Dodelijkste fiets: 586 doden van de Nederlandse Volksmilitie en Hollandia-Kattenburg

Inleiding

Het verhaal van de fiets gaat over een van de grootste drama’s in Nederland bij de vervolging van verzetsmensen en de Jodenvervolging. In dit geval gaat het om communistische verzetsmensen en Joden die verdacht werden van communistische sympathieën. Bij beide groepen gaat het ook om antisemitische acties. Bij de vervolging van de communisten werd de moordlust van de politie aangedreven door de anticommunistische en pro-fascistische houding van de vooroorlogse christelijk-liberale Nederlandse regeringen.

De oorsprong van het drama ligt in de Spaanse burgeroorlog. In die oorlog pleegde de Spaanse opstandelingenleider generaal Franco een staatsgreep tegen de wettige regering. Hij kreeg daarbij grote militaire steun van de Duitse en Italiaanse legers van respectievelijk Adolf Hitler en Benito Mussolini en wapensteun vanuit Japan. De Nederlandse christelijk-liberale regering steunde Franco indirect door het strafbaar stellen om als vrijwilliger de wettige regering te steunen waarvoor naast het verlies van het staatsburgerschap ook een gevangenisstraf dreigde. Het kleine aantal fascistisch gezinde vrijwilligers dat de staatsgreep kwam steunen, werd nooit bestraft of vervolgd. Verder kwam er een embargo op de levering van wapens aan de wettige regering en door steun vanuit Nederland aan de staatsgreep plegende opstandelingen bij het bestrijden van de wettige regering door de doorvoer van Duitse militaire goederen via de haven van Rotterdam naar Franco toe te staan. Daarbij bestreed de Nederlandse regering in een samenwerkingsverband met de Gestapo in de haven van Rotterdam vanaf begin 1937 de spionage en aanslagen op Duitse schepen door de West-Europese communistische groep Wollweber. Daarvoor werd als Nederlandse undercoveragent Anton van der Waals door de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst ingezet. Van der Waals zou tijdens de bezetting uitgroeien tot Nederlands grootste landverrader, waarbij sprak was van een voortzetting van het samenwerkingsverband tussen gemeentelijke Politie Inlichtingendiensten met de Gestapo. Bij diens uitgroeien tot landverrader speelde de Rotterdamse burgemeester Oud een grote rol.

De vooroorlogse bestrijding van de saboteurs in de Rotterdamse havens leidde de bezetting tot de godsgruwelijk wrede dood van 19 Nederlandse leden van de Wollweber. De groep Wollweber was een voornamelijk Duitse anti-Hitler groep die tijdens de oorlog de veruit belangrijkste verzetsbeweging van Europa en was volgens het hoofd van de Duitse contraspionage Canaris verantwoordelijk voor de uitschakeling van 200.000 Duitse militairen, wat meer dan tien keer zoveel is dan wat het Nederlandse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog gepresteerd heeft. Maar daarnaast waren er ook nogal wat leden in landen als Duitsland, België, Nederland, Denemarken en Noorwegen. De Nederlandse leden werden aangestuurd door Daniël Goulooze in Amsterdam. Er was een speciale scheepssabotagegroep die in de West-Europese havens actief was en verantwoordelijk was voor het tot zinken brengen van een aantal Duitse, Italiaanse en Japanse schepen met militaire goederen voor Franco. De Nederlandse regeringshaat tegen het communistisch verzet en de groep Wollweber in het bijzonder, wordt duidelijk tot uitdrukking gebracht in de vele naoorlogse BVD-rapporten over deze personen, zelfs als ze al tijdens de oorlog gesneuveld waren.

