personen zonder vorm van proces zijn doodgeschoten. Het “Sonderkommando” stond onder leiding van den Hauptsturmführer Harders, terwijl de volgenden personen aan hem waren toegewezen.
De Sturmschaführer Grim,
De Hauptscharführer Makoffsky
De Nederlandse Politie-officier Poos en anderen die ik niet kan opgeven, wijl hun namen mij niet bekend zijn.
Terugkomende op de indeling van de SD, vermeld ik nog, dat in het laatst van 1943 de Brigadefuhrer Dr.Harsten is vervangen door den Brigadeführer Neumann. Ook kan ik opgeven dat de afdeling kerkelijke aangelegenheden stond onder leiding van den Sturmbanführer Professor Nehlis. Bij hem werkte de Sturmscharführer Nehls, die de Nederlandse Politieman J. van der Vaart (Sr.) in detachement bij hem toegewezen had gekregen. In September 1944 werd de SD door de drang van her opdringende geallieerde leger, verplaatst naar Zeist. Ik was in die dagen bij de Rotterdamsche politie ingedeeld. In het begin van de maand October 1944 was alles wat SD betreft samengetrokken in het Jodenlager “Westerborg”. Van daar uit zijn toen achter de IJssellinie verschillende z.g. “Einsatzkommando’s” gevormd en in enige plaatsen achter de linie ingezet. De Sturmbanführer Deppner heeft deze gehele organisatie ingedeeld. Wat de detacheering van de Nederlandsche politiemannen betreft, werd dit geheel in orde gemaakt, door de Hoofdinspecteur Van den Burg, die verbonden was aan het Directoraat-Generaal van Politie en met den Hauptsturmführer Wensky nauw samenwerkte. Van deze Einsatzkommando’s zijn mij bekend, Steenwijk, Assen, Groningen, Enschede, Zwolle, Almelo, en Lochem. Hiervan zijn mij de volgende personen bekend die als beambten daarbij hebben gewerkt.
Assen: Leider Harders, Later Untersturmführer Petry, Kapitein Pegels, hoofdwachtmeester Vietor, Onderinspecteur Santinck, Meindert van Dijk.
Enschede:Leider Obersturmführer Knop, Untersturmführer Hadler,
Bladzijde 13
Sturmscharführer Blatgerste; Opperluitenant Slagter, Onderinspecteur J. van der Vaart en onderinspecteur IJsink.
Zwolle: Leider de Obersturmführer Lutkenhus; Kapitein Poos.
Lochem: Leider de Hauptsturmführer Thomsen, was voordien leider van de Aussendienststelle Arnhem, hulpambtenaar van Groin de Planque en de Nederlandse tolk Duivenboden:
Almelo: Leider de Hauptsturmführer Gerbig. Dit is geen politieman doch een hoofdinspecteur van de Belasting, die om zijn betrouwbaarheid als Nazi deze functie heeft gekregen. Onder leider Untersturmfuhrer Hardegen, Untersturmführer Rutting, Sturmscharführer Karl Bohmke, Sturmscharfuhrer Naube….., Overscharführer Holbeck, Hauptscharführer Willy Muller, Oberscharführer Hermann, Hauptscharführer Oske, chauffeurs Rotgers, Van Blankenstein en Schildhuizen. Voorts de Nederlandsche beambten Veefking Sr. Wouterse uit Amsterdam, Spaans, Koene en van de Groin de Planque. Vertrouwensmensen voor deze groep waren van de Nieuwenhuis, Santink, Gennissen en Rotgers.
Als secretaresse van Gerbig was aangesteld fraulein Werner. Over de aangelegenheid Almelo heb ik reeds uitvoerig in het Huis van Bewaring in Almelo gesproken, ofschoon ik daar onder een bepaalde druk heb gewerkt zijn mijn mededelingen over enige zaken niet geheel objectief onder bepaalde omstandigheden verklaard.
Bij het nalezen van deze mededeling over de indeling van de SD valt op, dat ik daarin Gruppe V heb vergeten. Als leider van deze gruppe fungeerde de Hauptsturmführer Wensky. Hij had in hoofdzaak de Nederlandse Politie voor zover dit recherche betreft, en de zwarthandel onder zich. Bij hem werkte de Obersturmfuhrer Geradts en de Sturmscharführer Karl Bohnke. Verder o.a. de Opperluitenant Luurssen en de Onderinspecteur Noppen en vele andere Nederlandse politiemensen, die aan verschillende onderdelen vannde dienst van Wensky (b.v. de spoorwegcontrole, voor langere of kortere tijd door waren gedetacheerd. Zij werden op voordracht ven Luurssen daar geplaatst. Gruppe V was wel degelijk een onderdeel van de B.d.S. Na inwerkingtreding van de Einsatzkommando’s bleef in den Haag alleen een Aussendienststelle onder leiding van den Hauptsturmführer Munt werkzaam. Van de Duitse beambten aan Munt toegewezen is mij alleen de Sturmscharfuhrer Breitner bekend. Als Nederlandse beambten werkten daar J. van der Vaart Sr., Onderinspecteur Leemhuis, Heinis en Jilles van der Weerd. De verbindingsofficier tevens chef van de Documentatiedienst was de opperluitenant Teunissen. De dienst van Teunissen stond geheel in dienst van Munt wat er in bijzonder is gebeurd kan ik niet memoreeren. Ik was toen in Almelo en heb alleen gehoord, dat Leemhuis een zeer groote en ook minderwaardige rol heeft gespeeld. Spaans die in Almelo overplaatsing naar den Haag heeft gevraagd om voor zijn gezin, dat in den Haag woonde, te zorgen, heeft met Leemhuis in den Haag en omstreken samengewerkt. Er was tevens nog gedetacheerd een wachtmeester van der Heijden. Een jonge man. Naar mijn orientatie verdienen de volgende personen bijzondere aandacht, Er zijn er die minstens even belangrijk zijn doch van hen zijn geen feiten in het bij zonder bekend.
Petry, Untersturmführer, laatstelijk leider van het Einsatzkommando Assen. In een gesprek, dat ik in Zeist met Petry voerde heeft hij mij verteld, dat hij was belast geweest met het opsporen van gestolen meubelen te Driebergen. In een door leden van de N.S.B. achtergelaten woning, was ingebroken en verschillende voorwerpen ontvreemd, Bij een huiszoeking in Driebergen door hen gedaan, werden de voorwerpen teruggevonden. Petry heeft toen de meubelen enz. uit de woning der dader gehaald. Vervolgens heeft hij de bewoners gelast de woningen te verlaten. Daarna heeft Petry de woningen zonder vorm van proces in de lucht laten vliegen. De daders van deze inbraak, ik geloof twee personen, zijn door Petry en personeel ter plaatse gefusilleerd.
In het laatst van 1944 en het begin van 1945 was Petry in Doetinchem. Hij was commandant van een vuurpeleton, Alle ervoor in aanmerking komende personen werden naar Doetinchem gebracht en ter beschikking van Petry gesteld.
Bladzijde 14
Al of niet in opdracht heeft het vuurpeleton van Petry op de Kruisberg te Doetinchem verschillende personen (ik meen van tientallen) doodgeschoten of doen doodschieten. In 1945 tot aan de capitulatie van het Duitse leger was Petry commandant van het Einsatzkommando Assen. Ook daar is hij meermalen over stoelen en tafels gegaan. Bij het minste voorval stond Petry met handgranaten en met de machinepistolen klaar. Over Assen kan de Kapitein Peegels belangrijke gegevens verstrekken.
De Untersturmfuhrer Hardegen eist ook bijzondere aandacht. Deze “Strebersfiguur” kwam bij de SD op het Binnenhof te den Haag als een zeer ondergeschikt beambte. Hij was in 1942 Obersturmfuhrer. Door zijn bijzondere activiteit tegen de Nederlandsche onderdanen is hij in 1943 bevorderd tot Kriminal Kommissar,. In dat zelfde jaar is hij naar ‘s-Hertogenbosch gegaan en heeft hij in die stad en omgeving terreur uitgeoefend. Zijn bureau was te Vught gevestigd. Ik leerde hem goed kennen in 1944. Hij was bij het Einsatzkommando Almelo als chef van de uitwendige dienst werkzaam en ondergeschikt aan Gerbig. Hij deed zich daar kennen als een“hard mensch” zonder de minste medelijden . In hoofdzaak was hij op eigen voordeel uit. Ik weet dat hij veel menschen heeft mishandeld. Gezien heb ik niet, doch ik heb wel gehoord dat hij zelfs een boer in de omgeving van Almelo heeft doodgetrapt. Wanneer een klacht werd gedaan, dan was het Hardegen, die reeds bij het inkomen van deze mededeeling de doodstraf uitsprak. Gerbig die feitelijk als chef van Hardegen verantwoordelijk is voor alles wat in Almelo is gepasseerd, was tegen deze figuur niet opgewassen. Hardegen gaf aan zijn ondergeschikt personeel de opdracht om personen, die volgens Hardegen de dood hadden verdiend, dood te schieten. Hij was een liefhebber van verscherpte verhoren, vernielen en doodschieten. In de Brugstraat in Almelo heeft hij een woning laten leeghalen en alle meubelen met een dienstauto naar zijn woning in Duitsland laten brengen. In Wierden vernielde hij een woning door brandstichting. Vele andere misdrijven heeft Hardegen op zijn geweten, doch ik kan deze niet alle releveren.
Hardegen heeft tot voor enige dagen voor de capitulatie van het Duitse leger in Almelo vertoefd en zijn terreur tot het laatst volgehouden. Zelfs toen het Duitse en het Nederlandse personeel reeds in feite de zaken hadden opgegeven en overgingen tot “alles over de kant laten gaan”, bleef Hardeger onder bedreiging met de dood dit personeel tot de grootst mogelijke activiteit aanzetten. Hij heeft bij een dergelijke gelegenheid tegen mij en anderen gezegd: “Indien jullie je ongeschikt achten voor het politiewerk, dan worden jullie op staande voet ontslagen en naar een straflager gestuurd, dat beteekent, dat jullie in drie maanden zijn doodgeranseld”. Bij gelegenheid van een arrestatie te Hellendoorn, waar de arrestant doodziek lag en aan de bloedloop,leed, werd door de Duitse beambte zowel als door mij, geadviseerd deze man niet mee te nemen. Bij onze terugkomst in Almelo werd dit aan Hardeger gerapporteerd. Hij zeide toen: “halen die vent, kan het jullie verdommen of er een Nederlander meer of minder kapot gaat”. De man is toen gehaald en bij verhoor bleek, dat de man onschuldig was, doch zijn broer die voortvluchtig was werd bedoeld. Hij heeft er, dank zij het spoedig komen van de geallieerde troepen, het leven afgebracht.
Op 2a pril 1946 is Hardeger verdwenen. Eerst heeft hij zijn personeel nog aangezet om met de pantservuist tegen het opkomend bevrijdend leger op te treden. Zelfs eiste hij van de mensen in burgerkleding dat zij zouden vechten. Tot heden weet ik niet hoe Hardeger verdwenen en waar hij gebleven is. In mijn herinnering is hij gebleven als een beestmens.
Alvorens verder te gaan met een beschrijving van het werk van (IVa1?) zoals ik heb geschreven, gaf ik eerst een lijst met namen van vertrouwensmensen van de aangifte die zij hadden gedaan. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met het feit, dat ik slechts incidenteel iets vernam en veel is gebeurd dat niet tot mijn kennis doordrong. Het is dus maar “matig” gezegd, en het is veel erger dan ik kan vermelden.
Guus Kooistra, bekend pooier uit de [tekst weggelakt]. Hij werkte in 194[niet gekopieerd] voor den Untersturmfuhrer Knop. Hij kwam om mededelingen te doen in het SD Casino in de Javastraat waar hij in de kamer van Knop zijn berichten gaf.
Bladzijde 15
Hij heeft in dit Casino ook wel gegeten. In die dagen heeft het verwondering gewekt, bijzonder onder de Nederlandse Politiemensen, dat de Duitse politie met een degelijke figuur wilde samenwerken.
Pijpers, wonende Den Haag, [weggelakt], waar hij een zaak dreef in kamerbiljarten.
Cornelis [weggelakt], ontslagen rechercheur van politie te den Haaag. Toen Schouten wegens onbetrouwbaarheid zich had laten onkopen, werd hij bij de Haagse politie ontslagen. Hij zocht contact met Pijpers, die reeds als vertrouwensman bij de SD bekend was. Tesamen hebben [weggelakt] en Pijpers voor Gruppe V, Leider Wensky, als vertrouwensmensen verder gewerkt.
Mies [weggelakt], een academisch gevormd tekenares, die in den Haag woonachtig was. Mies leerde ik in 1943 kennen als vriendin van Fraulein Kuckereit, de secretaresse van den Untersturmfuhrer Lutkenhus, Tusschen [weggelakt] en Kuckereit zou een tegennatuurrlijke verhouding hebben bestaan. Mies kleedde zich opvallen als jongeman en daar zij tevens haar haar zeer kort knipte, leek zij op het eerste gezicht wel een jongeman te zijn. Mies woonde in de Anstraat of in de Soutelandelaan ten huize van Frau Kuckereit. Van haar is mij bekend, dat zij tegen betaling als spionne werkte voor de SD en in het bijzonder voor den Sturmbanfuhrer Schreider. Zij heeft zich ingezet om belangrijke figuren van de illegale organisatie “Vrij Nederland” en “Orde Dienst” op te sporen. Naar ik in die dagen vernam, heeft zij belangrijk werk verricht. Ik kan mededelen dat zij pogingen heeft aangewend, om de verblijfplaats van de illegale organisaties van de S.D.A.P. , Koos Vorrink, te achterhalen. Voor andere Duitse beambten die bij het opsporen van Koos Vorrink zijn organisatie belang hadden, heeft zij een portret getekend van de kop van Vorrink die werkelijk duidelijk was. Ik heb deze tekening in handen van Schreieder gezien, die mijn oordeel er over vroeg. In verschillende delen van Nederland heeft zij zich uitgegeven als verloofde van een op te sporen persoon om op die manier achter schuiladres van hem te komen. Vorrink, die inderdaad gearresteerd is, ik meen in de omgeving van Bergen op Zoom, heeft deze vrijheidsroof in hoofdbeneming aan haar of (en) aan het werk van Kranendonk te danken. Hoeveel mensen hun vrijheidsberoving aan haar hebben te danken en door haar spionnagewerk het leven hebben verloren, kan ik niet met juistheid opgeven. Mij is bekend, dat zij zeker twee jaren voor Schreider heeft gearbeid, zodat kan worden nagegaan, hoe belangrijk Mies voor deze Dienst was.
De Bruin, verpleegster, destijds wonende op de [weggelakt] den Haag was een spionne voor de SD doch van vrij wat minder kwaliteit Zij bracht allerlei zaken aan en de naam van de verklikster zou voor haar beter zijn dan de naam spionne. Zij is een laagstaande vrouw die alles wat zij vernam overbracht.
Jacques Breed,i s een bekend provocateur en vertrouwensman van de SD en in het bijzonder van Hauptsturmfuhrer Harders. In de gevangenis te Groningen heeft hij mij na de capitulatie tijdens het luchten verteld dat hij vele groepen heeft opgerold en bij de SD heeft aangebracht. Hij werkte zelfs als K.P.leider, pleegde als zoodanig roofovervallen en plunderde kostbare voorwerpen bij huiszoekingen en bij inbraken. Bij zijn arrestatie zou hij voor ongeveer een millioen gulden aan kostbare voorwerpen hebben geborgen.
Mevrouw Peekema, echtgenote van de regeringsambtenaar van die naam, was een vriendin van de gewezen Politie President Mr.Hamer, die zij in Nederlands Oost Indie heeft leren kennen. Ik kwam met haar in aanraking, omdat ik in 1941 voor Mr. Hamer haar moest opzoeken en een paspoort aangelegenheid voor haar in orde moest maken. Bij die gelegenheid bezoch ik haar in de woning. Zij vertelde mij, dat zij een connectie bij de Duitse Film Mij. “UFA” had en daar optrad als double van Sarah Lehander. Zij deed het voorkomen, alsof zij een belangrijk figuur in de spionnagewereld was. Later heb ik haar meermalen ontmoet bij de SD waar zij verschillende zaken aan den Sturmbanfuhrer kwam aangeven.
Bladzijde 16
Bij een van deze gelegenheden heb ik waargenomen, dat zij niet au serieux werd genomen en haar bezoeken niet geheel op prijs werden gesteld.
Toon Bolland was werkzaam aan het jodenreferat. Hij heeft daar onder valse naam en valse voorgevens gewerkt bij het opsporen van joodse goederen van joden. Hij was in 1943 gedetineerd in die Deutsche Gefangnis in Scheveningen wegens verduistering van jodengeld. Daar dit feit in samenwerking met Duitse beambten was geschied is de geschiedenis onder de mantel der liefde gehouden. Hij was in 1943 in de strafgevangenis in Vught en deed daar werk als zg celspion. In verband met de celspionnen heb ik reeds de aandacht gevestigd op de personen Albert Weening Peeters. Verder schreef ik over een kleermaker, die samenwerkte met Slagter en Poos. Ik meen dat dat deze kleermaker Bandon Brava of zo iets der gelijks heette.
Ook kan in dezelfde verhouding gezien de houder van de winkel in Indisch levensmiddelen, genaam de Lind. Hij was aangesloten lid geweest van de N.S.D.A.P. van majoor Kruit en later van de N.S.B. Reeds in het begin van 1941 heb ik hem in de Deutsche Polizei Gefangnis als gedetineerde ontmoet. Hij heeft zich om weer vrij te komen als celspion voor de Duitsers ter beschikking gesteld. Hij ging dikwijls met verlof om buiten werk te verrichten. Na zijn ontslag uit de gevangenis is hij in dienst van de SD gebleven. Zaken kan ik van hem niet opgeven.
van Dalen uit Leiden leerde ik kennen in 1943 en wel in de strafbarak in het concentratiekamp te Vught, waar hij wegens onbetrouwbaar door de Duitse Dienst was opgesloten. Naar ik toen vernam, was hij spion en heeft hij gewerkt tegen het illegaal communisme te Leiden.
Theunissen, chauffeur in de garage van de Duitsers in de bezettingstijd heeft toen hij gedetineerd was als celspion gewerkt. Na korte tijd gearresteerd te zijn geweest is hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld om in het buitenwerk voor de SD te werken. Later is hij weer gearresteerd om dat was gebleken, dat hij werkelijk volkomen onbetrouwbaar was. Hij zat in 1943 in de strafbunker te Vught.
’t Hart, informateur voor handelsinformatie, destijds bij “securitas” in de Anna Paulownastraat, doch in 1939 en 1940 voor eigen rekening, heeft voor de oorlog voor de Gestapo gewerkt. Hij werd na 10 Mei 1940 gearresteerd door de Duitsche weermacht omdat gebleken was dat hij ook verbindingen met de Engelsche Spionnagedienst onderhield. Dit laatste betrof alleen een vriendschapsverhouding. Na vier maanden arrest is hij weer vrij gelaten. Ik geloof in 1943, dat ’t Hart voor een afdeeling van de SD werkzaam was. Hij zal verbonden zijn geweest aan de afdeeling van den Oversturmfuhrer Knoll.
Blu me, gewezen rechercheur van de Haagse politie afdeling Vreemdelingendienst werd voor de oorlog bij de Haagsche politie ontslagen, die op frauduleuze wijze joden, die uit Duitsland waren uitgeweken verblijf vergunningen gaf. Hij maakte toen valselijk gebruikvan een dienststempel, dat hij ambtshalve onder zich had. Blume heeft in die jaren reeds dubbel spel gespeeld, want het is mij bekend, dat hij het navorsen van adressen van uitgeweken joden aan een ambtenaar van de Duitse Dienst informaties uit de administratie van de Vreemdelingendienst heeft verstrekt. Dit heeft tot gevolg gehad, dat Blume reeds voor den 10 Mei 1940, was onderscheiden met Officiersrang in de orde van het Duits-Oostenrijkse Rode Kruis. Terstond voor de oorlog heb ik Blume ontmoet en hij heeft mij gedreigd, maatregelen tegen mij te zullen nemen, zodra het Nationaal Socialisme in Nederland vast voet zou hebben gekregen. Hij liet het doorschemeren, dat hij in dienst van de Duitse legatie was. Na de oorlog (10 Mei 1940) heb ik meermalen vernomen dat Blume in dienst van de SD was. Persoonlijk heb ik hem niet meer ontmoet.
Dr.Bieroth was mij reeds voor de oorlog ambtshalve bekend als politiespion. In de oorlog heb ik hem ontmoet. Hij woonde aan [weggelakt] en dreef daar een sigarenwinkel en in het aan de winkel verbonden bovenhuis had hij een luxieus ingerichte woning waar hij personen kon ontvangen en “treffs” konden plaats vinden.
Bladzijde 17
Hij was voor de oorlog bevriend met de directeur van het Reisbureau “Rotals” destijds gevestigd aan de Rijnstraat en later aan de Nieuwe Uitleg. Ook deze directeur met name Liffers, wordt door mij met de grootste reserve beoordeeld en als zeer “aangebrand” beschouwd.
Jan [weggelakt], oud rechercheur van politie, tot aan de capitulatie van het Duitse leger Opperluitenant en corpschef van de politie te [weggelakt]. Hij heeft zijn bevorderingen en benoeming in hoofdzaak te danken aan zijn werk voor de SD. Hij stond op zeer goede voet met Hauptsturmfuhrer Harders aan wien hij verschillende “tips” gaf. In de zomer van 1943 heeft hij aan Harders doorgegeven dat hij van een voor hem vreemde persoon had vernomen, dat in de omgeving van de Kager-Brasemermeeren verschillende personen ondergedoken verbleven. Deze heeft geleid tot een grote “aktion” in die omgeving . Alle woonschepen en boerderijen zijn onderzocht. Slechts drie personen werden gearresteerd. Dit was een gevolg van de omstandigheid, dat de Duitsers enige dagen tevoren in Warmond enige schepen hadden gevorderd en stookolie voor de motoren hadden afgegeven. Hierdoor hadden zij hun eigen “aktion” aangekondigd en stuk gemaakt. Terugkomend op het werk, dat ik van nabij heb medegemaakt aan de afdeling van den Hauptsturmfuhrer Munt wil ik eerst de aan dacht voor Munt zelf vragen.
Toen ik hem in het laatst van 1942 leerde kennen had hij aan het referaat den Obersturmfuhere Barkoff vervangen. Hij werd dus belast met het bewerken van het illegaal communisme en het uitluisteren van de buitenlandse zender, verder behandelde hij wederstand voor zover dit buiten enig organisatorisch verband viel. In 1944 werd munt leider van de Aussendienststelle Den Haag, bureau houdend aan de Nassaulaan No. 25 te Den Haag. Munt heeft mij verteld dat hij had gestudeerd voor onderwijzer doch dat dit beroep hem niet beviel en dat hij daarom had doorgestudeerd voor Kriminal Kommissar. Tijdens de burgeroorlog in Spanje was hij daar verbindingsofficier. Hij is door de Spaanse regering hoog onderscheiden. Ik heb hem leren kennen als iemand met humanistische opvattingen. Hij is tegenstander van geweld. Mishandelingen past hij niet toe. Hij beschikte over goede politieopvattingen. Zijn eerste werk is geweest de Untersturmfuhrer Ernst Knorr van zijn afdeling weg te werken. Deze werd naar Groningen verplaats. Munt was prettig in omgang en had zowel voor de arrestanten als voor zijn personeel een vriendelijk woord. Waar hij kon heeft hij iedereen geholpen. Onnodig leed heeft Munt niet veroorzaakt.
Bladzijde 18
Hij werd een vrouwenjager genoemd. Ik kom thans tot de bijzonderheden en de aanvang van mijn mededeling in het tijdvak van April 1941 tot eind December 1942. De B.d.S. werd toen geleid door den Kriminal Komisar Wolff en het referat dat illegaal communisme bearbeidde, stond onder leiding van den Untersturmfuhrer Knorr. Wolff werd vervangen omdat het werk hem boven zijn hoofd groeide, door den Brigadefuhrer Dr.Harster. Knorr moest bij de nieuwe indeling van de SD zijn referat overgeven aan de Obersturmfuhrer Barkoff, die in 1942 werd vervangen door Munt. Aan Knorr hebben vele mensen onprettige herinneringen. Hij is een politieman uit Düsseldorf, bruut en stug in zijn optreden Hij was onbekwaam voor zijn werk. Het was hem onmogelijk in het werk dat hem was toebedeeld, te komen.
Eerst in het begin van de maand April 1941 kreeg hij een tip waardoor het hem mogelijk werd, tegen het illegaal communisme op te treden Omstreeks die tijd kwam de chauffeur der SD Doornebosch bij de kapper Montfoort in de Torenstraat om zich daar te laten bedienen. In de tijd van de bediening kwam dan eveneens de bloemist Kersbergen, die aan Montfoort vroeg of deze nog broodbonnen had. Op deze vraag kreeg Kersbergen van Montfoort een blad getiteld “De Waarheid” [moet zijn “De Vonk”] welk blad door de communisten illegaal werd gedrukt en uitgegeven,Dit werd door Doornebosch gezien. Of hij zelf ook een courant heeft gevraagd weet ik niet. Wel weet ik, dat Doornebosch de wetenschap van de uitgifte van het illegale blad, aan de Duitschers van de SD heeft verraden. Op deze grond zijn vrij spoedig hierna zowel Montfoort als Kersbergen gearresteerd. De eerste verhoren werden door Knorr en de Sturmscharfuhrer Otto Lange geleid. Hieruit kwam voor de Duitschers de wetenschap, dat de C.P.N. in Nederland illegaal werd voortgezet. In de verhoren werden namen van illegale medewerkers voor zover deze namen bij Montfoort bekend waren, genoemd. De personen die bekend waren werden vervolgens gearresteerd. Uit de volgende verhoren kwamen weer namen en dit aantal was zoo groot, dat de beambten van de SD niet in staat waren deze personen zelf te arresteren. Daarom werd de opdracht gegeven aan de Haagse politie om in samenwerking met de SD al de menschen te arresteren en over te brengen naar de Deutsche Polizei Gefängnis te Scheveningen. Tientallen mensen zijn toen op verschillende data in dergelijke acties gearresteerd. Het is mij niet mogelijk de namen van deze mensen te releveren. In mijn herinnering zijn gebleven de namen van Heskes, van der Stal en Neve (schuilnaam Jan 1). Toen al deze waren verhoord, was de gehele C.P.N. met groepen en groepenleider, couriers en leden bij de SD bekend. In de loop van enige maanden waren honderdtallen van mensen met naam en adres bekend. Al de arrestaties zijn door de SD in samenwerking met de Haagse politie verricht. In juni 1941 kreeg ik thuis bericht, dat op last van de Politie President, mij bij de SD moest melden. Ik was met spit in mijn rug thuis en er werd mij gezegd dat ik moest gaan zoodra ik beter was. Bij mijn melding werd mij medegedeeld dat ik bij de Sturmscharfuhrer Otto Lange als tolk moest werken bij het verhoren enz. van alle personen, die op grond van de genoemde actie waren opgesloten. Als maatstaf bij de meeste mensen werd aangenomen, dat de lezers van het blad “De Waarheid” en de leden van de illegaal opgebouwde groepen een vrijheidsstraf van hoogstens 6 weken mocht worden gegeven. Velen zijn reeds na drie weken ontslagen terwijl er ook waren die voor korteren tijd werden opgesloten De belangrijke figuren uit de illegale C.P.N.leiders van de groepen, de verbindingsmensen tussen de groepen en de districten, de overbrengers van berichten en van de pakken kranten, en dergelijke personen, die door hun werkzaamheid op een hoger plan in de illegaliteit waren ingeschakeld kregen een administratieve straf van opsluiting in een concentratiekamp voor een tijd van drie maanden en langer. Al deze maatstaven werden door Otto Lange in overleg met Ernst Knorr vastgelegd. Ik was als tolk bij vele verhoren aanwezig en verder belast met het bergen van de stukken in de ordners. Knorr ging zich meermalen, ik zou haast zeggen regelmatig aan mishandelingen te buiten. Hij deed dit nimmer in het bijzijn van anderen doch Lange was steeds aanwezig. Lange was zelf te Laf om de arrestanten te mishandelen. Hij bleef graag de man op de achtergrond. Ofschoon ik van hem niets beslists kan mededelen weet ik toch uit gesprekken, welke ik later met de mensen voerde, dat ook Lange zich op dit gebied heeft misdragen. Knorr heeft in enkele gevallen wel de wettige weg bewandeld en de toestemming in Berlijn
Bladzijde 19
Toepassen van zg verscherpte verhoren aangevraagd. Dikwijls was de toepassing daarvan voor de toestemming kwam reeds geschied. Bij een verscherpt toegepast verhoor ben ik nimmer tegenwoordig geweest. Het geschiedde altijd door Duitse beambten, lid van de SS dus officieel politiemannen. Eenmaal heb ik door toeval het volgende gezien.. Op een dag in de maand September 1942 kwam ik na afloop van mijn werk in die Deutsche Polizei Gefängnis te Scheveningen. De bedoeling van mijn komst was aan Lange te vragen of ik nar huis kon gaan. Ik had gehoord dat Lange in de gevangenis was. Toen ik daar naar hem vroeg werd mij gezegd, dat hij in de verhoorkamer was. Ik deed de deur van deze kamer open en ik zag dat in die kamer een arrestant op de grond lag. Deze man was jij als Herman Holstege bekend. Door Lange, Duivenbode en ondergetekende was deze man enige dagen ervoor in zijn woning in den Haag gearresteerd. Hij werd mij toen door mededelingen van Lange bekend als de verbindingsman van de illegale CPN in de districten Zuid Holland en Zeeland bekend.Holstege lag op de grond en hij was ontdaan van zijn bovenbroek. Daar hij met opgetrokken knieen lag, kon ik zijn onderbroek ter hoogte van zijn zitvlak zien. Ik zag dat dit kleedingstuk bevuild was met bloed. Rechts van Holstege zat Bruno Nesk en links was Knorr gezeten. Beide Duitsers hadden hun uniformjas uitgedaan en hun mouwen van het overhemd opgeslagen. Knorr had een zwarte gummistok in de hand. Hij stelde Holstege vragen en indien niet vlug genoeg werden beantwoord, tikte hij Holstege op de knie. Otto Lange was ook in de kamer aanwezig, doch hij was gekleed. Zodra hij mij zag, liep hij mij tegemoet. Blijkbaar wilde hij mij niet in de kamer hebben.. Hij ging met mij in de gang en eerst daar aangekomen, vroeg hij mij wat ik wenst. Hij deed de deur van de kamer zorgvuldig dicht en leidde mij van de kamer weg. Hij zeide mij dat ik naar huis mocht gaan en bracht mij buiten de poort van de gevangenis. Kort er na, ik meen de volgende dag, kwam bij Lange het bericht binnen dat Holstege was overleden. Lange heeft mij toen medegedeeld, dat Holstege zich had opgehangen. Holstege is in een verzegelde kist begraven . Van vorenomschreven kwestie is Duivenbode op de hoogte. Hij was bij mi toen ik mij bij Lange afmeldde. Ik kan natuurlijk niet zeggen, dat hij hetzelfde als ik heeft waargenomen.Duivenbode was een groot aanhanger van de Duitsers Knorr en Lange en ik heb goede reden om aan te nemen, dat Duivenbode in zijn verklaringen niet objectief is en de Duitse beambten spaart.
De opdracht welke Knorr van de leiding van de SD heeft gekregen was volgende. Nadat hij door de mededelingen van Doornebosch en ook Kersbergen dienstelijk in de CPN was gestoten, moest hij langs de wegen van geleidelijkheid tot aan de leiding van de CPN doordringen. De mensen werden verhoord en de gegevens welke uit de verhoren kwamen en ook namen bevatten, werden benut om langs deze weg steeds dieper in de illegale organisatie in te dringen en de hoger werkzaam zijnde functionarissen op te sporen en te arresteren. Het middel van de arrestatie’s en de verhoren gebruikende,kwamen Knorr en Lange steeds verder, eindelijk waren zij aan de verbinding van het hoofdbestuur van de CPN een de restvan Nederland doorgedrongen. Deze verbindingsman Herman Holstege. Voor Knorr en lange was hij zeer belangrijk. Het geforceerde verhoor leidde tot de dood van Holstege en hiermede brak de draad naar de leiding der CPN af. Niet alleen hierdoor heeft Knorr bewezen ongeschikt te zijn voor zijn werk, hij was ook finantieel onbetrouwbaar. Hij liet zg V-mensen blanco quitantie’s tekenen, waarop hij later als getekend was, het ontvangen bedrag invulde. Zijn manier van optreden tegen de arrestant en kon hij volhouden doordat zijn kommissaris Barkoff ook niet voor zijn taak was berekend. Deze Duitser ging zich aan dronkenschap te buiten. Hij was geen politieman, doch had voor dominee gestudeerd. Later heeft hij examen als Kriminal Kommissar afgelegd. Doordat ik met Schreider over Knorr en zijn handelwijze ten opzichte van de arrestanten had gesproken, heeft Barkoff hierover onprettige dingen beleefd, bij den Bigadeführer, die hem voor de handelingen van Knorr verantwoordelijk stelde. Knorr was tegen Barkoff behoorlijk gewapend en hij had alles wat niet goed aan Barkoff was gedocumenteerd. In de strijd tussen Barkoff en Knorr heeft Barkoff verloren en is tengevolge daarvan naar Amsterdam overgeplaatst. Hij werd in het [niet gekopieerd]
Bladzijde 20
van 1942 door Munt vervangen. Deze zorgde ervoor, dat hij boven Knorr bleef staan en hij is de man geweest, die de eer toekomt, dat hij Knorr heeft weggewerkt. Direct na de komst van Munt is het voor de arrestanten veel beter geworden. Er kon toen regelmatiger worden gewerkt en mishandelingen heb ik niet waargenomen, doch hierbij moet men in aanmerking nemen, dat ik nog slecht korte tijd bij deze afdeling van de SD werkzaam bengeweest. Reeds in het einde van het jaar 1942 ben ik overgeplaatst. Met de daad van Holstege was elke draad naar de leiding van de illegale CPN in Amsterdam verbroken. Knorr en Lange hadden in hun berichten over deze materie zowel aan de leiding van de SD in Den Haag als aan het Reischssicherheitshauptamt te Berlijn dik gedaan (Wind gemacht) en hadden zichzelf al genoemd
Bladzijde 21
Als zekerlijke ontvangers van E.K. (Eiseren Kreuz). Om hun verloren positie in te halen, zetten zij mij tot meerdere activiteit aan en moest ik trachten de verloren draad te vinden. Dit was een onmogelijke opgave.Door de werkzaamheid van de SD tegen de illegale organisatie van de C.P.N. waren de prominente figuren zo diep mogelijk ondergedoken. Er werd uitsluiten gewerkt. Met personen uit andere steden. Bovendien werden deknamen gebruikt en het contact der personen onderling had alleen voortgang bij “ “treffs” op straat. Werd eenmaal op de afgesproken plaats de persoon niet getroffen, dat werd dit contact als “aangebrand” beschouwd en nieuwe personen ingezet, die in reserve waren gehouden. Op bevel van Knorr heb ik inderdaad gekeken wat ik in deze zaak kon doen., doch ik heb mij niet bovenmate ingespannen. Via de mensen van de Haagse Documentatiedienst hoorde ik, dat door middel van deze dienst nog contact bestond met mensen van de illegale C.P.N. Hierbij werd benut een oude vertrouwensman van de Haagse Inlichtingendienst met name van Zolingen, kreeg de Haagse Politie mededelingen uit die kringen. Van Zolingen had contact met een verbindingsman van de organisatie en de daardoor verkregen mededelingen, gaf hij door aan de Brigadier van politie Jilles van der Weerd, die hij daartoe elke week in zijn woning bezocht. Er was bij Van Zolingen geen enkele naam bekend. ALeen wist hij, dat de organisatie werd voortgezet. Ik heb Van Zolingen tweemaal bij van der Weerd ontmoet en hem bij deze gelegenheden evenveel malen f.10,- gegeven. Uit de gesprekken die hij met Van der Weerd voerde, kan ik mij herinneren dat hij vertelde, dat hij wel inde illegale organisatie was ingeschakeld, doch onmogelijk kon opgeven hoe de naam van zijn verbindingsman was. Hij wist verder te vertellen, dat hij had gehoord, dat de CPN door eenige intellectuelen werd geleid en dat de leiding van Den Haag en omgeving in Delft domicilie had. Toen ik deze zaak aan Knorr mededeelde kreeg ik met Knorr de grootste moeilijkheden, omdat hij aan de hand van mijn mededelingen precies wist waar ik mijn gegevens had gehaald en van wien ik deze had. Mij bleek toen, dat er tussen Knorr en de Haagse Documentatiedienst een uitwisseling van gegevens over deze materie plaats vond. De Weert deelde zijn bevindingen aan den Inspecteur van Politie Bakker, chef van de Documentatiedienst mede en hij gaf op zijn beurt weer alles door aan Knorr. Knorr vond mijn manier van werken niet in orde. Hij vond het niet prettig dat ik met zijn kalf ploegde en na veel woorden, heb ik mijn terugplaatsing naar de Haagse Politie gevraagd. Ik ben intussen ziek geworden en ben ongeveer twee maanden thuis geweest met een hevige aanval van eczeem. Bij mijn hersteldmelding vernam ik, dat ik niet was teruggeplaatst, doch overgeplaatst. Van begin 1943 tot 1 Dec.1943 werkte ik bij den Obersturmführer Lutkenhus. In dit tijdperk heb ik van terzijde vernomen, dat door Knorr aan de Haagse Politie opdracht was gegeven, om de verbindingsman Van Zolingen te volgen. Dat is geschied door Van der Weerd en Heinis. Dat ten gevolge daarvan Dr.Kastein is gearresteerd en dat deze zelfmoord heeft gepleegd, door uit het raam van het gebouw van de SD te springen.