Nederlandse vrijwilligers vertrokken in de tweede helft van de jaren dertig naar Spanje om de wettige regering te steunen. Dat gebeurde in militaire functie in de Internationale Brigade, door medische steun voor de gewonden en zieken en soms in civiele functies, zoals door een oom van mij. De Nederlandse christelijk-liberale regering was zo op de hand van de fascisten dat overhaast een wet werd ingediend om Nederlandse vrijwilligers het Nederlandse staatsburgerschap te ontnemen, wat nu beschouwd wordt als een ernstige inbreuk op de mensenrechten. Na de oorlog hadden de regeringspartijen CDA (toen ARP en KVP), VVD en PvdA zoveel voorkeur voor het fascisme dat ze wel landverraders en plegers van genocides in Duitse dienst spoedig hun staatsburgerschap teruggaf, maar vrijwilligers in Spaanse dienst pas na vele jaren en soms nooit meer hun Nederlanderschap terug gaven. Soms leidde dit er toe dat een staatloze voormalige Nederlander niet meer tot Nederland werd toegelaten, zoals in het geval van de bekende schrijver Jef Last. Zelfs de echtgenotes en kinderen van Spanjestrijders verloren hun staatsburgerschap, wat in sommige gevallen er toe leidde dat ze door de Duitse bezetter vermoord werden.

Hoofdpersonen

Drie hoofdpersonen in het verhaal van de fiets gingen als vrijwilliger naar Spanje om te dienen in de Internationale Brigade dat tegen de fascistische opstandeling generaal Franco en het leger van Hitler vocht. Samuel Dormits en Evert Ruivenkamp in militaire functies en Gerrit Kastein korte tijd als arts. Kastein keerde net op tijd terug om niet zijn staatsburgerschap te verliezen, Samuel Dormits was al staatloos omdat hij voor de oorlog meer dan tien jaar in het buitenland had gewoond, maar Ruivenkamp verloor zijn staatsburgerschap. Alle drie moeten tot de belangrijkste verzetsmensen gerekend worden en zijn tijdens de bezetting door verzetsactiviteiten om het leven gekomen.

Ruivenkamp vertrok begin 1938 naar Spanje. Daar ontmoette hij Samuel Dormits en de twee raakten bevriend. In december 1938 werd Ruivenkamp vanwege de naderende capitulatie van de wettige Spaanse regering naar Nederland geëvacueerd. In Den Haag ging Ruivenkamp samen met de weduwe van zijn gesneuvelde vriend Willem de Lathouder in het communistische gemeenschapshuis in de Bankastraat wonen: Ruivenkamp had zijn vriend beloofd om in geval van diens dood te zorgen voor de weduwe en hun zoontje. Het gemeenschapshuis stond onder leiding van Eliezer (Leo) Ziekenoppasser, een zwager van Dormits.

Dormits werd pas op 22 februari 1939 vanuit Spanje geëvacueerd. Hij diende op 15 januari 1940 een verzoek tot naturalisatie in, wat in principe probleemloos afgehandeld kon worden, omdat hij niet als Nederlander in Spaanse dienst was getreden. Maar bij zijn dood in 1942 was het verzoek nog niet afgehandeld, waar het uitbreken van de oorlog vermoedelijk debet aan was. Dormits bezocht zo nu en dan zijn zuster in de Bankastraat 131 en ontmoette daar dan ook zijn strijdmakker Ruivenkamp.

De fiets die Dormits kocht.

Dormits vond een baantje bij de firma J. de Boer op de Denneweg 186. Na verloop van tijd had hij genoeg geld gespaard om te verhuizen vanuit de woning van zijn ouders naar de Begoniastraat 146. Vervolgens spaarde hij geld voor het kopen van een fiets, zodat hij niet meer vier-en-een-halve kilometer naar zijn werk hoefde te lopen. De fiets kocht hij in 1941 bij de fietshandel Cycle Import, waar zijn zwager Leo Ziekenoppasser bedrijfsleider was. Deze fietshandel verkocht relatief goedkope fietsen, waarop bovendien levenslange garantie voor de eerste koper werd gegeven. Omdat fietsen vaak gestolen werden en soms tweedehands doorverkocht werden, hoefde er vrijwel vanwege de levenslange garantie een fiets gerepareerd of vervangen te worden. De enkele keer dat wel een fiets vervangen werd, betaalde Cycle Import de advertentie die de oorspronkelijke koper moest plaatsen waarin stond dat hij zijn fiets vervangen had gekregen. Om bij te houden wie de eerste koper van een fiets was, werd een register bijgehouden waarin het framenummer van de fiets stond en de naam en het adres van de koper.