Verder is mij bekend, dat de zaak van de illegaal werkende communisten is afgegeven aan het Duitse Gerecht te Amsterdam en daar doodstraffen zijn geëist. Bij het afsluiten van het proces en voor dat de stukken aan het gerecht werden afgegeven, ben ik nog getuige geweest, dat Doornebosch,die door de Lange buiten de zaak zou worden gehouden, toch werd gehoord en zijn verklaring ter completering in het proces werd opgenomen. Omdat Doornebosch de gehele geschiedenis nogmaals aan Lange in mijn bijzijn vertelde, kan ik met beslistheid verklaren, dat Doornebosch de eerste stoot gegeven heeft aan het optreden van de SD tegen de illegale organisatie der CPN.
Naast Van Zolingen was er nog iemand voor Knorr werkzaam in de illegale CPN. Elke week kwam bij Knorr een vrouw van ongeveer 35 jaar, die opvallend geverfde haren had. Zij kwam hem mededelingen doen over de illegale CPN in den Haag en in Rotterdam [de naam wordt niet genoemd, maar het is Lina Hartmann die de bijnaam ‘rote Fuchs’ had, zij heeft vooral in 1940 personen van de scheepssabotagegroep en de groep Wollweber in de val gelokt]. Ik weet zeker, dat zij van Knorr voor haar welwillendheid werd betaald. Gedurende het gehele jaar 1942 heb ik haar geregeld Knorr zien bezoeken. Voorts valt mij nog in, dat de Sturmscharführer Breitner samenwerkte met Bertus Smid. Deze Smid is de oprichter van de NSNAP “De Binckhorst” en daarna lid van de groep van Alfred Haighton. Smid kwam aan Breitner mededelingen doen over allerlei zaken. Toen Smid mij er toevallig ontmoette, heeft hij mijn werk van voor de oorlog, dat hem bekend was, omdat ik ook wel van zijn orientatie in de nationaal socialistische kringen gebruik heb gemaakt, aan Breitner in kleurenpracht doorgegeven,
Bladzijde 23
Zodat Breitner mij vrij luid toesnauwde:“Ik weet genoeg van je om je onmiddellijk in te sluiten”. Ik heb meermalen waargenomen, dat Breitner na het bezoek van Smid met grote spoed wegging en dan na korte tijd met een of meer arrestanten terug kwam. Het betrof meestal het aangeven van mensen, die naar de Engelse zender hadden geluisterd of een of andere ongelukkige uitdrukking hadden gedaan over de Duitse weermacht of een der Duitse figuren. Menig maal is inbeslagname van een radiotoestel het gevolg geweest van de berichten van Smid. Knorr is in 1943 door Munt weggewerkt. Hij is naar Groningen verplaatst. Zijn protege en vertrouwensman was de tolk Duivenbode. Elk goed woord of goede behandeling arrestanten aangedaan en door Duivenbode gezien werd door hem aan Knorr en Lange doorgegeven. Ik kan mij herinneren dat ik eens sprak met de arrestant (?) toen ik dit in fatsoenlijke zin deed werd ik door Duivenbode in het bijzijn van de arrestant uitgelachen. Met Lange maakte hij zich vrolijk om mij. Elke behandeling op menselijkheid berustende werd door Duivenbode bespottelijk gemaakt. Hierbij kon hij sadistisch lachen, dat meermalen zeer hinderlijk was. Bij huiszoekingen mocht hij graag daar gaan zoeken waar ik reeds was geweest om te zien of ik “iets had vergeten”. Indien hij dan nog iets vond, dan werd ik als oude rechercheur door hem uitgelachen. Hij leidde op zedelijk gebied een minderwaardig leven en om aan geld te komen verkocht hij goederen, die hij van de B.d.S. bij toewijzing toegedeeld had gekregen. Hiervoor kreeg hij dan zwarte prijzen en daarvan kon hij ’s avonds uitgaan. Zijn ouders die in behoeftige omstandigheden verkeerden, werden door hem vergeten. Tengevolge van deze handelingen is Duivenbode in 1942 bij de SD ontslagen en in het concentratiekamp Amersfoort ingesloten. Het is Knorr geweest, die hem daar weer uit heeft gehaald. Na korten tijd is hij weer bij de SD te werk gesteld. Tijdens het verblijf van Duivenbode in de gevangenis in Scheveningen werd hij door Lange gesteund. Hij werd meermalen uit de cel gehaald om bij de verhoren als tolk op te treden. Duivenbode heeft geen figuur voor politieman. Niemand zou aan hem een man van de SD zien. Daarom was voor Knorr en Lange een bruikbare kracht om als aanlôper te worden ingezet. Ook had Duivenbode op last van Knorr of (en) Lange meermale besprekingen met vertrouwensmannen had die niet aan het bureau van de SD mochten komen om niet gezien te worden. Deze “treffs” hadden meestal in café’s plaats. De moeilijkheden welke Duivenbode bij de SD heeft gehad worden mij verweten. Hij denkt, dat ik hem destijds bij den leider van Gruppe IV, Deppner heb aangegeven. Dit is niet het geval. Wel ben ik, nadat Duivenbode door Deppner werd gearresteerd en bij zijn verhoor loog, door dezen ambtenaar informatorisch gehoord.
Ik weet zeker, dat Duivenbode op valse naam en met valse voorgevens zich voor Knorr en Lange in groepen van personen heeft ingedrongen. Daar hij onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden bij de SD was gedetacheerd, was Duivenbode de man, die mij moest gadeslaan of ik niet in een andere richting iets deed, wat niet oorbaar was. Elke handeling van mij, werd door Duivenbode apart beoordeeld en doorgegeven. Hij is op wraak uit.
Ik heb reeds vermeld, dat ik eind 1942 bij de afdeling van Munt ben weggegaan. Hierin ligt de reden, dat ik weinig over dit werk kan vermelden. Dit bericht moet dan ook geheel in dit licht worden gezien en beoordeeld.
Tijdens mijn detineering werd ik te Scheveningen gehoord over een moordzak te Naaldwijk gepleegd. Het betreft de moord op de Commissaris van de Voedselvoorziening Valstar, die in Augustus 1944 des nachts uit zijn woning werd gehaald en zonder proces werd dood geschoten. Ik had tevoren aan een andere moordzaak te Naaldwijk gewerkt. De eerste moordzaak had de tweede tot gevolg. Zeer zeker hadden deze twee zaken een onderling verband. Ik kon bij dit verhoor geen enkele mededeling doen. Toevallig hoorde ik 12 September 1946 in den kelder van perceel Lange Voorhout 13, waar ik was opgesloten, een gesprek tussen van der Heijden en andere personen, dat de moord was gepleegd door den Nederlander Smid, SS Untersturmführer en wnd. leider van de landwacht. Smid was commandant van een bijzonder moordkommando. Ik begrijp, dat een en ander reeds bekend mag worden verondersteld, doch eerlijkheidshalve geef ik het nog door.
Bladzijde 24
Opmerkingen
Na het doorlezen van deze informatorische mededelingen kan het volgende nog tot aanvulling dienen.
Bij de vermelding van vooraanstaande personen dientot de kern van de nationaal socialisten van Den Haag behoren, verdienen de volgende nog een aparte vermelding.
De ambtenaar, later kapitein van Politie Rinck. Hij was reess van de NSB in de jaren voorafgaande aan de oorlog. Zelfs kan met beslistheid worden gezegd, dat hij een of meer functies heeft waargenomen, In de jaren 1941 en 1942 leerde ik hem als groepsleider in de groep in Den Haag West.
Hij was jaren lang bevriend met den drukker Boegheim, die hem zowel in zijn woning als aan het bureau bezocht. Toen de Haagse Inlichtingendienst voor de oorlog op volle kracht werkte, werd hij als bruikbare kracht door de rechercheur Abram van Dijk, aan den chef van dien dienst voorgesteld. Ik meen dat hij in het 1934 aan de dienst werd geplaatst. Het is mij toen meermalen opgevallen, dat Rinck door Boegheim aan het bureau werd opgezocht en dat hij geheimzinnige gesprekken voerden. Dit heeft ertoe geleid, dat ik mijn bevindingen aan den toenmalige chef van de dienst, en Inspecteur van Politie H.J. van der Wijk heb medegedeeld. Deze opmerkingen bleven bij den chef zonder gevolg omdat het moeilijk was om Rinck, die eerst als bruikbare kracht bij den Hoofdcommissaris van Politie was voorgesteld, weer als politiek onbetrouwbaar weg te werken. De toestand bleef bestaan, totdat Van der Wijk door den Inspecteur van Politie J.Amiable en de rechercheur van Politie Abram van Dijk naar de Afdeling C was overgeplaatst. Tegelijk met het veranderen van de chef kwam er verandering van personeel en onder de nieuwe mensen was de Brigadier van Politie Luurssen. Beiden, Amiable en Luurssen heb ik over de zwarte vlek in de inlichtingendienst op de hoogte gebracht. Door hun besprekingen met den nieuwen Hoofdcommissaris Van der Mey, is toen Rinck weggewerkt. Rinck werd belast met de uitgifte en administratie van de vent- en strandvergunningen, waartoe hij bureau hield op het Politiebureau in de Prinsestraat. Deze overplaatsing heeft Rinck mij nooit vergeven. Tussen hem en mij is tot de dag van heden een gespannen verhouding blijven voortbestaan. Zelfs toen wij in 1945 beiden gedetineerd waren, was hij te Scheveningen zeer onaangenaam tegen mij. Rinck was door zijn werk aan de Inlichtingendienst, op de hoogte van mijn werk. Hij wist, dat ik mij in hoofdzaak in den dienst tegen het nationaal socialisme.van Mussert heb ingezet. In 1934, het kan niet precies door mij worden herinnerd, heeft Rinck mij in strijd met mijn plicht tot de grootst mogelijke soepelheid bij het beschrijven van het nationaal socialisme van Mussert en de leden van de NSB aangezet. Hij zeide toen:“Ik in de administratie en jij in de practische dienst zullen samen de politiek over de NSB wel bepalen”, al-thans woorden ven gelijke strekking. Toegevoegd. Ik ben op zijn voorstel niet ingegaan, doch ik heb mijn dienst als tevoren verricht. Mijn chef heb ik dienaangaande ingelicht.
Na de capitulatie van het Nederlandse leger op 15 Mei 1940 kwam Rinck door zijn politieke orientatie vrij spoedig in de leiding van de Haagse Politie. Op de herorienteering van het corps heeft Rinck groet invloed gehad. Met Mr.Hamer, Blokpoel, Bergefurt, Pegels en Theunissen besliste hij over vraagstukken de Haagse Politie betreffende en gaf hij zijn visie over de personen, die de sleutelposities moesten bezetten. De zaken van de oude dienst en de vertrouwensmensen daaraan verbonden waren in korten tijd bij de leiding van de NSB bekend. Bijzonder de chef van de inlichtingendienst van de NSB de Jager Meezenbroek, was behoorlijk op de hoogte gebracht. Dit bleek mij uit gesprekken, welke ik met de Jager Meezenbroek over deze materie moest voeren. Of schoon ik niet in kleinigheden kan treden bij de vermelding van de zaken welke Rinck heeft verraden, beschuldig ik Rinck ernstig van verraad van zaken en personen van de Inlichtingendienst, waardoor voor die personen groot gevaar is ontstaan. De rol van Rinck is groter geweest dan men zo oppervlakkig zou denken. Hij was hierbij slim genoeg zich niet door mij in de kaart te laten kijken. Willem de Frens,
Bladzijde 25
secretaris van het rechtsfront is naast Piet Bolland, Sike Wijmenga, Henk Santink, Slagter, Leemhuis en Viêtor, de organisator van dit propaganda instituut van de NSB. Hij werkte in dejaren 1941 en 1942 voor de SD en ik meen aan een der afdeelingen van het jodenreferat. Hij kwam in moeilijkheden, doordat hij in een woning waarvan de personen waren gearresteerd, met een vrouw (jodin) verbleef, waardoor de gedachte werd gewekt, dat hij met deze vrouw een buitenechtelijke verhouding had. Tijdens het onderzoek werd hij ingesloten en uit den dienst geschorst. Na korte tijd werd hij weer in genade aangenomen. Hij werd weer opnieuw bij de SD te werkgesteld en ik meen dat hij tot 1943 werkte voor de afdeling van Obersturmführer Knolle. In de laatste tijd voorafgaande aan de capitulatie van het Duitse Leger werkte de Frens aan de Aussendienststelle van den Hauptsturmführer Munt. Hij was daar met Heinis, Leemhuis en dergelijke.
De brigadier van politie Schoe was als rechercheur verbonden aan de Haagse Documentatiedienst onder leiding van de Comm.van Pol. W.F. Simon.Hij stond onder bijzonder bescherming van deze commissaris. In het begin van het jaar 1943 is hij bij de SD gedetacheerd, waar hij te voren wel met beambten samenwerkte.
Naar mijn geheugen was hij tot beging van het jaar 1945 ingedeeld bij het referat en later bij de Aussendienststelle.van den Hauptsturmführer Munt.
De commissaris van Politie W.F. Simon, is een overtuigd nationaal socialist van voor de oorlog. Reeds voor 10 Mei 1940 had hij de aandacht getrokken van de Inlichtingendienst en van de politie autoriteiten. Zijn dochter was in 1934 reeds bekend als lid van de Jeugdorganisatie van de Algemeene Fascisten Bond van Jan Baars. Hij was jaren lang bevriend met een familie, woonachtig te Scheveningen inde Simonsstraat. De leden van deze familie waren lid van de NSB. Ik weet dat hij deze familie meermalen bezocht. Hij werd daar “Frits” genoemd. De vrouw van dir gezin heeft mij eens verteld, dat zij met haar man in de gelegenheid werd gesteld., om zonder betaling vermakelijkheden in Den Haag te bezoeken, Frits gaf haar dan de aan de politie verstrekte diploma’s, waarop zij dan de entreebiljetten haalde. Simon was de chef van de Documentatiedienst in Den Haag. Als zoodanig heeft hij toen de moeilijkheden gehad met het verdwijnen van het zg “toongeld”. Hij profiteerde van de door zijn ambtenaren in beslaggenomen voorwerpen, welke hem door Piet Bolland thuis werden gebracht. Daar Simon van verduistering van het geld verdacht werd, is hij langen tijd als politieman geschorst geweest. In het begin van 1944 is hij weer als Commissaris van politie in Eindhoven of te ’s-Hertogenbosch te werk gesteld.
Simon is een Streber. Hij had zich tot taak gesteld om door middel van de politieke verhoudingen zich op te werken tot Politie President. Toen deze functie door Mr. Hamer was bezet, heeft hij toch aan zijn plan doorgewerkt. Hij onderhield goede betrekkingen met De Jager Meezenbroek en met Groen van de Waalsdorperweg, respectievelijk chef van de Inlichtingendienst van de NSB en van de Afdeling Den Haag van deze dienst, die hem tientallen van verraadzaken hebben aangebracht.
Zodra Simon tot chef van de Documentatiedienst was benoemd, heeft hij er alles toe bewogen om in te dringenin het herk van de oude Inlichtingendienst. Veel moeite heeft hij zich gegeven om de best vertrouwensman van die dienst Pet Reyenberg. Reyenberg heeft zeker 10 jaren met mij samengewerkt en heeft belangrijk werk voor mij gedaan. Betreffende het werk van Reyenberg liet hij zich inlichten. Toen hij meende voldoende gegevens te hebben verzameld, is Simon naar het hoofdkwartier van de NSB gegaan en hij heeft in een persoonlijk onderhoud met Mussert, deze over alles ingelicht. Simon heeft Reyenberg als verrader bij Mussert geschetst en maatregelen tegen dezen man aangeraden. Hij eiste van Mussert, dat hij de man in zijn betrekking zou ontslaan en doen gevangen nemen door de Duitse politie. Tegen mij vroeg hij maatregelen en mij in mijn betrekking te doen ontslaan. Van de activiteit van Simon heb ik gehoord omdat ik bevriend was met de gepensioneerde resident v.d.Bosch en van Reyenberg, die het werk vanSimon uit de leiding van de NSB had vernomen.
Bladzijde 26
Reyenberg is op dezelfde dag dat Simon bij Mussert was, in het bijzijn van Simon door Mussert gehoord en op staande voet ontslagen. Hij had een goed betaalde baan op het Hoofdkwartier en werd door Simon brodeloos gemaakt. Simon heeft aan Mussert betreffende mij de strengste straffen te gelasten. Mussert is hierop niet ingegaan, doch gaf als zijn meening te kennen, dat ik niet anders dan mijn opgedragen plicht had gedaan en Reyenburg bij mijn officieel werk had benut. Door gemeenschappelijk liegen door Reyenberg en mij is Reyenberg na ongeveer een maand in eer hersteld en in zijn betrekking teruggekomen. Als vrolijke noot kan ik vermelden, dat hij een loonsverhoging kreeg van f.20. Deze nederlaag heeft Simon mij nooit vergeven. Hij heeft zijn activiteit tegen Reyenberg en mij verhoogd. Hij gelastte mij een uitgebreid rapport over Reyenberg en zijn werk te schrijven onder mededeling dat ik bij weigering zou worden ontslagen Ik heb aan deze last niet voldaan, doch Reyenberg een en ander verteld, die in een onderhoud met Mussert heeft erkend, dat hij geld van de politie had aangenomen, omdat hij morfinist was en de morfine niet van zijn salaris kon kopen.Verder heeft hij verteld, dat hij een verbinding met mij heeft onderhouden, doch mij alleen had gezien om met mij over de NSB zaken te spreken. Reyenberg heeft ontkend, spionnage tegen de NSB ten gunste van de Nederlandse Regering te hebben gedaan. Hij werd door Mussert geloofd en heirmede was de zaak afgelopen en bleef het voor Reyenberg en mij alleen een zaak van verder comediespelen. Door het verraad van Simon e.a. personen is Reyenberg in grote moeilijkheden gekomen waar hij door omstandigheden onafhankelijk van de wil van Simon uit gekomen is.
Reyenberg is voor onderzoek door twee commissies over zijn werk gehoord. Hierin hadden zitting Bilderbeek van het hoofdkwartier van de NSB De Jager Meezenbroek en de Districtsleider van Den haag en Rotterdam genaamd van Iersel uit de Tomatenstraat Den Haag, terwijl in de tweede zitting hadden Kees van Geelkerken, Dr.van Genechten en de Jager Meezenbroek. Voor beide commissies heeft Reyenberg ontkend verraad te hebben gepleegd,doch steeds heeft hij op mijn advies een houding aangenomen alsof alles mijn schuld was. Dat hierbij fouten zijn begaan staat vast, doch hij heeft zich erdoor geslagen. Ik was eveneens door de genoemde commissies opgeroepen, doch ik heb hieraan nooit gevolg gegeven. Bij de laatste zitting heeft Van Geelkerken tegen Reyenberg gezegd, dat het onderzoek zou worden voortgezet en indien toch verraad zou blijken, zouden hij en ik door hem persoonlijk worden opgehangen. Alleen door hoog spel te spelen is Reyenberg gered.
Henk Alsem, zoon van den directeur van het Restaurant “Boschhek” exploiteerde in het jaar 1939 in een perceel naast het restaurant van zijn vader een club welke hij “Chateau Bleu” noemde. Het was de Haagse Politie bekend, dat deze club een centrum was van spionnen. Henk Alsem zou toen zelf voor de Duitse regeering ten nadele van Nederland en Belgie hebben gewerkt. Hij werd als zodanig door de Inlichtingendienst bekeken. Het was de Brigadier, thans kapitein van Politie, Steven Pegels, die met deze zak was belast en de houders en de bezoekers van “Chateau Bleu” bekeek en zoveel mogelijk identificeerde.
In de opgaven van het moordcommando van Obersturmführer Frank, heb ik geschreven van de Untersturmführer Liffer, dit moet zijn Wilfert. Voorts heb ik bij dit commando vergeten de naam van den Hauptsturmführer Afflerbach.te vermelden. Deze was reeds in 1943 aan het commando Frank verbonden. Hij was toen zowel administratief als exculentief werkzaam.
Bij de naam August Blatgerste kan ik nog vermelden, dat hij in de wandeling Bobby werd genoemd.
Verder is mij de zaak van den Sturmscharführer Hillesheim van Gruppe V leider, Hauptsturmführer Wensky van verre bekend. Hillesheim was aangesloten bij een illegaal tegen Duitschland werkende personen. Deze groep had aansluiting gezocht en gevonden met Engelse officieren, welke tegen Adolf Hitler en het nationaal socialisme van de NSDAP werkte.De Werking van deze groep was mij reeds in 1932 bekend. Toen Hillesheim zodanig bekend werd, is hij met zijn echtgenote gearresteerd. Beide zijn ontvlucht en na ongeveer een jaar is Hillesheim Den Haag weer gevonden en na veroordeling
Bladzijde 28
opgehangen. De Sachbearbeiter in deze kwestie was de Hauptsturmführer Wensky.
Tienus Osendarp was lid van de NSB en van de Germaanse SS. Door zijn internationale bekendheid op sportgebied heeft de Reichskomm.Dr.Seyss Inquart hem een weinig geprotegeerd. En bij de Haagse Politie geplaatst. In de jaren 1941 en 1942 was Osendarp in hoofdzaak aangewezen als bewaker van het werk bureau (Ministerie van Buitenlandse Zaken) van den Reichskommissar. Aan het einde van het jaar 1942 is Osendarp bij de SD geplaatst en werd hij eerst bij Gruppe V Erkennungsdienst en fotografisch atelier verbonden aan de Aussendienststelle Den haag., leider Munt. Bij een door hem en ander personen van de SD verrichte arrestatie heeft hij de ontvluchtende met een schot in de rug verwond.
Bij de opgave van het personeel van de SD heb ik vergeten te vermelden den Hauptscharführer Ackerman, die aan de afdeling van den Obersturmführer Luktkenhus verbonden was en bij de Afdeling van den Hauptsturmführer Harders kan ik nog aanvullen de Sturmführer Peeters en de Sturmscharführer Sticht.
Bij de Frontaufklärungstruppe van Major Kiesewetter kan nog worden vermeld de Lt.Heidrich.
Aan de opgave van het Einsatzkommando Assen kan worden toegevoegd de hulpambtenaar Hoeben, Arie van den Nieuwenhuys en Meindert van Dijk.
Hoeben was wegens onbruikbaarheid als politieman als gevangenbewaarder werkzaam. Hij bewaakte de SD arrestanten.
Van den Nieuwenhuys was een vooraanstaande figuur aan de Documentatiedienst in Den Haag en de vertrouwensman van den Kapt.Pegels. Hij was lid van de Germaanse SS.
Meindert van Dijk is verbonden geweest aan de SD in Den Haag, In het begin van 1944 werd hij ingesloten omdat hij werd verdacht arrestanten door bevrijding te hebben geholpen. In hoofdzaak betrof het een ontslag van een grote drukkerij gevestigd op de hoek van de Edisonstraat en de Fahrenheitstraat. Bij onderzoek waarbij de directeur weer werd verhoord en gearresteerd, is gebleken, dat van Dijk voor deze vrijlating een bedrag van f.1000.- had ontvangen, van welk bedrag hij zijn vrouw ondersteund had. Hij leefde van zijn vrouw gescheiden en hij had een buitenechtelijke verhouding met de secretaresse van den Obersturmführer Frank genaamd Klara Bayroth, die tijdens zijn arrestatie in zijn woning verbleef. Voorts bleek bij het onderzoek dat Van Dijk verschillende “zwartritten” met dienstauto’s had gemaakt en aan zwarthandel deed om op deze manier aan het geld te komen om zijn dubbele huishouding te betalen. Indien van Dijk personen heeft geholpen, dan heeft hij dit uitsluitend gedaan, om finantieel en materieel voordeel te trekken. Van Dijk is lid van de Germaanse SS. Tot het midden van het jaar 1943 was van Dijk in die Deutsche Polizei Gefängnis te Scheveningen opgesloten. Vervolgens was hij in het kamp te Vught, waar hij, ik meen in augustus 1944 werd ontslagen. Na die datum heb ik hem nog eenige malen ontmoet met leden van het Moordkommando Frank. Hij zou onder deel genomen hebben aan de arrestatie van den wnd.Politie President, de heer Klazie. Als secretaresse van den U.St.F. Walter Bartels is mij bekend, de Nederl.vrouw Boswinkel uit Rijswijk. Vanaf 1941 tot aan de capitulatie in 1945 was Boswinkel als stenotypiste aan de SD verbonden. Bartels was belast met belangrijk werk in de organisaties “Vrij Nederland” en de “OD”. Boswinkel was geheel in het werk van Bartels opgenomen en werd volkomen vertrouwd. Zij had een buitenechtelijke verhouding met den Hauptsturmführer Schweiger, de leider van die Deutsche Pol.gefängnis. Zij at op de kamer van Schweiger en voor haar en Schweiger werd eten in de keuken van die Gefängnis bereid. Schweiger heeft bij het inkopen van eten voor de gevangenen meermalen valse opgaven omtrent het aantal gevangenen gedaan en zo kon hij hoeveelheden boter,suiker, kaas en worst overhouden, dat Boswinkel bij hem afhaalde. Ik heb waargenomen dat zij deze voorwerpen met tassen vol mee naar huis nam. Zij kreeg dit van Schweiger of van een door hem aangewezen beambte. Boswinkel heeft tengevolge van haar omgang met Schweiger een kind gekregen, dat zij te Zeist in het zg SS.Mutterheim ter wereld heeft gebracht. Dit kind is ter beschikking gesteld van de Duitse regeering en het is als SS kind opgevoed op kosten van de Duitse staat. Bij Gruppe V Leider Hauptsturmführer Wensky, werkte de Sturmscharführer Dienstknecht. Toen ik in het begin van het jaar 1944 als
Bladzijde 29
gedetineerde in de gevangenis in Scheveningen verbleef, heb ik waargenomen, dat Dienstknecht alle mannelijke leden van de fam.van Schaik heeft gearresteerd als verdacht van illegale arbeid in de OD. Ik weet dat de Oud Min. Van Justitie en voorzitter van de tweede kamer van de St.Gen. Mr.van Schaik onder de gevangenen was, want ik heb hem persoonlijk gesproken. Onder de vertrouwensmannen van de SD bevond zich ook een zekere van Drunen uit Den Haag. Hij was mij voor de oorlog als lid van de NSNAP van Majoor Kruit en van Ridder Rappard bekend. Hij was een aanbrenger bij de documentatiedienst te Den Haag. Verder heb ik hem meermalen bij de SD ontmoet waar hij aan beambten ven den Hauptsturmführer Munt, mededelingen kwam doen. Bijzonderheden kan ik niet vermelden. Wel weet ik dat zijn naam meermalen als V man werd genoemd. Hij heeft in SD aangelegenheden een rol gespeeld. Als leiders van het Jodenkamp “Westerbork” zijn mij bekend in 1943 den St.B.F. Deppner en daarna tot de bevrijding den Oberst.F.Gemmeke. Bij het referat van den Hauptst.F.Munt valt nog te vermelden, dat na Fräulein van den Bohm als secretaresse van Munt heeft gefungeerd Mevr.Jung, een gescheiden vrouw wonende te Den Haag, op de L.van Meerdervoort. Zij heeft een zoon. Aan hetzelfde referat werkte de Hauptscharführer Hertlein.
De leider van de SD Aussendienststelle R’dam was den heer H.St.F.Wölk.Hij werd in 1944 tot de capitulatie vervangen door U.St.F.Bläser. De Aussendienststelle van de SD te Amsterdam werd tot midden 1943 geleid door den Sturmbanführer Lahus. Hij werd wegens onbruikbaarheid ontslagen en vervangen door Lages, die de rang van HauptstF.had. Hij bleef tot aan de bevrijding van Nederland de verantwoordelijke leider van de Aussendienststelle.
De concubine van den St.sch.F. Otto Lange is genoemd Me.Pasman uit Loosduinen. Zij werd door Lange als stenotypiste aan een der bureaux van de SD geplaatst. In het bewerken van de illegaliteit in Nederland komt in aanmerking den St.Sch.F.Hans Rahms, een goede vriend van Slagter en Poos. Rahms heeft wel belangrijk doch geen onfatsoenlijk werk gedaan.
Verder vestig ik nog de aandacht op den O.Sch.F.Lahr, secretaris van den Brigadeführer Dr. Harsten. Waar ik in het E Spiel steeds heb geschreven van den vertrouwensman Kranendonk, valt mij in dat deze man ook bekend was onder de Naam Anton van der Waals. Aan het einde van dit informatorisch overzicht wil ik graag een algemene opmerking maken. Ik heb nl niet bedoeld in dit overzicht het werk van de SD te vermelden, doch uitsluitend bedoeld dat ter informatie te geven wat mij persoonlijk bekend is en verder wat ik als waarheid van andere personen heb vernomen en mij belangrijk voor de politie voorkwam.
Daar deze beoordeling niet aan mijn competentie ligt,heb ik alleen alles gegeven wat mij inviel-Bij deze impuls heb ik mij laten leiden door de gedachte, dat elke overdrijving schaadt.Ik ben dus bij de opgaven “matig” gebleven.Ik verzoek beleefd mij niet te beoordelen naar het werk dat ik schreef, want dat was een klein onderdeel in het geheel en ik heb mij bij mijn werk bij de SD biet ten volle gegeven.Naar waarheid heb ik mijn bevindingen bij de SD gegeven en ik heb geen reserves gehouden.Wel denk ik dat nog veel algemeenheden in mijn onderbewustzijn sluimeren en ik ook over personen nog belangrijke gegevens kan verstrekken.Ik ben bereid,elke vraag mij daaromtrent gesteld, naar eer en geweten te beantwoorden.Ik weet,dat over de SD en zijn werk afzichtelijke geschiedenissen kunnen worden geschreven,doch de feiten hiervoor heb ik eerst na de capitulatie van het Duitse leger vernomen. Het meeste kwam ter mijne kennis na de 7de Mei 1945 door verklaringen van ambtenaren van de PRA.Als ik deze feiten niet kende, heb ik dit te danken aan het geluk dat mij beschermde,door mij er niet bij aanwezig te doen zijn. Daarom vraag ik niet, mij dit niet als verdienste aan te rekenen.Ik had evenveel kans temidden van een mensenslachting terecht te komen dan er vrij van te blijven. Gezocht heb ik het niet en ik ben er beslist voor gespaard.Met recht meen ik te mogen vragen,mij eveneens zonder overdrijving te willen beoordelen en het aleen te zien zoals het werkelijk is, dan is het al erg genoeg.Ik ben van het principe uitgegaan, dat ik mij voor den 10den Mei 1940 nooit persoonlijk met politiek heb bemoeid en slecht door mijn dienst bij de politiek betrokken werd.Hierbij heb ik mij,tot de laatste seconde als een betrouwbaar ambtenaar voor het koningshuis en voor mijn vaderland ingezet.
’s-Gravenhage, 24 September 1946 w.g. VEEFKIND.
Fotokopie van de Mededeelingen van Veefkind
In het stuk ontbreken twee bladzijdenummers. Het stuk is echter compleet, het zouden fouten in de nummering kunnen zijn. Maar waarschijnlijker is dat hij zijn verklaring heeft aangepast. Bij de overgang van bladzijdenummer 20, dat slechts een paar regels bevat, naar bladzijdenummer 22 loopt de zin gewoon door. Ook na bladzijdenummer 26 naar bladzijdenummer 28 loopt de zin gewoon door.



























Tekst van Verweerschrift van Veefkind
Ondergetekende, Johannes Hubertus Veefkind, geboren te Leiden 6 augustus 1891. gedetineerd in de cellenbarakken te Scheveningen onder No. 4729/74. Neemt de vrijheid beleefd het volgende onder Uw aandacht te brengen. Toen op 10 Mei 1940 de rampzalige oorlog uitbrak en Nederland werd neergeslagen door de druk der Duitse legers was hij Hoofdagent rechercheur van de Haagse politie. Sedert 9 januari 1914 was hij daarbij werkzaam en de laatste 14 jaren was hij verbonden aan de Inlichtingendienst van de zelfde politie. De aard van zijn werkzaamheden waren geheim. Hierover kan hij in dit geschrift niet geheel uitwijden, daar hij op erewoord heeft beloofd te zullen zwijgen. In het algemeen heeft hij medegewerkt aan politiek oriëntatie van alle extreme organisaties in Nederland ten einde de Nederlandse Regering via den Hoofdcommissaris van Politie en de afdeling G.S. III van de Generale Staf te kunnen voorlichten over de politieke verhoudingen in Nederland, bijzonder wat betreft de politieke stromingen. Vanaf 1936 werd hij speciaal belast met de oriëntatie in alle herstelbewegingen en organisaties met nationaal Socialistische inslag. Dat dit werk zeer vertrouwelijk was behoeft geen uitlegging. De personen daartoe werden met zorg gekozen en bijzonder inde laatste tijd voorafgaande aan de oorlog tot het uiterste gesellecteerd. Schrijver rekent het nog tot een eer dat hij daarbij was en bleef uitgekozen. Behalve dat het werk vertrouwelijk was, was het ook soms erg moeilijk. Door de vroegtijdige dood zijner moeder (hij was nog niet 9 jaar oud) werd hij opgevoed door een zuster van zijn vader, die te Voorschoten woonde. Met dankbaarheid herdenkt hij de goede daad van die tante, maar hij merkt op dat hij in alle eenvoud werd opgevoed en slechts zeer gebrekkig lager onderwijs heeft genoten, weshalve hij om de hem opgelegde taak naar behoren te vervullen, hij zich nog meer moest inspannen dan zijn collega’s die naast hem werkten en b.v. M.U.L.O. scholen hadden doorlopen of van de Politieschool te Hilversum kwamen. Ondanks dit alles heeft hij zijn werk gedaan en mocht hij meermalen bemerken, dat zijn superieuren over hem tevreden waren, hetwelk hem bleek uit beloningen die hij heeft ontvangen. Bij het uitbreken van de oorlog had hij zijn werk dusdanig vervuld, dat de Nederlandse Regering voor zover het de binnenlandse politiek betrof voldoende maatregelen kon nemen en bevelen kon geven, dat de openbare orde en rust verzekerd was en het Nederlandse leger zich geheel kon inzetten tegen de buitenlandse vijand. Dit is wel het principe van de reden dat hij het als een eer beschouwd dit werk te hebben mogen doen. Na de capitulatie van het Nederlandse leger op 15 Mei 1940 brak er voor hem een tijdperk aan van moeilijkheden welke hij niet meer in juist tijdsverband kan weergeven. Feiten zijn, dat de uit internering ontslagen leden van de N.S.B. en Duitse personen bij de Haagse politie om verantwoording kwamen vragen over hun internering en over de bij hen plaats gehad hebbende huiszoekingen en voorts kwamen klagen over weggenomen voorwerpen, die niet allemaal konden worden teruggegeven., omdat er in de chaos der laatste dagen die voorwerpen waren verplaatst of de met bewaring belaste persoon niet was te vinden. Uit die gesprekken en verdere onderzoekingen kwamen deze lieden spoedig er achter dat alles goed was georganiseerd geweest, dat er sprake was van een inlichtingendienst, dat de schrijver dezes was belast geweest met het ultra rechtse gedeelte van de politieke organisaties en dat hij voor een groot deel daaraan zijn hulp en medewerking had verleend. Er werd in en om zijn nabijheid verraad gepleegd, deels om zo spoedig mogelijk de kans te grijpen die in de ontstane situatie mogelijk was geworden, deel uit vrees voor maatregelen die de Duitsers zouden treffen en waardoor zij schade zouden kunnen lijden. Er werden rapporten opgevraagd van de rechercheurs waarin tot uitdrukking moest komen hoe nu precies die dienst had gewerkt. Ondergetekende heeft geweigerd daaraan deel te nemen. Hij wist reeds dat alles bekend was geworden. Nadat de dienst geheel was ontleed ging men verder en werd de vraag gesteld naar de namen en adressen van de vertrouwensmensen, de personen die al of niet tegen een geldelijke vergoeding aan de rechercheurs van de dienst inlichtingen verschaften. Dit alles was natuurlijk zeer eenzijdig en men vroeg niet naar personen die de politie b.v. over de Communistische Partij inlichtten. Er moest een groep verraders zijn in de herstelbewegingen en die moesten worden ontdekt en gebrandmerkt. Naar mate de tijd voortschreed kreeg de zaak meerdere bekendheid en werd het onderzoek in handen gegeven van hoger geplaatste personen in de N.S.B. De leider van deze beweging Ir. A. Mussert werd ingelicht en deze benoemde een Commissie die de zaak geheel zou onderzoeken. In deze commissie hadden zitting, De Jager Meerenbroek, chef van de C.I.D. (Centrale Inlichtingen Dienst van de N.S.B.) Deze dienst was door Mussert ingesteld als controlerend lichaam op de leden, doch het werd door de handige de Jager Meerenbroek gebruikt als een spionage instrument. Na de oorlog hoorde schrijver dat hij voor de Engelse spionagedienst heeft gewerkt, doch het zo handig heeft gedaan dat hij steeds “er tussendoor glipte”. Hij zat overal en overal