Advertentie met dank voor nieuwe fiets in verband met eeuwige garantie.

Voor de oorlog werkte de christelijk-liberale regering nauw samen met de Duitse Gestapo. De samenwerking werd in Nederland uitbesteed aan de burgemeesters van de drie grote steden. Zo werkte de Amsterdams burgemeester nauw samen met Heinrich Müller van de afdeling Bekämpfung Kommunismus bij het Reichssicherheistshauptamt in Berlijn; hij was de chef van de later beruchte, maar relatief onschuldige Adolf Eichmann. Müller werd tijdens de oorlog verantwoordelijk voor de moord op vier miljoen mensen, inclusief alle vergassing van Joden. Zo was Müller verantwoordelijk voor de moord op meer dan honderdduizend Nederlandse Joden, waarvan ongeveer 70.000 uit Amsterdam. De Rotterdamse burgemeesters Droogleever Fortuin en Oud werkten via Anton van der Waals nauw samen met de Gestapo in Hamburg, wat in het eerste oorlogsjaar onder leidde tot de dood van 19 leden van de groep Wollweber. De Haagse burgemeester De Monchy werkte nauw samen met de Gestapo in Wuppertal onder leiding van Kurt Döring die meteen vanaf mei 1940 vanuit Den Haag de bestrijding van het communisme in Nederland ter hand nam. Op het moment dat de samenwerking een aanvang nam, was bekend dat de respectievelijke Gestapo-afdelingen al verantwoordelijk voor de moord op enige honderden communisten, Joden en sociaaldemocraten waren. De leiders van de regeringspartijen waren jaren lang hondstrouwe supporters van het Nazi-regime door linkse politieke vluchtelingen naar Duitsland terug te sturen, terwijl ze begin 1935 via Heinrich Müller van de Duitse regering de boodschap hadden ontvangen dat deze teruggestuurde gevangenen met de doodstraf rekening moesten houden.

Op 10 mei 1940 vielen de Duitse legers Nederland binnen. De Nederlandse regering reageerde daarop door tientallen communisten gevangen te zette, terwijl dat juist de grootste vijanden van het Duitse regime waren. Bij het verrichten van de arrestaties werd de politie gesteund door de weerbaarheidsafdeling (WA) Rode Vendel van de SDAP. Het had meer voor de hand gelegen om in de meidagen van 1940 deze burgemeesters en de minister van Justitie in hechtenis te nemen, want die werkten al jarenlang nauw samen met de vijand. Al een paar uur na de Nederlandse capitulatie reageerden burgemeesters daarop door op eigen initiatief onmiddellijk de leiders van de gemeentelijke politie-inlichtingendiensten (Broekhoff, Bennekers en Amiabel) opdracht te geven voor de Duitse bezetter communisten die verzet gingen plegen op te sporen.

Haagse sabotagegroep van de CPN

De CPN en RSAP hadden al voor de oorlog besloten om in het geval van een Duitse inval onmiddellijk te starten met een ondergrondse verzetsbeweging. Het partijbestuur van de CPN had al met kerstmis 1938 een afspraak gemaakt om onmiddellijk na de Nederlandse capitulatie bijeen te komen om naar een verzetstoestand te komen. Zo kwamen ongeveer 15 personen op 15 mei 1940 in CPN partijgebouwtje op nummer 12 van de Galerij van het afgebrande Paleis van Volksvlijt bijeen. Daar werd definitief besloten tot het overgaan naar een ondergronds bestaan zodra de bezetter de CPN zou verbieden.


De Galerij van het Paleis van Volksvlijt waar de illegale CPN werd opgericht. No. 12 is de tweede winkel; van rechts, waar op de foto uit vroegere tijden nog een winkel is gevestigd.

Doordat de Nederlandse regering de partijleider Louis de Visser gevangen had gezet, kon die niet bij die vergadering aanwezig (hij was pas een paar uur voor de vergadering vrijgelaten). Er werd ook een driemans-partijbestuur gevormd en een reserve drietal voor het geval het bestuur gearresteerd zou worden. Omdat men de partijleider toch wilde horen, werd voor de volgende dag een nieuwe bijeenkomst georganiseerd ten huize van de Haagse communist Teunis (Toon) van der Kroft, waar behalve de nieuwe partijleider Saul (Paul) de Groot ook de Hagenaars Louis de Visser, Cornelis (Kees) Schalker, Jacob (Jaap) Brandenburg, Jan Geluk en Gerrit Kastein aanwezig waren. Er werden diverse afspraken gemaakt. De Hagenaars maakten van de gelegenheid gebruik om een afspraak voor nog een bijeenkomst op 17 mei weer bij Toon van der Kroft.

Gerrit Kastein

Op 17 mei kwamen in Den Haag bij elkaar Toon van der Kroft, Gerrit Kastein, Jan Geluk en Willem van ’t Veen. Zij besloten tot een driedelige Haagse organisatie: de groep bekende communisten die op de achtergrond zouden blijven (later genoemd De Waarheid-groep), een groep van grotendeels onbekende communisten (later genoemd De Vonk-groep) en op instigatie van Kastein een groepje dat tegen de instructies van de landelijke CPN zich onmiddellijk bewapende en dat sabotage en spionage ging plegen (later genoemd Nederlandse Volksmilitie). Kastein zou instructies geven voor de veiligheid van de drie groepen, omdat hij al eerder ervaring had opgedaan bij de stichting van illegale groepen in Spanje en Oostenrijk.

Het groepje dat meteen gewapend sabotage ging plegen, bestond voornamelijk uit Spanjestrijders die militaire ervaring hadden, maar er zaten ook enkele andere communisten bij. Kastein stuurde het groepje aan en Dormits kreeg de leiding over dit groepje. Niet alle namen zijn bekend, maar wel de meeste: de Spanjestrijders Samuel Dormits, Leendert Triep, Johan Kloostra, Evert Ruivenkamp, Jan van Kalsbeek en Arie Kloostra en de niet-Spanjestrijders Tjerk Kloostra en Cornelis Simonis. Ze gooiden suiker in de benzinetanks van Wehrmacht-auto’s, sneden telefoonkabels naar Wehrmacht-locaties door, stichtten brandjes in voor de Wehrmacht werkende bedrijven en verzamelden inlichtingen over de productie van goederen voor de Wehrmacht; wat later stichtten ze ook brandjes in bioscopen die pro-Duitse propagandafilms vertoonden. Na de oorlog meldde Nico Wijnen dat het groepje vijf personen zou hebben gedood, waarbij de meeste door Cornelis Simonis. Behalve een berichtje in het Haagse politiearchief over onderzoek naar een gerucht dat de ronde deed over de dood van een Duitse militair in de buurt van een Wehrmacht-kazerne in Scheveningen, zijn daar geen verdere bevestigingen over gevonden.

Arie Kloostra.

Een Junkers-52 vrachtvliegtuig op Schneekufen.

Het minst spectaculaire, maar wel allerbelangrijkste resultaat werd behaald door Arie Kloostra. Hij had ontslag genomen bij zijn werkgever Pander om fulltime voor het verzet actief te zijn. Maar hij had nog wel contacten met ex-collega’s. Van hen hoorde hij in augustus 1940 dat Pander landingsgestellen op ski’s voor Duitse transportvliegtuigen ging produceren. Daaruit kon opgemaakt worden dat Duitsland zich voorbereidde op een aanvalsoorlog tegen de Sovjet-Unie, dat de verwachting was dat die oorlog tot in de winter zou voortduren en dat de bevoorrading deels per vliegtuig zou geschieden. Deze militair zeer relevante informatie werd via een aantal tussenpersonen aan Daan Goulooze toegespeeld, die het in gecodeerde vorm per radio naar Moskou seinde. Deze informatie kan van invloed zijn geweest op de oorlogsvoorbereiding van de Sovjet Unie en mocht dat niet zo zijn geweest (daar zijn de historici het onderling over oneens) dan is die na de Duitse inval in juni 1941 zeker gebruikt voor de strategische planning voor de periode tijdens de winter van 1941-1942. In principe is het mogelijk dat deze informatie de einduitslag van de Tweede Wereldoorlog heeft bepaald.