tussen, dirigeerde en redigeerde en kreeg de juiste personen op de juiste plaats. In de oorlog werkte hij samen met den Obersturmbanführer Knolle. Als tweede persoon had in de commissie zitting, Bilderbeek als chef van de ledenregistratie van het Hoofdkwartier der N.S.B. te Utrecht en de derde persoon was van Iersel, Districtsleider van de N.S.B. te ’s-Gravenhage en te Rotterdam. Schrijver had door zijn jarenlange praktijk in de Inlichtingendienst een groep mensen om zich heen verzameld dat werkelijk op een goede organisatie leek en waarvan uitlopers zetelden tot in het hoofdkwartier der N.S.B. te Utrecht. Tevens maakt schrijver de opmerking, dat dit al ging met kennis van de Heeren Hoofdcommissarissen van Politie, F. Van ’t Sant en later van H.G. van der Meij, voorts dat zijn directen chef den Hoofdinspecteur van Politie J. Amiabel van alles op de hoogte was en hem het geld voor onkosten voor deze mensen verstrekten, welk geld werd verstrekt uit de kas van G.S. III, dat de dienst wel in het geheim dienst deed, doch dat het wel degelijk een onderdeel was van de politie, dus van het regeringsapparaat. Schrijver heeft in de dienst nooit iets onteerends of iets minderwaardigs gezien. Hij legt hierop de nadruk omdat door den Heer Procureur-advocaat bij het Bijzonder Gerechtshof te ’s-Gravenhage, schrijver als minderwaardig werd voorgesteld, juist en alleen omdat hij bij deze dienst was ingedeeld geweest en daarbij reeds zijn moraal heeft verloren. Schrijver weet dat elk land dat zijn vrijheid en zichzelf respecteert een dergelijke dienst heeft ter voorkoming van verrassingen van revolutionaire aard. Reeds jaren voor den oorlog werkte schrijver (zij het dan incidenteel) samen met de Engels, Belgische, Franse en vooral in de tijd van de Herstelconferentie 1929 met ambtenaren van dergelijke diensten uit geheel Europa. Intensief is door hem samengewerkt met ambtenaren van dergelijke Engelse dienst eerst te Rotterdam later te ’s-Gravenhage werkzaam. Dit alles was met medeweten, soms in opdracht van zijn chef. Het was bij de dienst een ongeschreven wet, dat men iemand die eerst was “benut daarna niet aan de verachting prijs gaf, door zijn naam te noemen. Tot de contactmensen van schrijver behoorden enkele personen, die wel hem op de hoogte hielden, doch wel het vuile verraad lief hadden. Zekere R. deed het omdat hij morfinist was en hij van zijn klein pensioen en verdiensten niets kon afnemen zonder zijn gezin ernstig te benadelen en vervolgens zekere B. hielp hem daar hij een ziekelijke neiging had voor alles wat gezag was. Schrijver gaf deze mensen zijn erewoord hen nooit te verraden en bij eventuele moeilijkheden te helpen en alle schuld van hun af te nemen. Hierin ligt het principe, het begin van de oorzaak van de ellende en de ondergang van schrijver, die zijn woord heeft gehouden. Voor de genoemde commissie heeft schrijver in strijd met de waarheid maar met de bedoeling de mensen ter wille te zijn, datgene ontkend wat men zo graag wilde weten. Hij heeft alles op zich genomen en deze mensen niet verraden. Deze moeilijkheden duurde tot het eind van 1941. In het begin van 1942 kwam de Heer F.W. Simon als chef van de dienst, welke intussen was genoemd “Documentatiedienst”. Ook Mr. Hamer was intussen tot H.C. v. P. Te ’s-Gravenhage aangesteld. De inaugurale reden van deze H.C. v. P. Was niet aanmoedigend voor schrijver en hield de bedreiging in van “Wie onze zaak niet begrijpt zal worden ontslagen”. Het was alles grootscheeps en indrukwekkend opgezet. Simon die lid was van het Rechtsfront en van de N.S.B. vond bij deze zeer pro-Duitse H.C. v. P. Ruimschoots steun en zette opnieuw de zaak op, hoorde de rechercheurs en ging met de resultaten naar Mussert. Hij deelde Mussert mede, dat er verraders in zijn beweging waren ingedrongen en noemde de namen. R. Die aan het hoofdkwartier te Utrecht werkzaam was tegen een salaris van f 200- per maand werd op staande voet ontslagen. Schrijver heeft hem naar vermogen finaciëel gesteund tot begin 1945. Door Mussert werd een nieuwe commissie van onderzoek ingesteld; bestaande uit de Jager Meerenbroek, C. Van Geelkerke en Dr. van Genegten, resp. Algemeen Secretaris van de N.S.B. en Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage. Vele personen zijn gehoord, ook R. en B. en tenslotte moest ook ik door deze heren worden gehoord. Hij was volkomen ingelicht van alles wat R. En B. en anderen hadden verklaard De kern was geen verraad, wel met schrijver gesproken, doch hem altijd aangezien als een der hunnen, weshalve volkomen vertrouwen en ook wel vertrouwelijke zaken door verteld. Ofschoon hij de mooiste betrekkingen kreeg aangeboden en de zwaarste bedreigingen moest slikken bleef schrijver bij zijn ingenomen standpunt en ontkende elke unfaire daad van een der mensen. Na een verhoor van ruim 4 uur sprong van Geelkerke op de inktpot ging over de tafel en hij schreeuwde: “Ik blijf het onderzoek voortzetten en ik zal je bewijzen dat je liegt, daarna hang ik je eigenhandig op”. Na deze hoopvolle ontboezeming kon schrijver gaan. R. Werd weer in ere hersteld (kreeg zelfs f 25- verhoging van zijn maandsalaris) en schrijver werd geroepen bij zijn chef de commissaris van politie Simon en kreeg van hem tien dagen tijd om te spreken, zo niet dan zou schrijver worden ontslagen. Intussen was hem bekend geworden dat Simon streefde naar de plaats als H.C. v. P in Den Haag en zich daarom bij Ir. Mussert zo verdienstelijk had gemaakt. Door de grote zenuwspanning werd schrijver ziek en leed lange tijd aan Zenuwekzeem waarvan hij heel langzaam herstelde. Bij alle plagerijen behoorde ook dat over hem werd geroddeld bij de Duitse politie. Meermalen werd hij verhoord en bedreigd. Bij elk verhoor heeft hij zich verscholen door te zeggen, dat hij zijn plicht had gedaan volgens zijn politie-eed en dat zij hem niet ten kwade konden duiden, daar zij ook hun plicht deden. Te volgens werden hem verschillende opdrachten gegeven om hem op de proef te stellen en drie maal werd hem gevraagd bij de Duitse politie over te komen, omdat hij zo goed was te gebruiken in verband met zijn politieke oriëntatie. Evenzoveel malen heeft hij geweigerd. Hem werd gezegd “Indien je je vrouw en jongen lief hebt zou ik mij maar ernstig beraden, want de concentratie-kampen waren groot en er kon dan nog vele personen worden opgenomen”. Hij bleef bij zijn weigering. Alleen bleef hij bij de gespeelde rol van sympathisant met de N.S.B. en hij werd lid van het Rechtsfront., doch alleen om de aandacht af te leiden. Meermalen heeft schrijver overwogen of niet juist hij reeds tijd nog naar het buitenland had moeten uitwijken, doch hij had in het volle vertrouwen op zijn superieuren geleefd en moest bemerken, dat zijn chef Amiabel deed alsof hij van niets wist. Hij let de volle zwaarte van de moeilijkheden rusten op schrijver en werd kort na 15 Mei 1940 Secretaris van Mr. Dr. van Genegten en door diens invloed bevorderd tot kolonel bij de politie te Rotterdam. Later heeft schrijver hem ontmoet als chef van de recherche in deze stad. Dit was in 1944. Maar onder de druk der haast niet te dragen omstandigheden stond schrijver alleen en moest hij alles aanwenden om niet geheel ten onder te gaan. Om raad vragende aan den heer H.C. v. P. G. Van der Meij en aan de H.C. van P. W. Hol, werd hem gezegd “knoei nog wat verder, de oorlog is vlug voorbij”. Hij kreeg toen in zijn eenvoud werkelijk het geloof dat de ellende die over Nederland was gebracht van korte duur zou zijn. Op 28 Mei 1940 adviseerde de Franse Generale Staf van het Franse leger aan de Regering de wapens te strekken, doch ook deze regering meende, dat moest worden doorgevochten omdat Duitsland in enkele dagen zijn benzine en olie zou hebben opgebruikt. Aan schrijver mag dan z.i. niet zwaar worden aangerekend dat hij zich vergiste en om het ene kruis te ontlopen twee andere in de armen liep en deze ook weer wilde ontwijken. Kortom dat hij van de ene moeilijkheid in de andere viel en langzaam tengronde ging. Doch nooit heeft bij hem de opzet voorgezeten om fouten te begaan, nooit was zijn wil gericht op het doen van die fouten. Schrijver die gelukkig was gehuwd en in goede verhouding met zijn vrouw leefde, heeft haar te midden van zijn moeilijkheden plechtig beloofd haar niet te zullen verlaten, door te verdwijnen en haar in de zeldzame tijdsomstandigheden alleen te laten, heeft nooit noch te nimmer op het ogenblik van het uitspreken van die belofte kunnen bevroeden welke consequentie’s daaraan waren verbonden. Er was voor schrijver weinig keus. Hij moest meedoen en tijd winnen of zijn woord bereken, alles in de steek laten en zelfs zijn vrouw verlaten. Hij vraagt om een zacht oordeel als hij de weg heeft gekozen van de minste weerstand. De mens is zwak. De vrouw van schrijver was ziek en leed jarenlang aan een ernstige huidziekte en zij kwam soms in maanden het huis niet uit. Haar enige afleiding was haar man. Hij kon haar niet verlaten. In het midden van de Maand Mei 1941 kwam aan de woning van schrijver een politieman, met de opdracht dat schrijver zich moest melden bij de Duitse politie Binnenhof 7 te ’s-Gravenhage. Hij was ziek, doch dan moest hij komen terstond na zijn herstel. Begin Juni 1941 heeft hij zich daar gemeld en hij kreeg de opdracht met de Duitser Otto Lange samen te werken. Voorts werd hem gezegd, dat de H.C. v. P Mr Hamer van alles kennis droeg en goed had gevonden dat schrijver daar tijdelijk werkzaam was. Dit was geen detachering doch een plaatsing zonder consequenties. Schrijver bleef Nederlands Politieman er geschiedde geen enkele formaliteit. Hij zat midden de voren geschetste moeilijkheden en hij heeft toen toegegeven, de morele en redelijke moed missende om opnieuw te weigeren en een vlaag van hoop ziende, dat dit uiteindelijk het einde zou kunnen inhouden van de ellende waaraan hij ten prooi was. Weer vergiste hij zich want alles ging en zelfs kwam er nog een strijd bij n.l. die tegen zijn eigen geweten. De oorzaak van deze oproep was de volgende. Door Doornebos, chauffeur van de Duitse politie was tijdens een behandeling bij de kapper Montfoort in de Torenstraat te ’s-Gravenhage waargenomen dat in de salon van die kapper illegale communistische lectuur werd doorgegeven. Dit werd doorgepraat en de Duitsers arresteerde Montfoort, die bij het verhoor verschillende namen opgaf van personen die met hem samenwerkten en deze werden weer gearresteerd. En zo vervolgens. Dit was in April 1941 aangevangen en bij de komst van schrijver in Juni 1941 waren ± 60 personen in arrest en dit ging nog door als een sneeuwbal. Aan deze actie heeft schrijver geen enkel aandeel gehad. Het was zelfs niet tot hem doorgedrongen. De arrestaties waren geschied door de Haagse Politie onder leiding van de Duitsers. Laatst genoemde deden de verhoren en arresteerden die personen die hen belangrijk voorkwamen. Dezen werden ook weer het eerst verhoord omdat zij het meeste wisten.. De opdracht aan Lange gegeven luidde “Zo snel mogelijk door middel van de personen en verhoren in de illegale communistische groep doordringen., het bestuur arresteren en zodoende deze communistische activiteit neerslaan”. De kleine luiden en volgelingen zouden dan na 6 weken naar huis kunnen terugkeren. De maatregelen tegen de communisten zouden uitsluitend preventief zijn. Schrijver zag aanvankelijk een belang voor het Nederlandse volk omdat de communisten de openbare rust en orde verstoorden. Zij pleegden aanslagen en de Nederlanders die als gijzelaar waren gearresteerd, werden door de Duitsers gefusilleerd. De eerste slachtoffers waren de Directeur van de Rotterdamse Lloyd Willy Ruijs en de Hoofdinspecteur van Politie, chef van de Inlichtingendienst te Rotterdam, die met anderen als slachtoffer vielen voor de spoorwegaanslag te Rotterdam. Beiden heeft schrijver persoonlijk gekend en met hun vriendschappelijk omgegaan. Hij mag niet ontkennen dat zijn pols sneller is gaan kloppen toen hij van de fusilade hoorde en hij heeft zich zoveel mogelijk verzet tegen eventuële herhaling, voorgevende dat dit geen bestrijding was van het illegaal communisme, doch een bewijs van onkunde om de daders van de aanslag te arresteren. Dit verzet van schrijver deed hem niet in de achting der Duitsers stijgen. Toen in juli 1941 de oorlog tussen Rusland en Duitsland uitbrak werden de activiteit der illegale communisten groter, doch wat zou er gebeurd zijn indien niet door arrestaties hun aantal was verminderd. Er mag nog worden gewezen op de moorden op Generaal Seijffardt en op Reijdon en diens vrouw. Men mag zeggen dat de communisten een organisatie hadden met het doel om misdaden te plegen. Schrijver die toen niets wist van het 4 E Spiel en de rol die Schreiërder vervulden, heeft toen werkelijk deze groep als zodanig geclassificeerd. Hij weet nu beter omdat intussen bekend is, dat Schreiërder via het 4 E Spiel Engeland de opdrachten liet geven. Het Bijzonder Gerechtshof te Arnhem achtte het arresteren van Communisten in die dagen ook niet strafbaar, zie sententie van dit Hof van Januari 1949 tegen de Politie-inspecteur van Maarleveld, verdediger was Mr van Es. Omstreeks zomer 1941 werd door de Heren Secretarissen Generaal zelfs een circulaire uitgegeven inhoudende de opdracht om de communisten te arresteren. Door schrijver is steeds sterk getwijfeld of de communisten verzetsstrijders zijn geweest. Zij stonden aanvankelijk geestelijk achter de Duitse politiek in de strijd tegen het Engelse en Amerikaanse grootkapitaal., in hun pamfletten scholden zij op de leden van de Nederlandse regering en op de hoogsten in ons land. Zij waren wel illegaal georganiseerd, maar zij waren geenszins wat in het algemeen onder “Illegalen” wordt begrepen. Illegalen hadden toch het hoge idiaal om al dan niet, in samenwerking met de gealliëerde legers, zich in te zetten om te komen tot een vrij Nederland onder leiding en de regering van H.M. de koningin. De communisten wilde het tegenovergestelde, zoals uit de verhoren kwam vast te staan. Door middel moorden, sabotage en gewapende overvallen te komen tot een revolutionaire situatie, hoopten zij bij beëindiging van de oorlog de macht te kunnen overnemen. Zij waren bewapend en hadden voorraden wapenen, die anderen onbekend waren. In 1942 werd bekend dat er koeriersverbinding was tussen Moskow en het illegale hoofdbestuur der C.P.N. te Amsterdam. Ook radiografisch hadden zij met Moskow verbinding. De daadwerkelijke bedoelingen der illegale C.P.N. kwamen in 1944 in Frankrijk en België duidelijk naar voren. Tengevolge hiervan werd door Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard als leider van de B.S. vanuit Engeland naar Nederland gewaarschuwd en de activiteit van de B.S. opgeschort tot na de bevrijding, dus tot de aanwezigheid van de Canadese troepen. In de tijd van April 1941 tot eind 1941 werden door de Duitse politie ± 250 illegale communisten gearresteerd in den Haag, Leiden en omgeving. Aan schrijver werd te laste gelegd, het arresteren van communisten tot een aantal dat niet bekend was. Juist is dat eerst ± 60 mensen waren gearresteerd voordat schrijver van de hele actie af wist. De overige ± 190 werden in arrest genomen door de Nederlandse politie onder leiding van Duitsers. De uit de verhoren bekend geworden namen en adressen werden op lijsten geplaatst en door Lange of diens Chef Knorr aan de Nederlandse politie doorgegeven. Hiervan werden uitgesloten die personen die naar het oordeel van Lange en (of) Knorr belangrijk waren en dezen werden dan door de Duitsers zelf gearresteerd. Er werd dan een commando van 8 tot 12 Duitsers samengesteld. Elke Duitser kreeg één of meer adressen op waar moest worden ingegrepen. Voorst werd elken Duitser een Nederlander als tolk toegewezen en als zodanig is schrijver medegeweest. Dit aantal malen zal maximaal 10 of 12 zijn. Dit klinkt geheel anders, dan “het aantal arrestaties is zo groot, dat het niet bekend is”. Geen enkele maal heeft schrijver zelfstandig een arrestatie gedaan of op eigen initiatief een persoon aangehouden en aan de Duitsers overgeleverd. Waar is dat schrijver in samenwerking met een tolk (schrijver werd niet alleen vertrouwd) in woningen van gearresteerden gezocht naar Radiotoestellen en rijwielen, welke handelingen hij alleen deed na bekomen opdracht. Deze voorwerpen werden door de Duitsers in beslag genomen. Zo moet het dan mogelijk zijn dat vele personen tegen hem getuigden en hem herkenden van dit of van dat. Uit wraak werden allerlei lelijke dingen over hem verteld. Zij kenden schrijver als de persoon die als politieman altijd hun vergaderingen bezocht. Reeds van 1926 werd hij doorn de communisten bedreigd. Voorts hebben zij hem gedoodverfd als de man, die deze hele oprolling van de illegaal communistische groep op zijn geweten had en zagen hem als verantwoordelijk voor al het leed deze mensen aangedaan. Er was tot September 1946 niet bekend, hoe de Duitsers in deze groep was gestoten. Op dat tijdstip werd schrijver verhoord en hij heeft de volle waarheid gezegd, die door de verhorend ambtenaar werd beantwoord met “Het kan mij niet schelen wat jij zegt, ik weet alles en dat zal voor jou voldoende zijn”. Hij doelde erop dat hij het doodvonnis van schrijver zou bewerkstelligen. De zaken waren zeer vertroebeld maar tot heden is de verklaring van schrijver nog niet ontzenuwd ondanks alle leugens door anderen gedaan. De communisten pleegde bijna zonder uitzondering allemaal verraad aan hun kameraden. Zowel de harde in de revolutionaire strijd geheide communist als de eenvoudige pas beginnende lezer van het illegale blad “De Waarheid” zeide de waarheid over alles wat de Duitser Lange hem vroeg. Het enige verschil lag in de tijd. Er waren personen die reeds spraken voor hen iets werd gevraagd. Dan kregen zij papier en potlood in hun cel en zij schreven alles op wat zij wisten. De kleine overtreders gingen vlug naar huis en vonden de kameraden gearresteerd door de Duitsers. Zij praatten het goed door allerlei gefantaseerde verhalen en deze vonden gretig ingang. Zij waren zwaar mishandeld, zeide zij, en dit verspreidde zich als olie op het water. Communisten ontmoette andere communisten in de gevangenis of in de concentratiekampen. Zij vroegen ophelderingen. Hun medestrijders, hoe het kwam dat zij werden verraden. Ja, het kon niet anders, want het was het enige middel om aan de mishandelingen te ontkomen. “Als wij vrij zijn zullen wij die Duitser en die Nederlanders wel krijgen”. Zo ging het voort, maar zij verzuimden te zeggen, dat zij al die praatjes over mishandelingen hadden verzonnen om hun eigen verraad te bedekken. Zij draaiden de zaken om. Zij praatten door en na de bevrijding 1945 werd het erger, want toen kregen zij meer moed. Zekere Zuiddam voor de oorlog secretarie van de V.V.S.U. (vereniging van Vrienden van de Sovjet Unie) had, naar hij thans verklaard, ook in deze richting illegaal gewerkt. Hij heeft nooit moeilijkheden gehad, doch wel zijn vrouw, die werd gearresteerd en voor enige tijd opgesloten in een concentratiekamp, kwam na 5 Mei 1945 als rechercheur bij de P.R.A. Hij heeft alle gegevens bij de communisten verzameld, werkend met namen en portretten van schrijver en van anderen. Hij heeft op communistische wijze deze hele zaak tegen schrijver opgezet. Meermalen moesten verklaringen worden teruggenomen en herzien. Allen gingen uit van het beginsel dat alle ongeluk was gekomen door schrijver, die door middel van contactmensen van de politie van voor 1940 de zaak tegen de communisten had opgezet. Schrijver verklaard dat de politie in Den Haag slechts één zo’n man had die hij sedert 1939 tot 1948 twee malen heeft gezien. Eenmaal in 1942 ten huize van een politieman met wie hij toen samenwerkte en eenmaal voor het Gerechtshof toen hij tegen schrijver getuigde. Er is nooit bewezen en zal ook nooit bewezen worden dat schrijver van dezen man één maar dan ook maar één bericht heeft ontvangen, noch direct nog indirect. Deze gegevens liepen van de politieman via de verbindingsofficier naar de Duitser Knorr en werden nooit door schrijver gezien of gelezen. Toen nu in 1946 en 1947 schrijver zijn verklaring aan de P.R.A. afgaf werd hij niet geloofd omdat men anders was georiënteerd. Zijn verklaring bevatte de waarheid en stootte alles om wat in het dossier stond. Toch waren er enkele ambtenaren bij de P.R.A. die schrijver onomwonden hebben gezegd, dat zij het communistisch gebral niet geloofden. Had de P.R.A. toen in 1946 de verklaring van schrijver nauwkeurig onderzocht, was ment tot de juiste belichting gekomen. Twee Duitsers Lange en Neske heb ik beschuldigd te hebben medegewerkt aan de mishandeling van Holstege, welke haast zeker zijn dood hebben veroorzaakt, daarna werd schrijver 14 maanden in gehele afzondering opgesloten, terwijl Lange en Neske cellen kregen vlak naast elkander. Dit betekent dat zij tijdens het luchten vlak achter elkander liepen en ook in de cel contact konden onderhouden. Zo moest dan deze ernstige zaak geheel doodlopen en bleef de gedachte dat schrijver aan de dood van Holstege schuldig was, wat zelf de President van het Bijzonder Gerechtshof niet kon geloven. Bij de behandeling der zaak blijvende verklaard schrijver, dat tegen hem acht communisten getuigden in strijd met de waarheid. Hij kan niet verklaren, dat zij allen een valse eed aflegden, omdat hij dan de opzet moet bewijzen, maar er was geen woord van waar. Toch weet schrijver dat hem de tenlaste gelegde mishandelingen zwaar worden aangerekend, en dat hij tegen die aantijgingen thans weinig kan doen. Maar tot zijn dood blijft hij bij zijn verklaring. In deze communistische aangelegenheid heeft hij vanaf het ogenblik dat hij aan de Duitser Lange tijdelijk werd toegewezen, zoveel mogelijk mensen naar huis gestuurd, steeds zich verzet tegen behandeling van arrestanten welke in strijd kon worden geacht met het internationale volkenrecht, alleen deelgenomen aan arrestaties en huiszoekingen, hij heeft niemand verraden noch op eigen initiatief gearresteerd of bij de Duitsers aangebracht, niet gewerkt met spionnen of aanbrengers, doch er zich bij bepaald, de bevelen der Duitsers op te volgen voor zover hij zich daaraan niet kon onttrekken. Meermalen heeft hij zich wel onttrokken doch dit bracht groot gevaar mede voor schrijver en zijn gezin. Bij de spoorwegaanslag te Rotterdam in 1942 door de illegale communisten gepleegd, werden als represaille door de Duitsers 5 gijzelaars neergeschoten. Hieronder bevonden zich de beste Nederlanders en ook twee persoonlijke kennissen van schrijver, heeft schrijver zich dusdanig verzet en tegen herhaling gewaarschuwd, dat dit niet meer is voorgekomen. Hij heeft aangevoerd, dat men het communisme niet kan bestrijden door mensen dood te schieten, die door de communisten altijd als hun vijanden werden bestreden. Dit, en ook, dat verschillende andere personen bij de Duitsers bleven ageren tegen hem, bracht mede dat schrijver in het laatst van 1942 dringend om herroeping van zijn opvordering vroeg, wat tot gevolg had, dat er een zeer gespannen houding ontstond tussen hem en de Duitsers Lange en Knorr, zodat hij ernstig vreesde, naar een concentratiekamp te zullen worden gestuurd. Meermalen had de Duitser Lange hm reeds met arrestatie bedreigd. Tengevolge van genoemde omstandigheden ontstond bij schrijver een geweldige zenuwspanning waardoor hij weinig sliep en wederom een aanval van hevige zenuwekzeem kreeg, zodat hij enige maanden thuis moest blijven. Eerst in begin 1943 was hij dusdanig hersteld, dat hij zijne politie-arbeid kon hervatten. Hij was toen niet meer bij Lange ingedeeld., doch de Sturmbannführer Schreiërder eiste hem op voor arbeid bij de Untersturmführer Lutkenkus, waar hij onderzoeken moest doen naar de antecedenten van meisjes, die met S.S. mensen (soldaten) gingen huwen. Bij deze Duitser werden geen arrestaties verricht, doch het bleef bij zuiver informatorische onderzoekingen. Na korten tijd werd schrijver bij Schreiërder geroepen, die hem inlichtte over de bestaande illegaliteit en vertelde daarbij dat deze groep vanuit Engeland werden bewapend door middel van de z.g. “Droppings”. Hij onderrichtte dat de mensen in het bezit van deze, van Engeland afgezonden, voorwerpen, aangetroffen hun leven zouden verspelen, daarom had hij in de illigaliteit vertrouwensmensen, die hem inlichtten over wapenzendingen, zodat hij de droppings kon opvangen en zuiver preventief kon werken. Hij wees op een circulaire van 10 Januari 1941, Index 328, gericht aan de Procureurs-Generaal, fgd. Directeuren van politie, de Inspecteurs de Marechaussees, en de Rijksveldwacht en de Hoofden der plaatselijke politie, welk rondschrijven was gevoegd, bij de circulaire van 18 October 1941 verzonden door de Secretarissen-Generaal van het Departement van Justitie, van de Departementen van Binnenlandse Zaken, van Handel Nijverheid en scheepvaart, welke bekend zijn en door schrijver kortheidshalve woordelijk worden vermeld. Voorts wees hij er op dat de z.g. ondergrondse in strijd was met de internationale bepalingen betreffende gedragingen van de bevolking van een bezet land en op de verplichtingen van de politie ten opzichte van de bezettende macht. Verder zeide hij dat ik met geen enkel woord over dit werk dat hij “Vier E Spiel” noemde mocht spreken en dat hij zou worden “erledigt” indien schrijver dit wel zou doen. Zijn beslissing was dat schrijver bij Lutkenhus bleef werken doch bij tijden in de nacht zou worden ingedeeld in dat IV E spel. Schrijver heeft zich nog verzet, maar toen Schreiërder hem zeide dat er geen weg terug was, begreep schrijver, dat hij nu hij de wetenschap droeg, hij niet meer zich kon onttrekken zonder te worden geliquideerd. Nogmaals vraagt schrijver om een mild oordeel, over zijn zwakheid. De moeilijkheden door hem reeds geschetst waren juist wat geluwd, tweemalen hij een zenuwinstorting gekregen, hij had zijn vrouw beloofd bij haar te zullen blijven en ook was hij onevenwichtig geworden, doordat hij van alle zijden zag, dat zijn superieuren met de bezettende macht samenwerkten en voor de minderen zowel mondeling als schriftelijk opdrachten en bevelen gaven. Hij had niet anders begrepen, dan hij zou medewerking verlenen, ter voorkoming van sabotage, moordaanslagen en dergelijken. Dit kon toch niet anders dan in het belang zijn van de openbare orde en veiligheid, dus ten voordele van het Nederlandse volk. Hij zag het gevaar voor de fusilering van gijzelaars verminderen. Dit alles had op zijn zwakke zenuwen een invloed waaraan hij zich kon onttrekken. Bovendien moest hij zorgen dat zijn mensen, wier bescherming hij beloofd had, blijven verdedigen bij elke mogelijke aanval. Zijn verdwijning zou aan enige mensen het leven kunnen kosten. Hij kreeg bevel om mede te gaan en ging mede. Hij werd bij een commando ingedeeld en ging naar de afgelegen plaatsen op de heide. Soms wist hij niet eens in welke gemeente. Er werden des nachts containers afgeworpen. Hij kreeg opdracht te tellen en waar te nemen waar zij vielen. Hij moest helpen zoeken, de valschermen samen vouwen en opbergen in de vrachtwagen die intussen was gehaald. Tientallen malen werd er gewacht op plaatsen waar niets kwam. Soms driemaal in de week één nacht voor niets er uit. Later als meerdere plaatsen gelijk waren gemeld als zoude daar instructeurs voor de illegaliteit afspringen, moest hij ook daarheen mede, doch nooit alleen, altijd waren er ingewijde Nederlanders bij. (Hij vraagt verontschuldiging dat hij geen namen kan noemen. Het doel van dit geschrift is niet anderen verzwaren, doch zichzelf verlichten door een verklaring. Bovendien schreef hij voor de P.R.A. Den Haag een informatorische mededeling waarin de feiten juist zijn vermeld, doch ook daarin heeft hij zich met namen van personen vergist.) Hij verklaart thans en ook vroeger dat hij heeft medegedaan onder de door hem geschreven omstandigheden. Hij ging misschien 20 keer mee. De helft ervan was los alarm. Hij kreeg slechte afwerp plaatsen. De beste plaatsen waren reeds bezet door beproefd personeel. Zoals in alle zaken was hij slecht reserveman zonder eigen wil en zonder initiatief. Een rol heeft hij niet gespeeld, doch slechts aan gegeven bevelen voldaan. Tot heden weet hij niet of hij een Duitse of een Nederlands belang heeft gediend. Hij heeft alleen grote wroeging dat hij zover is gekomen, vooral nu hij heeft ondervonden dat dezelfde Schreiërder die toen zo mooi koon praten, voor het Bijzonder Gerechtshof te ’s-Gravenhage in strijd met de waarheid getuigde en schrijver door onjuistheden zwaar belastte. Schreiërder doet nu voorkomen alsof hij zo buitengewoon goed de zaken had georganiseerd en alsof hij een onovertroffen politieman is, doch hij heeft heel veel geluk gehad. De onder hem dienende mensen moesten maar zien, hoe zij de met grote fantasie aangegeven lijnen volgden. Het grote gevaar was dat Schreiërder wel aan zichzelf en aan zijn zaken dacht, maar niet aan zijn ondergeschikten dacht. Vooral niet als zij Nederlander waren. Meermalen moesten zij zelf aan hun eigen veiligheid denken. Als Schreiërder hen niet meer nodig had, gaf hij via zijn IV E spel een bericht door naar Engeland dat zij moesten worden doodgeschoten. In de zomer van 1943 reed een Comonado uit Rotterdam weg en passeerde om 7½ uur in de morgen de Laakbrug in Den Haag om schrijver neer te leggen. Het was bekend dat hij elke morgen om 7¾ uur zijn woning verliet en door een toeval heeft hij dat dien dag niet gedaan. Dit redde hem zijn leven. Nooit hebben zij geweten dat de bron van hun opdracht Schreiërder … (slecht gekopieerde halve zin) … bruikbare en totaal geschikt bevonden krachten door Schreiërder heel zuinig werden bewaard. Mag schrijver het een eer achten dat hij door hem wel werd prijsgegeven? Schrijver heeft nooit het volle vertrouwen der Duitsers bezetten nog minder achter hen gestaan. Zijn houding moet hun tweeslachtig hebben geleken, waarbij kwam het voortdurend gestook tegen hem van N.S.B. zijde. Het vergift van “hij is niet te vertrouwen werd nog steeds gretig ingenomen. Alles wat schrijver deed werd nauwkeurig bekeken. Hoe voorzichtig hij ook was, tegen wantrouwen kon hij niet opwerken. Alles werkte voor hem als een rem, hij acht zich er gelukkig om, daar hij juist daardoor voor nog groter “inzet” werd bewaard. Schrijver kan alleen zeggen, dat alles wat hij voor Schreiërder in het z.g. IV E spel heeft gedaan een schijnbare juridische juistheid had, met welke schijn hij toen zijn geweten in slaap heeft gesust. Daarbij kwam de vrees voor gevaar voor eigen leven. Dit zelfde geldt ook voor de droevige zaak welke zich te Helvoirt heeft afgespeeld. Voor een juist begrip voor de houding van schrijver vraagt hij in de geschiedenis enige maanden terug te gaan. Het was in de zomer van 1943 tot hij opdracht van de Duitsers kreeg om met de Nederlanders Moot en Eijsink mede te gaan naar Bergen op Zoom alwaar twee woningen moesten worden bezet. De leiding was in handen van de Duitser Auerhammer. Deze ging met Moot naar één woning terwijl hij aan Eijsink en schrijver een andere woning aanwees, die tijdelijk moest worden bezet om te zien welke personen daar aanliepen.. In verband met te voren gedane arrestaties, door de Duitsers buiten het weten van schrijver en zonder zijn medewerking, waren daar personen gearresteerd, zo dat de Duitsers daar nog “aanloop” verwachten. In de aangewezen woning waren politiemensen aanwezig die door schrijver werden afgelost. Na korte tijd in deze woning te hebben verbleven, kwam Auerhammer schrijver en Eijsing bezoeken. Hij zeide, dat wij in de andere woning maar moesten komen eten, want er was genoeg. Dit is bij toerbeurt geschied. Bij deze gelegenheid merkte schrijver dat in die woning ook verschillende personen van de Duitse weermacht kwamen. Auerhammer liet hem zien de enorme voorraden levensmiddelen in blik en vertelde dat alles zou worden overgebracht naar het Duitse Rode Kruis. Zodra de woning werd verlaten kon het niet onbewaakt achterblijven. Hij vertelde dat wij allen wel wat eten konden krijgen omdat wij thuis niet te veel hadden naar hij veronderstelde. Zo zette hij voor allen een portie levensmiddelen afzonderlijk dat wij bij het naar huis terugkeren konden mede nemen. Zelfs gaf hij ons een oude koffer waarin alles kon worden verpakt. Behalve dit alles was in de woning aanwezig (naar schrijver later vernam) een doosje kostbaarheden en een postzegelverzameling. Deze kostbaarheden werden bij wisseling van de wacht steeds door een Duitser van een Duitser overgegeven. Het doosje was op slot en de Duitser was in het bezit van het sleuteltje. Na enige dagen in Bergen op Zoom te hebben vertoefd kreeg schrijver de opdracht naar Den Haag terug te keren. Gezamelijk gingen wij terug en elk nam mede wat hij van Auerhammer had medegekregen. Schrijver vond nog een halsketting en gaf die aan Auerhammer, doch deze zeide neem maar mee. Er wordt de nadruk opgelegd dat deze halsketting geen cent waarde had en voor enkele guldens te koop is. Kort na deze bezetting in Bergen op Zoom kwam de gearresteerde familie terug en deze miste verschillende zaken, waarover zij bij de leider van de Duitse Politie in Den Haag heeft geklaagd. De Duitser Dose kreeg het onderzoek en ofschoon er zes personen in die woning waren geweest, behalve de Duitsers die daar zo maar eens waren komen aanlopen, werden 4 Nederlandse Politiemannen gearresteerd die werden beschuldigd van deze diefstal. Hierbij was natuurlijk schrijver. Het gehele onderzoek bleef negatief behalve de halsketting. Over de levensmiddelen werd niet gesproken. Voor dit onderzoek zat schrijver van 1 December 1943 tot 12 Juni 1944 in arrest eerst in de cellenbarakken en later in de strafbunker te Vught. Hij werd beschuldigd het kistje kostbaarheden te hebben gestolen. Hij heeft het niet gezien. De postzegelalbum was eveneens weg en ofschoon de Duitsers wisten dat Woldeit deze had gestolen (waarvoor hij ook voor straf naar Duitsland is teruggestuurd) heeft de Duitser Dose, de Nederlander Wijbenga 4½ maand in de Cellenbarakken ingesloten. Het geheel was zo, de Duitsers hadden gestolen. Zij hadden zelfs auto’s vol naar ’s-Hertogenbosch en naar Breda gebracht, doch dat mocht niet bekend worden. Daarom moesten de Nederlanders als bliksemafleiders dienstdoen. Schrijver heeft gedurende zijn gevangenisstraf veel goed gedaan aan medegevangenen. Zijn schuld verviel en het was ondoenlijk voor de Duitsers om dit te bekennen Daarom is men begonnen hem heel goed te behandelen. Eerst zat hij geheel geisoleerd, doch na twee maanden kwam er ontspanning. De Sturmbannführer Deppner heeft zich met zijn geval bemoeid, gaf hem de belofte dat alles weer in orde zou komen. Later mocht schrijver buiten werken met 20 andere gevangenen. Hij had toezicht en kon voor deze mensen veel doen. Twee heeft hij weten te doen