Een van de vijf zenders van Daan Goulooze.

Dormits werd in de zomer van 1941 niet gearresteerd bij de door burgemeester De Monchy gestarte infiltratieactie die tientallen Haagse communisten het leven heeft gekost en indirect ook resulteerde in de dood van tientallen Rotterdamse communisten. Hoogst waarschijnlijk is de reden dat Dormits niet betrokken was bij de geïnfiltreerde De Vonk-groep. Geen enkel lid van de sabotagegroep is ten gevolge van die infiltratieactie gearresteerd. Vermoedelijk op instigatie van Kastein ging het groepje zich Nederlandse Volksmilitie noemen. Het ambieerde een grootschalige gewapende verzetsgroep te worden, maar die ambities werden niet waar gemaakt.

Op 22 februari 1942 scheidde Dormits van zijn echtgenote, waar hij een zoontje mee had. Hij verkocht zijn meubels inclusief fiets aan zijn vriend Ruivenkamp die met zijn nieuwe echtgenote Rosario Plana Solé los van het communistisch gemeenschapshuis wilde gaan wonen, of misschien wel moest gaan wonen omdat het gemeenschapshuis in de Bankastraat opgedoekt werd. Er kwam overigens een nieuw gemeenschapshuis in de Nieuwe Parklaan 147, maar uiteindelijk bleef Leo Ziekenoppasser daar enkele maanden de enige bewoner totdat hij op 22 oktober 1942 gearresteerd werd in het kader van de actie tegen de Nederlandse Volksmilitie.

Bomaanslag op het Rotte-viaduct

Na de scheiding vertrok Dormits naar Rotterdam om in opdracht van Kastein de Nederlandse Volksmilitie groots op te zetten. Hij dook in eerste instantie onder bij de SDAP’er Simon Groenendijk in de Lischbloemstraat 21 B. Hij fuseerde de Haagse Nederlandse Volksmilitie met een soortgelijke groep in Rotterdam genaamd De Pechvogels die onder leiding van de oprichter Cornelis van der Kraats stond. Hij had de saboteursgroep gecamoufleerd als voetbalclubje.

Cornelis van der Kraats

Dormits ging aan de slag met het fabriceren van brandbommen. In maart 1942 ontmoette hij zijn Haagse vriend Cornelis Limburg, die net in Rotterdam was aangekomen om daar onder te duiken. Dormits zorgde ervoor dat Limburg op hetzelfde adres kon onderduiken, maar Limburg vertrok al snel weer omdat hij vond dat Dormits te grote risico’s nam. Kort daarop vertrok Dormits ook naar een onderduikadres bij Pieter Baan in de Bijlwerffstraat 35 A, nadat het daar verblijvende communistische echtpaar Andries en Marie van Zutphen-Vermaak vandaar was vertrokken. Daar kon hij een uitgebreide bommenwerkplaats en een ledenadministratie van de Nederlandse Volksmilitie inrichten.

Het Rotte-viaduct (luchtspoor) voor de oorlog.