ontslaan en voor de rest ging schrijver bij de verzetslieden te Scheveningen brood halen, voorts kreeg hij worst, boter, tabak, zelfs kisten met gebakken vis en gerookte paling. Deze mensen hadden afgesproken, dat zij indien zij konden vluchten het zouden nalaten uit sympathie voor schrijver. Dankbetuigingen hierover zijn in schrijvers dossier. Helaas werd ook dit verraden en schrijver werd naar Vught gebracht en in de Strafbunker opgesloten. Hij maakt nog opmerkzaam dat hij zelf niet vluchtte omdat hij aan Deppner zijn erewoord had gegeven. Deze daar en tegen had schrijver beloofd alles voor hem en zijn gezin te doen. Later is schrijver gerealbiliteerd en bij de Politie teruggekomen. Na het ontslag uit Vught is schrijver naar huis gegaan in afwachting van zijn rechtsherstel. Na enige dagen kreeg hij een oproep bij Schreiërder te komen. Denkend dat dit in verband met zijn terugstelling bij de Politie was ging schrijver er heen. Er was een bespreking waaraan ± 20 mensen deelnamen. Schreiërder legde uit, dat een groep illegalen bij Vught een dropping hadden georganiseerd. De V-man Breed had hem dit medegedeeld en “speelde” d….rin. In een schuur bij Helvoirt zouden zij samen komen en worden gearresteerd. Elk der aanwezigen had hij een taak toegewezen. Schrijver zou alleen daar aanwezig zijn, om bij eventuële navraag de mensen naar de volgende te verwijzen. Breed zou de mensen in Helvoirt afhalen en naar de schuur brengen. Indien nu bij de schuur aan schrijver zou worden gevraagd “Wat is er te doen?” dan had hij alleen te antwoorden “Ik weet van niets, de chef is binnen”. Dit was zijn gehele opdracht. De Duitsers waren in de schuur verborgen achter de balen stroo. Om de schuur heen lagen drie gewapende posten met de opdracht, dat iedereen, die van de schuur vluchtte zou worden neergeschoten. Schrijver werd, evenals anderen langs een omweg naar de schuur gebracht. Terstond na de uitlegging van Schreiërder werd hij door twee Duitsers (Hertlein en Blädgerste) medegenomen naar Vught waar hij onder toezicht bleef. In de kamer van Commissaris Harders werd hij voorgesteld aan Breed, die hij niet kende en ter voorkoming van moeilijkheden. Toch van de komende mensen moest kunnen onderscheiden. Alvorens te vertrekken heeft schrijver een kort onderhoud gehad met Schreiërder. Hij heeft hem verwijtend gevraagd, waarom hij schrijver in deze vuile zaak heeft betrokken. Hij had toch al moeilijkheden genoeg gehad. Schreierder antwoordde er is een nieuwe chef (Dr. Harster was vervangen door Naumann en deze was niet gemakkelijk) en schrijver moest bij de politie terug “dus als dit in Helvoirt klopt, dan klopt alles”. Het is nu alles duidelijk, men kon van Duitse zijde niet tegen Naumann zeggen, de Duitsers hebben gestolen, wij wilden dat niet weten, dus hebben wij vier Nederlanders de schuld gegeven, wij kunnen dat niet volhouden, en nemen de Nederlanders terug. Neen er moest gedaan worden alsof schrijver schuldig was en onder die schuld zich opnieuw inzette en zo verdiende te worden gerehabiliteerd. Schreiërder zeide aan schrijver, je kan niet terug, je weet nu van alles en van tweeën één, je gaat mee of je wordt ingesloten en je komt nooit meer vrij. Schrijver was twee dagen thuis, had moreel en lichamelijk zwaar geleden, vond bij terugkomst in zijn woning een onteerde vrouw en hij was geheel geslagen. Wie zal toch ooit het leed kunnen beschrijven, dat iemand ondervindt, als hem het liefste en het dierbaarste op zo’n manier wordt ontnomen. Alleen hij die dit zelf ondervonden heeft, weet dat het pijn doet als je hart langzaam in stukken wordt getrokken. Schrijver heeft zijn reeds gebogen hoofd nog dieper laten zinken en is medegegaan. Hij was juist begonnen zijn verscheurd gezin bijéén te rapen en een nieuwe verwijdering zou het geheel onherstelbaar maken. De liefde van schrijver voor zijn vrouw, gegroeid in een goed huwelijk van 28 jaar en de wetenschap dat door zijn eigen schuld zijn vrouw alleen kwam te staan tegenover een schurk bracht hem er toe te vergeven en opnieuw met zijn echtgenote te gaan samenwonen. Schrijver voelde maar al te goed, dat zijn eerste fout van zwakheid om medewerking te verlenen aan de Duitsers dit alles tot gevolg had. Oordeel zacht toen hij zijn hoofd boog. In de Helvoirtse zaak heeft hij schuld, doch niet meer, dan dat hij is medegegaan. Hij heeft bij de deur gestaan en gewacht tot Breed zijn slachtoffers bracht. Toen hij ze op de landweg zag aankomen en de Duitsers in de schuur wat rumoerig waren, wist hij niet beter te doen, dan hen te waarschuwen door een steen tegen de schuur te gooien. Niet om het werk te vermakkelijken maar om zijn eigen veiligheid. Hij kwam alleen te staan tussen 14 mensen die hij gewapend veronderstelde. De mensen werden door Breed in de schuur geleid en daar gearresteerd. R werd geschoten en er vielen twee doden.. Schrijver was buiten en vluchtte in een droge sloot voor dekking van de kogels die op enige centimeters afstand van hem door de schuurwand vlogen. De arrestanten zijn vervoerd en verhoord. Schrijver heeft er niets aan gedaan en het verloop der zaak hoorde hij jaren later van de P.R.A. Op 1 Juli 1944 werd schrijver bij de politie teruggeplaatst. Hij kreeg zijn rang en ingehouden geld terug. Hij kwam in Rotterdam en werd ingedeeld bij de moordcommissie. Bij elke gepleegde moord kreeg hij met enige andere politiemensen het eerste onderzoek onder leiding van Commissaris van der Schatte Olivier. (In het laatst van 1944 te Staphorst in een droge sloot gevonden doorboord met kogels) Hij bleef te Rotterdam tot begin 1944 en had in korte tijd tien politieke moorden onderzocht in Rotterdam en omgeving. Op genoemd tijdstip kreeg hij van Schatte Olivier de opdracht naar huis te gaan en zijn vrouw in veiligheid te brengen. In den Haag kreeg hij de zelfde opdracht van Deppner. De geruchten komende uit Frankrijk, België en Zuid Nederland, hoe achter het front in de bevrijde gebieden werd gehandeld hadden de leiding der politie doen besluiten alle personen naar het oosten te verplaatsen. De vrouwen van de politiemannen zouden in Westerbork blijven en de mannen zouden achter de IJssellinie te werk worden gesteld. De rest ging naar Duitsland. Schrijver heeft eveneens zijn vrouw naar Westerbork gebracht, want als hij achter de IJssellinie zou worden verplaatst, wilde hij zijn vrouw niet alleen in Den Haag achterlaten. Toen hij na drie weken de opdracht kreeg zelf ook naar Westerbork te gaan vond hij zijn vrouw niet meer, doch deze was met de anderen naar Duitsland gebracht. Niemand wist haar verblijfplaats. Nu was hij wel zo ingesteld om direct terug te gaan, doch dan zou hij nooit zijn vrouw terugvinden. Dit was alleen mogelijk door middel van de Duitsers. Daarom is hij toen tegen hen aan blijven leunen. Hij werd door het Directoraat-Generaal van Politie geplaatst in Almelo. Hij werd leider van een kleine recherchegroep van drie man om te waken tegen moord, sabotage en gewapende overvallen. Met de Duitsers had hij niet te maken., dezen zouden alleen zorgen voor onderdak en voor eten. Dit is geschied. Het eten heeft hij per dag aan de Duitsers betaald. Na enige dagen werden de mensen van schrijver opgevorderd om met de Duitsers mede gaan bij arrestaties en bij huiszoekingen. Zij dienden als tolk. Schrijver zelf heeft deze medewerking eveneens verleend. Hij wil hier memoreren dat hij niets op eigen verantwoording heeft gedaan. In de zaak Lanckert wilde de P.R.A. hem belasten met de schuld van diens dood. Hij blijft bij zijn onschuld en vraagt om het lijk van Lanckert te laten opgraven en onderzoeken, dan zal worden vastgesteld dat de dodelijke kogel het hoofd Lanckert van onder de kin tot de kruin heeft doorboord. Aan elke schedel is vast te stellen of een kogel van onder naar boven of omgekeerd de schedel heeft doorboord. Bovendien zal duidelijk worden dat het hoofd is doorboord met een kogel van 9 m.m. (het legerpistool van Lanckert) terwijl schrijver een revolver had met caliber 7.35 m.m. In deze aangelegenheid vielen behalve Lanckert ook de Duitser Bügner en de Nederlander van Blankenstein, die beiden door Lanckert werden doodgeschoten. Schrijver stond op ± 1,50 Meter afstand en werd door een wonder gered. De dodende kogel trof niet hem maar de post van de deur. Omdat hij de derde persoon was waarop werd geschoten, had hij, ondanks alles vlug ging tijd gehad om zich te verplaatsen. Hardegen pl.v. chef der Duitsers te Almelo, wilde voor dit voorval tien mensen ter zelfde plaatse laten fusileren. Schrijver; de enige levende getuige van het gebeuren, heeft zodanig bij den Chef Gerbig gesproken, dat deze tien mensen niet werden doodgeschoten. Een schrijven van Gerbig hierover bevindt zich in het dossier van Schrijver. Ook in Almelo heeft hij niet met V.mannen gewerkt of zelf zich als zodanig laten verlagen, doch uitsluitend de bevelen van de Duitsers volbracht voor zover hij zich daaraan niet kon onttrekken. Hij deed dit, zoals hij reeds heeft gezegd, met het doel het adres van zijn vrouw te ontdekken. Dit is hem gelukt en toen hij zijn vrouw in Winschoten veilig wist heeft hij haar gehaald en bij zich genomen. Kort daarna is zij naar Groningen gegaan en is schrijver uit Almelo gevlucht, doch werd in Assen door de Nederlander Pegels en de Duitser Petrie gearresteerd en in het huis van bewaring opgesloten. Hij zou de andere dag worden doodgeschoten, doch daartoe hebben zij blijkbaar geen tijd gehad. Zij hadden betere zaken te doen. Een dag voor de bevrijding van Assen is Schrijver door de Nederlander Koene uit het huis van bewaring gehaald en is hij naar Groningen gegaan. Daar ontmoette hij wederom zijn vrouw en gezamelijk is hij met haar per rijwiel naar Den Haag teruggekeerd. Hij heeft zich bij de Nederlandse politie gemeld, doch was dusdanig overspannen dat hij geen dienst kon doen. Op 7 Mei 1945 werd hij wederom gearresteerd en in de cellenbarakken ingesloten. Wat nu gaat volgen is on-Nederlands maar niet minder waar. In de cellenbarakken werd hij met twee anderen ingesloten in een cel waarin alles ontbrak. Twee moesten op de grond slapen omdat er maar een brids was. Onze celgenoot Keizerwaard had luizen. Dit werd gemeld, doch er werd niets aan gedaan. Eerst in November 1945 werd hij ontluist. In enkele dagen zaten wij alle drie dusdanig onder de luis, dat wij des avonds soms van één persoon 100 of meer wegvingen. Er was geen schoongoed en er werd de eerste weken niet gebaad. Eten was zeer onvoldoende en was bepaald op 200 Gram brood per etmaal. Later kwam er meer brood en ook middageten. Overdag werden wij uit de cel weggehaald om buiten verschillende werkzaamheden te doen. Dit was geen bezwaar maar het was zo moeilijk omdat onze maag leeg was. Langs de weg aten wij stukken brood en ander voedsel dat was weggegooid. Als onze bewaarder het zag, moesten wij het uitspuwen en voor straf een uur exerceeren en hardloopen, soms tot wij er bij neervielen. Het duurde enige maanden voordat de zaken een weinig waren geregeld. Een paar opdonders waren niet denkbeeldig en werden zonder reden gegeven. Des avonds werden hier en daar persoonlijke wraaknemingen gedaan. Dan hoorden wij naar mensen vragen en zeggen “Ja, die moet ik hebben, daar heb ik nog wat mee te vereffenen”. Dan gingen er cellen open, er werd gevloekt en gescholden, dan hoorden wij klappen vallen en mensenlichamen op de grond neerploffen. Een man heeft langen tijd in de gang gelopen, heel hard, overal stonden bewaarders of (en) personeel van het kantoor en telkens als de man passeerde, kreeg hij er een paar om tot grotere spoed aan te zetten. Tenslotte is de man van vermoeidheid gevallen en tegen een deurknop terechtgekomen. Hij werd naar zijn cel gesleept en de andere dag hoorden wij dat hij naar de S.G. (Strafgevangenis) was gebracht. Aan zulke gebeurtenissen raakten wij gewend. In Juli 1945 werd schrijver eveneens naar de S.G. gebracht. Zijn fouillering ging mede. Hierbij was nog een bedrag aan geld van 135,50. In de S.G. aangekomen moest hij alles wat hij bezat in een mand gooiën. Jas, overhemd, boord, das, trouwring, sierring, zakdoek, en haarkam alles verdween in die mand n hij heeft nooit iets teruggezien. Zijn fouillering bleef daar eveneens. Hieronder was een gouden vulpenhouder met inscriptie gekregen van Minister Snowden in Engeland een vulpotlood met gegrafeerde handtekening van Hoofdcommissaris van’t Sant, portmonnaie, portefeuille, zilveren sigarenaansteker gekregen bij jubeleum 25 jaar bij de politie en bij die zelfde gelegenheid gekregen armband horloge, zwitsers ancre. Toen hij later naar Almelo ging werd hem gezegd, dat de begeleidende ambtenaren de fouillering bij zich droegen. Op zijn vraag wat er allemaal was, kreeg hij ten antwoord “Daar zullen je erfgenamen binnenkort om twisten”. In de S.G. werden wij eveneens met drie man in een cel gedaan. Wat daar is gehoord zou een apart boekwerk zijn indien schrijver de kunst zou verstaan om boeken te schrijven. Er werd de eerste tien dagen bijna geen eten verstrekt. Wat warme koffie of thee en 10 of 12 stukjes cake, ter grootte van 2 bij 1½ c.Meter. Elke avond kwamen heel of half dronken personen in de S.G. Die stelden zich op in het centrum der 4 vleugels en zij speelden daar G.P.U.tje. Er werden mensen uit de cellen gesleurd, voorgeleid en ondervraagd. Er werd geslagen dat wij de klappen in de cellen hoorden. Iemand die daar was verhoord kwam in dagen niet op de luchtplaats. Er hebben nog meer scenes plaats gehad, doch het walgt schrijver om er over te schrijven. Er waren vrouwen die zich kwamen vermaken met ontklede arrestanten en schepten behagen in zware mishandelingen. Het was ongeveer 31 jaar geleden dat schrijver zijn eerste lessen kreeg in het Nederlandse recht. Ruim 31 jaar was hij politieman en hij was er trots op, omdat de Nederlandse ambtenaar een wereldnaam had betreffende, onomkoopbaarheid, ontwikkeling, fatsoen en correctheid. Nooit heeft hij kunnen geloven dat dit in Nederland kon plaats vinden. Hij heeft niet veel gezien doordat de celdeur dicht was, maar wat werd gehoord aan slagen en aan geschreeuw van pijn en angst heeft genoeg hem doen begrijpen. Eerst in Augustus werd het beter. Er kwam officiële Nederlandse bezetting met gevangenbewaarders. Er werd op tijd gelucht, aan sport gedaan, voldoende en goed eten gegeven, schoongoed uitgedeeld en onze baard van ruim een maand oud werd geschoren. De behandeling werd Nederlands. Er is nog weleens wat voorgevallen als er één werd verhoord, maar langzaam liep het naar de normale lijnen. Begin November 1945 werd schrijver naar Almelo overgebracht. Naar men zeide voor twee weken om daar inlichtingen te geven. Het transport verliep normaal, behalve dat op zijn erfgenamen en zijn spoedige dood werd gezinspeeld. In het huis van bewaring te Almelo werd hij ontvangen door de bewaarders Hoeve en Veldhuis. Na een korte inleiding van Veldhuis waarin hij mededeelde dat schrijvers bloed , G.v.D. in Almelo zou vloeiën, dat hij er voor had gezorgd, dat de naam van schrijver in Almelo stonk enz: werd hij gebracht in de fouilleerkamer waar hij met Veldhuis en Hoeve allen bleef. Bij het doorzoeken van de kleeding van schrijver werd niets gevonden dan een oude doek (deed dienst als zakdoek) een kerkboekje en een Rozenkrans. Dit was voor Veldhuis aanleiding om met grote kracht met zijn vuist op schrijvers aangezicht te stompen zodat hij bij iedere stomp tegen de grond viel. Veldhuis schold voor vuile schoft, Ploert en schurk, wilde jij nog bidden en dergelijks moois meer. Toen hij zich buiten adem had geslagen en schrijvers gelaat aan alle zijden begon op te zetten, moest schrijver zich naakt uitkleden en geheel naakt in een badcel blijven, totdat de kleding was onderzocht. Daarna werd hij door de zelfde bewaarders in een z.g. strafcel getrapt. Deze cel is een ijzeren kooi in een cel. Zij staat in het midden van een normale cel en is ongeveer 1,90 bij 2- Meter groot. Er was niets in dan een houten brits, ton en waterkruik. Terstond na het binnengaan van Schrijver traden Hoeve en Veldhuis binnen, gevolgd door de bewaarders Pasman en Bonthuis. Zonder inleiding greep Hoeve schrijver bij de haren, trok daaraan met twee handen en uit volle kracht, zodat plukken haar aan zijn vingers bleven hangen. Op de grond vielen plukken haar ter breedte van een sierveer van een hanenstaart. Door de kracht van dit rukken en trekken ging het hoofd van schrijver naar omlaag en Veldhuis wachtte daar blijkbaar op, want dan plaatste hij met zijn vuisten z.g. “uppercuts” op het gelaat van schrijver. Terwijl dit alles geschiedde sloegen Pasman en Bonthuis onophoudelijk met gummistokken op de rug en ander trefbare delen van schrijvers lichaam, behalve het hoofd want dan had hij de handen van Hoeve geraakt, die maar steeds voortging het hoofd gewelddadig te plukken. Schrijver kan onmogelijk aangeven hoelang deze mishandeling heeft geduurd, het leek hem een eeuwigheid toe. Zelfs toen hij geheel machteloos was geslagen en zijn weerstand voelde verdwijnen, vond Hoeve het nodig om te gaan schoppen en trof schrijver meermalen tegen de onderbuik zodat schrijver van pijn ineen kromp en onder de kreet “O grote God” op de vloer ineen zakte. Hij heeft nog waargenomen dat de kantoorambtenaar De Jager bij de deur der cel op de uitkijk stond. Deze heeft de gruwzame mishandeling bijgewoond en bracht later een zakdoek om het rechteroog van schrijver te betten. Dit oog was er half