Met de bommen werden aanslagen gepleegd. Eerst op bioscopen waar Duitse propagandafilms werden vertoond. Zo legde Jacobus Hoek, vergezeld van enkele NVM-leden, een brandbom in het Luxor-theater, maar de aanslag mislukte doordat een vrouw de beginnende brand ontdekte toen ze een kwartier na afloop van de film terugkeerde omdat ze haar paraplu was vergeten. Luxor was eigendom van het Duitse filmconcern UFA, dat gespecialiseerd was in het produceren van fascistische propaganda en antisemitische films. In het Luxor-theater werden verschillende keren NSB-bijeenkomsten gehouden. Vervolgens werd op instigatie van Kastein door Izaäk Sies op 7 augustus 1942 een aanslag gepleegd op de spoorlijn over het Rotte-viaduct. Kastein regelde dat het explosiemateriaal trotyl uit de mijnen in Limburg geleverd werd. Het was de bedoeling dat daarmee een trein met naar hun posities in Frankrijk terugkerende Duitse Wehrmacht-verlofgangers die kort na de aanslag zou moeten passeren zou ontsporen. De verwachting was dat de trein met grote snelheid van het viaduct zou storten. Als het gelukt was zouden er honderden doden zijn gevallen. De aanslag mislukte doordat een spoorwegbeambte met een ‘vliegende Hollander’ op spoorwielen over het spoor reed (uit naoorlogse beschrijving door Gerben Wagenaar) en tegen de gespannen draad aankwam (in veel beschrijvingen staat dat de beambte op een fiets reed, maar er was geen ruimte naast de rails om over te rijden en over de bielzen kun je niet met een fiets rijden). Daardoor ging de bom af: de explosie werd in heel Rotterdam gehoord.

Met de bommen werden aanslagen gepleegd. Eerst op bioscopen waar Duitse propagandafilms werden vertoond. Zo legde Jacobus Hoek, vergezeld van enkele NVM-leden, een brandbom in het Luxor-theater, maar de aanslag mislukte doordat een vrouw de beginnende brand ontdekte toen ze een kwartier na afloop van de film terugkeerde omdat ze haar paraplu was vergeten. Luxor was eigendom van het Duitse filmconcern UFA, dat gespecialiseerd was in het produceren van fascistische propaganda en antisemitische films. In het Luxor-theater werden verschillende keren NSB-bijeenkomsten gehouden. Vervolgens werd op instigatie van Kastein door Izaäk Sies op 7 augustus 1942 een aanslag gepleegd op de spoorlijn over het Rotte-viaduct. Kastein regelde dat het explosiemateriaal trotyl uit de mijnen in Limburg geleverd werd. Het was de bedoeling dat daarmee een trein met naar hun posities in Frankrijk terugkerende Duitse Wehrmacht-verlofgangers die kort na de aanslag zou moeten passeren zou ontsporen. De verwachting was dat de trein met grote snelheid van het viaduct zou storten. Als het gelukt was zouden er honderden doden zijn gevallen. De aanslag mislukte doordat een spoorwegbeambte met een ‘vliegende Hollander’ op spoorwielen over het spoor reed (uit naoorlogse beschrijving door Gerben Wagenaar) en tegen de gespannen draad aankwam (in veel beschrijvingen staat dat de beambte op een fiets reed, maar er was geen ruimte naast de rails om over te rijden en over de bielzen kun je niet met een fiets rijden). Daardoor ging de bom af: de explosie werd in heel Rotterdam gehoord.

Tekening van de plek van de aanslag op het Rotte-viaduct kort na de aanslag.
Het puin is van het bombardement in mei 1940 op Rotterdam.

De Duitsers reageerden furieus. De höhere S.S. und Polizeifüher Rauter liet de kranten een bekendmaking publiceren dat de daders zich moesten melden en anders zouden er een aantal gijzelaars gefusilleerd worden. Er meldde zich niemand en er werden prominente Rotterdammers gefusilleerd, die uit het gijzelaarskamp Sint Michielsgestel gehaald waren.

De bekendmakingen door Rauter van 8 en 17 augustus 1942.

Het meest verbazingwekkende is dat daarbij de politie-inspecteur Christoffel Bennekers zat. Bennekers moest in 1937 van de toenmalige Rotterdamse burgemeester Droogleever Fortuyn en de hoofdcommissaris Louis Einthoven met de Gestapo in Hamburg samenwerken om de sabotage tegen Duitse schepen in de Rotterdamse haven te bestrijden. Die sabotage werd gepleegd omdat die schepen wapens naar de Spaanse fascistische opstandelingenleider generaal Franco vervoerden. Omdat het sterke vermoeden bestond dat die sabotage uit communistische kringen voortkwam werd een infiltrant de Rotterdamse CPN op de linker Maasoever ingestuurd. Daarvoor werd Anton van der Waals ingehuurd die daarvoor een schijnbaantje bij het elektrotechnisch bedrijf A. de Hoop dat veel werk verrichtte voor aanleg en reparatie van elektrische installaties op schepen. Hij wist een aantal namen van de scheepssabotagegroep van de anti-Hitler verzetsorganisatie Wollweber te achterhalen. In opdracht van de burgemeester en hoofdcommissaris reisde Bennekers in december 1938 naar Hamburg en overhandigde die namen aan de Gestapo. Doordat op basis daarvan nog meer namen achterhaald konden worden, konden in de periode mei tot september 1940 minstens 32 leden van de groep Wollweber gearresteerd worden, waarvan er 19 vermoord zijn. De groep Wollweber was de militair gezien de meest effectieve verzetsgroep van Nederland, zodat de arrestatiegolf de grootste tegenslag was voor het Nederlandse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bennekers werd voor de oorlog zeer door de Gestapo gewaardeerd, want er bestaat een lijst van door hen vertrouwde nuttige personen waarmee na een inval zo snel mogelijk contact moest worden opgenomen. Op die lijst staan zowel Bennekers als zijn chef hoofdcommissaris Einthoven.

Izaäk Sies

Vanuit een bij Dormits gevonden verslag leerde de Sicherheitsdienst dat Izaäk Sies de dader van de bomaanslag was. Sies werd op 28 oktober gearresteerd. Rauter was nieuwsgierig naar de achtergronden van de dader en ging een gesprek met hem. Hij vroeg op een gegeven moment aan Sies of die spijt had omdat er 5 Nederlandse gijzelaars geëxecuteerd waren. Daarop antwoordde Sies: ‘Twee vliegen in een klap: 5 reactionaire bourgeois, vijanden van het communisme doodgeschoten en aan de andere kant bestreden we de Duitse Wehrmacht.’ Zonder dat hij de achtergrond als aanstichter van de moord op 19 communisten van Bennekers kende, had hij het wat vijand van het communisme betreft bij het rechte eind. En ook de vooroorlogse drie-en-een-half jaar samenwerking met Nederlands grootste landverrader spreekt niet in Bennekers voordeel. Alhoewel een deel van de Rotterdamse Inlichtingendienst vanaf de Nederlandse capitulatie naar andere politieafdelingen was overgeplaatst, was Bennekers doorgegaan met zijn communistenjacht; de vroegste aantekening daarover in zijn aantekeningenboekje dateert van 19 juni 1940. Bennekers werd op 16 december naar een andere afdeling overgeplaatst en op 13 juli 1942 als gijzelaar van huis opgehaald. De reden van zijn gijzelaarschap lijkt te liggen in de persoonlijke verhouding met een van zijn NSB-superieuren. Dat de reden lag dat hij het archief van de Inlichtingendienst op 13 mei 1940 vernietigd had, lijkt onwaarschijnlijk. Immer de gestencilde lijst van de Centralen Inlichtingendienst was nog in veelvoud beschikbaar, wat blijkt uit de vele tientallen arrestaties van communisten op 1 maart en 25 juni 1941.

Aanslagen op spoor bij Twello en Hengelo

Gerrit Kastein stuurde via de Nederlandse Volksmilitie ook sabotagegroepen in Terwolde en Hengelo aan. Kastein kwam met de ideeën en opdrachten. Cornelis van der Kraats, de oprichter van De Pechvogels reisde op en neer naar Terwolde en Hengelo en bracht materialen als explosieven en in Terwolde ook brandbommen die gebruikt werden om boerderijen van NSB’ers in brand te steken, maar hij deed in Twello ook mee aan de aanslag op de spoorlijn. De bedoeling van de spooraanslagen was het transport van voorraden uit de havens, voor de Wehrmacht geproduceerde goederen en het transport van mensen voor de Arbeitseinsatz te hinderen. De aanslagen mislukten grotendeels.