uitgestompt door Veldhuis en bloedde hevig. Schrijver is op de grond blijven liggen omdat hij de kracht miste om op te staan. De pijn die hij heeft geleden is door geen pen te beschrijven. De andere morgen heeft schrijver om de dokter en om de directeur gevraagd zonder enig resultaat. Ook de volgende dagen kreeg hij nog de dokter noch de directeur te spreken. Telkens opnieuw kwamen er ambtenaren van de P.R.A. en mensen die zich noemden illegalen bij schrijver zien, hem uitlachen, uitschelden en vervloeken. Bij zulke gelegenheden toonden de zelfde bewaarders, zij het dan niet steeds alle vier gelijk, hoe edel en braaf zij waren door schrijver door de cel te slaan, te schoppen en te stompen. Enige malen is deze cel aangedweild Zoveel bloed lag er. Dit heeft vier dagen in op- en neergaande heftigheid geduurd en schrijver was de waanzin nabij. In een vlaag heeft hij een intussen aan hem verstrekte handdoek aan stukken gescheurd en getracht zich te verhangen. Steeds weer was de strop gebroken en werd hij op de grond wakker. Het lukte hem niet en toen werd hij zo angstig dat zijn beulen weer zouden komen, dat hij een gilletemesje nam uit de rand van zijn hoed in het lint verborgen en zich daarmede de linker polsader doorsneed. Hij liet zich leegbloeden in de waterkruik. Plotseling hoorde hij iets aan zijn deur en hij greep een doek wond dit om zijn pols en trachtte op te staan. De celdeur ging en Hoeve trad binnen met een P.R.A. rechercheur. Schrijver meent dat het Bosman was. Er werd over een zaak inlichtingen gevraagd. Er werd naar vermogen geantwoord, want schrijver stond te waggelen op zijn benen. Hoeve meende dat er onwil in het spel was en zou dat er eens even uittrappen. Terwijl hij dit zeide, pakte hij schrijver bij de verbonden linker pols en begon te schoppen., zo dat schrijver als een tol om Hoeve heenliep. Plotseling hield Hoeve op want hij zag een straal van schrijvers bloed op de grond lopen en ook zijn hemd zag geheel rood van het bloed. Hij had de polsader nog verder opengetrokken zodat deze heviger ging bloeden. Het stuk doek werd weggerukt en toen zag Hoeve wat hij had gedaan. Onmiddellijk vloog hij weg en haalde verband waarmede hij schrijver voorlopig verbond. De waterkruik was ook omgevallen en een hoeveelheid bloed van ± 1½ Liter lag op de grond. Hoeve was werkelijk geschrokken en wist hij niet wat hij moest zeggen. Op de vraag van schrijver om een dokter haalde hij de brigadier verbandmeester, die verder voor de verbinding zorg droeg. Het geheel werd met watten opgevuld en daarna verbonden. Alles werd uit de cel gehaald en toen Hoeve van de schrik was bekomen haalde hij een paar ijzeren machetten, deed deze om de polsen van schrijver. Deze machetten waren met een dikke ketting van ± 1 Meter aan elkander verbonden, zij werden dichtgeknepen en met een hangslot gesloten. Deze zware ijzeren machet ging ook om de gewonde pols en paste niet, doch Hoeve kneep de machet dicht tot zij paste. Als schrijver liep met de handen ter hoogte van de borst, dan sleepte het ondereind der ketting op de grond. Diezelfde dag kwam de directeur Huisman schrijver bezoeken. Bij hem heeft hij zich ernstig beklaagd, doch de directeur zeide “Ik kan niet anders handelen voor mijn personeel”. Later hoorde schrijver dat hij werd gechanteerd en boter op zijn hoofd had. Een dokter kreeg schrijver niet te zien. Na deze wanhoopsdaad bleef de lichamelijke mishandeling achterwege en volstond men met schelden en beledigende opmerkingen. Veldhuis zeide meermalen “Je was ons haast ontkomen en dat zou jammer zijn geweest. Je zult worden doodgeschoten”. Op een morgen vroeg schrijver evenals elke dag om een dokter. De bewaarder heet Berg. Nadat hij had gezegd, dat hij het zou opschrijven doch dat hij twijfelde of het zou helpen, vroeg hij “Je bent toch Katholiek?” en toen hij een bevestigend antwoord kreeg zeide hij “Het is hedenmiddag biechthoren en ik zal je opschrijven voor Kapelaan Bodde”. Dezen heeft schrijver alles verteld en na dit onderhoud kwam de directeur hem zeggen dat hij de volgende dag naar de gemeenschap zou gaan hetgeen ook is geschied. Hij kwam in een cel bij twee anderen. Een er van Gert Bakker was celspion voor Hoeve en Bonthuis. Hij zette schrijver aan het schrijven van brieven en tot poging om te vluchten. Voor beide had hij een weg. Schrijver is er niet op ingegaan want hij kende het kunstje van poging tot vlucht en kogel in de rug. In plaats van 14 dagen naar Almelo om inlichtingen te geven, werd het tien maanden. De herinnering moest vervagen en de wonden wat helen. Het hoofd van schrijver was zo vol builen en wonden, dat Hoeve die hem wilde doen kaalknippen, dit eerst op 24 December 1945 kon laten doen. Toen was de huid zodanig normaal dat de knipmachine er door kon. Op de 1e Kerstdag ging schrijver met een gemillimeterd hoofd naar de kerk. Schrijver haalt dit alles alleen aan, om te tonen dat de bewaarders deden wat zij wilden, want het kaalknippen was toen allang verboden. Gedurende hunwandaden werd de directeur door hen weggestuurd “Ga maar wat wandelen in het bos en neem je zoontje maar mee”. Schrijver bleef tot begin September 1946 in het huis van bewaring te Almelo. Hij werd van de zwaarste misdrijven beschuldigd. Er was een strijd ontstaan tussen de P.R.A. te Almelo en te Den Haag over de vraag wie hem zou voordragen aan het Gerecht en beide instituten deden hun uiterste best om schrijver “zo zwaar mogelijk te maken”. Almelo had het grootst belang er bij hem te houden want zij moesten hem niet alleen voor het bekend worden van de mishandelingen, doch schrijver had hen medegemaakt tijdens de Duits bezetting en hij wist hoe zij in dienst van de vijand hunwerk hadden verricht. Hij kreeg gedurende boven omschreven tijd geen goed woord. Overal werden de gemeenst zaken over hem rondgestrooid, met het gevolg dat hij werkelijk als een zware misdadiger werd aangezien. De mensen die door hem waren geholpen en hun leven aan hem hadden te danken, durfden of wilden niet te zijnen gunste getuigen. Eerlijkheidshalve moet schrijver vermelden, dat Veldhuis de enige was, die aan schrijver zijn spijt heeft betuigd en heeft verklaard, dat hij het nooit meer zou doen. Toen schrijver uit Almelo vertrok en om zijn fouillering vroeg, bleek er niets aanwezig te zijn. Alles was verdwenen. Schrijver verliet dit huis van bewaring met als enig bezit “een veiligheidsspeld”, die hij gebruikte om zijn gekregen en gescheurden onderbroek op de vereiste hoogte te houden. Van Almelo werd hij naar de P.R.A. in Den Haag gebracht. Hier is hij niet mishandeld. Schrijver heeft daar de ambtenaar in alles geholpen, waarvoor hij zes weken bij de P.R.A. verbleef. Hij schreef daar op verzoek van de chef van de P.R.A. zijn informatorische mededelingen, wat inhoud dat hij alles heeft geschreven wat hij wist waarbij hij noch anderen noch zichzelf onnodig heeft verzwaard. Het was alleen een richtlijn voor de onderzoekende ambtenaar, groot 20 getikte vellen papier. Van deze richtlijn is door enkele ambtenaren mis bruik gemaakt, door er stukken uit over te nemen om deze als een getuigenverklaring tegen anderen te doen doorgaan. Dit leidde tot verkeerde conclusies. Schrijver werd bekend op grond van zijn werk van voor de oorlog en toen hij in vele zaken steeds als getuige werd opgeroepen, ging een praatje dat hij “een loenenaar” was. Hiertoe werkte mede, dat schrijver 14 maanden geheel geisoleerd zat, zodat roddelpraatjes gretig konden voortgaan, zonder dat hij zich kon verdedigen. Dit is en was nog zeer pijnlijk en hij leed schade omdat hij bij alles werd overgeslagen. Door de eigenaardige verhouding in de cellenbarakken, waar gevangenen de baas zijn over ander gevangenen, kon er bevoor- maar ook benadeeld worden. Ofschoon schrijver heel goed zijn best heeft gedaan in alle opzichten, kon hij nooit opklimmen tot voorman en werd hij overal buiten gehouden, waar hij niet dringend nodig was. Deze toestand is niet alleen pijnlijk maar er werd door hem ook financiële schade geleden. Hij stuurde minder geld naar zijn vrouw dan anderen en zijn vrouw is ziek en kon het zo best gebruiken. Ondanks alles werd hij op 27 December 1948 door het bijzonder Gerechtshof te ’s-Gravenhage veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Een straf geheel zonder uitzicht en zonder einde. Toch zou schrijver zich zonder meer bij deze uitspraak hebben neergelegd, indien hij alleen op de wereld stond. Doch hij heeft een vrouw, die zenuwziek is en tot geen enkele arbeid in staat is. Hij voelt zich verplicht, binnen de wettelijke grenzen, alles te doen om weer thuis te komen, voor zijn vrouw een steun te zijn in alle opzichten. Hij wil tonen door een correct leven dat hij niet diegene is, die men verondersteld bij het lezen van zijn dossier, dat absoluut subjectief is. De verklaringen van de communisten heeft hij omschreven. Van weerszijden zijn de belangen even groot. De communisten gebruiken hun aanklachten om van hun eigen verraad af te komen. Schrijver heeft niet alleen het recht van verdediging, maar ook het recht om te ontkennen wat hij niet heeft gedaan. De beschuldigingen staan niet één tegen één maar één tegen drie. Elke beschuldiging staat op zichzelf en wordt door één man aangevoerd, doch door drie man onder ede ontkend. Schrijver in de zaak Duivenboden, Lange in de zaak tegen de zelfde verdachte, en Duivenboden in de zaak Lange en van schrijver. In elke zaak werd door de zelfde man één beschuldiging aangevoerd, die telkens werden ontkend door drie man. Verder heeft schrijver aangetoond hoe hij in het geheel en in enkele zaken afzonderlijk werd betrokken. In principe is bij hem geen opzet aanwezig geweest. De richting van zijn wil was steeds gericht op af leiding van mensen, die voor de Nederlandse Regering via schrijver belangrijk werk hadden verricht. Hij wil zich beroepen op overmacht, op ambtelijke bevelen, doch in geen geval wil hij zich schoon wassen in de drek van een ander. Hij heeft in dit verweerschrift slechts die namen genoemd die dringend noodzakelijk waren. Ook de mededelingen over de slechte behandeling moet niet worden gezien als een klacht. Schrijver zou zich schamen te klagen omdat alles in het niet zinkt bij de overweging wat anderen bijzonder de vrouwen de meisjes en de kinderen hebben geleden. Dit alles is genoegzaam bekend. Neen schrijver wil alleen trachten, door zijn betoog, een begrip vormen hoe zwaar hij reeds is gestraft om een mogelijkheid te scheppen voor een “straf in jaren”, zodat er hoop komt dat hij nog eens thuis zijn zieke vrouw mag helpen. Betreffende zijn mishandelingen heeft hij genoemd de Jager als aanwezig getuige. Doch honderden mensen hebben gezien, dat zelfs nog langen tijd na de mishandelingen zijn hoofd en gezicht de sporen droegen van ernstige beschadiging. Hij noemt namen van Arie van den Gever, Gerard Slettenaar, Neubacher, Hollbeck, Geert Bakker, de bewaarder Berg en vele andere bewaarders, de directeur Huisman enz: zodat zijn verklaring wel aannemelijk is geworden. Behalve de mishandelingen heeft hij een zware straf gehad, omdat hij steeds weer celstraf kreeg. Ongeveer 32 maanden zat hij in de cel waarvan 14 maanden geisoleerd. Hij was in totaal 31 jaar bij de politie, kreeg nimmer straf, had een goede staat van dienst en had belangrijk werk gedaan, hij zou nu al ruim 3 jaren gepensioeneerd zijn, hij stond tot 1941 bekend als een fatsoenlijk mens (daarna brak de hel over hem los) in het geheel zit hij, behoudens een kleine onderbreking, ruim 6 jaren in gevangenisschap, zijn vrouw verloor haar gezondheid en is waarschijnlijk onherstelbaar, zij leeft van een kleine ondersteuning, heeft 9 maanden gevangen gezeten, alleen omdat zij de vrouw is van schrijver, ingewijden weten wat vrouwen hebben ondervonden, schrijver zelf is geschokt in zijn zieleleven, elk sexuëel gevoel is er uit geschopt, hij is teruggevallen van ambtenaar met goede naam tot pauper, hij bezit niets meer alles wat hij in 29 jaar huwelijks leven had opgebouwd verdween na zijn gevangeneming en niemand kan een deel van zijn huis raad, de kleren van zijn vrouw en van hem aanwijzen, hij was getaxeerd op f 10,000.- doch verzekerd voor f 8000- en er is geen cent van over.Voorts is het pensioen van schrijver eveneens verbeurd verklaard. Pensioen is uitgesteld salaris door hem zelf betaald. Hij kan zich niet uitdrukken wat hij heeft geleden aan geestelijk leed, aan verwensingen, beledigingen en vervloekingen. Hij denkt aan de miskenning en het wan trouwen, dat hij zo diep voelde, omdat hij van zijn moeder wat zieleadel en persoonlijkheid had medegekregen bij zijn geboorte. Wel wil hij nog vermelden dat hij vele mensen heeft geholpen. Alleen het laatste tijdperk, dat hij in Almelo doorbracht heeft hij zeker 25 personen, dikwijls met gevaar voor eigen leven van een wisse dood gered. Maar ook voor die tijd heeft hij 10 tallen van personen geholpen. Hij wijst er dringend op, dat over hem zoveel klachten zijn in de tijd van 1941/42 en van 1942 tot 1945 niet één. Plotseling houden de klachten over mishandelingen op zodra hij niet met communisten heeft te doen. Dit is zeer op vallend en geeft te denken. Hij merkt op dat hij nooit nationaal socialist is geweest. Reeds voor de oorlog was hij onder een schuilnaam geabonneerd op verschillende nationaal socialistisch georiënteerde bladen. Ook bezocht hij vergaderingen met de zelfde politieke inslag, doch dit alles behoorde tot zijn werk als ambtenaar van de inlichtingendienst. Alles geschiedde met voorkennis van zijn chef, die daartoe opdracht gaf. Er was geen andere reden dan politionele taktiek. Elke bijzonderheid werd door schrijver nauwkeurig gerapporteerd. Dit in hem gestelde vertrouwen heeft hij nooit beschaamd en toen de oorlog uitbrak heeft hij zijn plicht gedaan met verwaarlozing van zichzelf. Tot de laatste seconde bleef hij trouw. Eerst toen Nederland geheel door Duitsland was bezet, H.M. de Koningin en de Regering naar Engeland was uitgeweken achtte hij zich ontslagen van zijn werk, omdat de secretaris generaal van het Departement van Justitie reeds voor de oorlog aan alle politie-korpsen in Nederland per circulaire gepubliceerd in het Algemeen Politieblad, had bekend gemaakt, dat indien Nederland door een vijandige mogendheid zou worden bezet, de Politie automatisch van haar eed van trouw aan H.M. de Koningin zou zijn ontslagen.
Groot Edelachtbare Heer bij het schrijven van dit verweerschrift zijn bij de schrijver vele pijnlijke herinneringen naar boven gekomen en heeft zij hart sneller geklopt en soms zijn hersenen de dienst geweigerd. Toch geeft hij de heilige verzekering dat het niet is de gedachten aan eigen leed en dat der zijnen. Hij heeft wel degelijk gerealiseerd wat anderen, slachtoffers van de Duitse bezetting hebben doorgemaakt. Juist zij die zelf bitter zijn beproefd begrijpen zo juist het leed van anderen. Bij dit doorvorsen voelt hij wat dappere kerels en ook vrouwen hebben doorleefd. Zijn wroeging over gemaakte fouten wordt groter. Reeds voor het eindigen van deze rampzalige oorlog heeft hij een innerlijke grote strijd gestreden. Nu wordt het steeds erger en de tijd van rustige overweging heeft hem gebracht tot de heilige overtuiging dat hij zijn doel ver heeft voorbij geschoten. Hij betreurt diep de bereidheid, welke hij heeft gehad om het door de Duitsers opgedragen werk te vervullen. Hij twijfelt echter sterk of deze spijt zuiver is. Het kan ook nog voorkomen uit de spijt over alles wat hij heeft verloren. Zo graag zou hij de kracht bezitten om uit zuivere liefde voor de gevallen slachtoffers zijn daden te betreuren, hij voelt dat de grote stimulans van al zijn daden is, het verdriet van zijn vrouw dat hij zich verwijt. Om dit goed te maken zucht geheel zijn wezen naar de vrijheid. Maar in zijn innerlijk is een basis aanwezig om weer een goed lid te worden van de maatschappij tot behoud van welke structuur hij zoveel arbeid heeft verricht. Hij wil voor zijn daden boeten, doch hij smeekt om in het eindoordeel een kans te laten om weer opnieuw te leven, zo dat misschien de hoop op vrijheid en hervereniging met zijn vrouw, haar de kracht geeft om gezond te worden. Met nadruk wijst schrijver er op, dat hij geen haat of wraakgevoelens koestert voor hen die hem dit alles hebben aangedaan. Hij weet wel degelijk dat alles zijn oorsprong vindt in eigen morele fouten. Hoe dikwijls heeft schrijver vroeger geen grote mond opgezet, maar het was uitsluitend om die kleine stem van het geweten tot zwijgen te brengen. Hij wist dat hij geheel er naast was en hij bezat noch moed noch kracht anders te handelen. Hij was totaal onmachtig anders te handelen, werd steeds weer van de wijs gebracht door de omstandigheden. Laat 1950, het jaar van boet en vergiffenis, ook een jaar zijn van liefde en van terugkeer naar de echtelijke woningen om gezamelijk te werken tot het heil van Koningin en Vaderland.
’s-Gravenhage, 10 Januari 1950.
Gedaan door Veefkind.
P.S. Dit schrijven is geheel uit het hoofd en zonder medewerking van anderen tot stand gekomen. Schrijver heeft zich onthouden van elke combine of samenwerking. Zijn rapporten moeten op dit gebied ook gunstig luiden. Schrijver wil geenszins beweren, dat hij alles heeft geschreven maar als hij wat heeft vergeten, dan zijn het zaken geweest welke voor hem voordelig waren. Overigens is hij geheel trouw aan de waarheid gebleven en heeft hij zich van overdrijving onthouden.
Veefkind.