De verbogen rails bij Twello.

De spooraanslag in Twello mislukte door een denkfout. Er kon gewoon een trein over de opening passeren, omdat er geen kracht op de flenzen van de wielen werd uitgeoefend. Als op de foto het bovenste deel van de rail niet naar buiten, maar het onderste deel naar binnen was verbogen, dan was de trein met zekerheid ontspoord, omdat dan de flenzen naar buiten gedrukt werden. De groep in Twello werd opgerold. Zestien van hen zijn gefusilleerd.

Er werden door werknemers van het voor de Wehrmacht werkende bedrijf Hazemeijer twee aanslagen gepleegd op de spoorlijn Almelo-Oldenzaal. Beide aanslagen mislukte doordat er net een systeem van baanwachters was ingesteld, die de bommen tijdig ontdekten. De groep werd opgerold, waarna er zes personen zijn gefusilleerd, zes andere personen zijn vrijgekomen doordat de echtgenote van een van de gearresteerden een relatie met een lid van de Sicherheitsdienst aanging en hem bewerkte de zes vrij te laten.

Brandstichting bij Montan

In Den Haag was de Nederlandse Volksmilitie onderdeel geworden van het Militair Contact dat onder leiding van Gerben Wagenaar stond en waar Kastein ook veel bemoeienis had. Kastein gaf opdracht voor het in brand te steken van de loods van het bedrijf Montan voor de opslag van stro- en hooi voor de Wehrmacht aan de 2e Lulofsdwarsstraat 28. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden door de legers is sommige situaties nog paarden gebruikt, vooral in gebieden met weinig of slecht berijdbare wegen, zoals in Oost-Europa. In die zin was de opslagplaats een militair doel, maar had in Nederland eigenlijk weinig militaire betekenis. Het belangrijkste doel was een signaal aan de bevolking te geven dat het verzet nog actief was om zo mensen te stimuleren ook in het verzet te gaan of het verzet te steunen.

De NSB’er Frans Adolf Bonté.

Maar wat ook een rol speelde was dat de eigenaar Frans Adolf Bonté een fervent aanhanger van de NSB was en grote sommen geld aan de NSB-organisatie Winterhulp gaf. Na de oorlog werd het illegaal plunderen van zijn in beslag genomen vermogen de inzet van een grote corruptie- en misdaadaffaire waarbij een maffia-achtig complex van ministers als Louis Beel, Willem Drees en Johannes van Maarseveen, de Haagse corrupte en criminele burgemeester Willem Visser en diverse BVD-ambtenaren zoals het afdelingshoofd Johann Crabbendam en spion Willem Bos een hoofdrol vervulden. Wat ook meespeelde was dat diverse brandstichtingen in bioscopen die Duitse propagandafilms vertoonden, mislukt waren, zodat een spectaculaire brand de communistische saboteurs weer zou motiveren. Door de aanwezigheid van grote hoeveelheden goed brandbaar materiaal zoals stro en hooi was een spectaculaire brand gegarandeerd.

Dominicus Hendrik Cornelis (Henny) Middendorp

De brand zou gesticht moeten worden door Evert Ruivenkamp en Dominicus (Henk) Middendorp. Beiden waren brandweerman in dienst van het ziekenhuis Zuidwal en hadden daardoor toegang tot professionele brandbommen die voor brandweeroefeningen gebruikt werden. Verder zouden Piet Wapperom, Jan van Kalsbeek en Gerard van der Laan meegaan om op verschillende plekken op wacht te staan om te zien of er Nederlandse of Duitse politie in de buurt kwam, waarbij ze tevens de hoorns van publieke telefoons en speciale voor de politie bestemde telefoons moesten los snijden, zodat niet snel alarm geslagen kon worden. Ze gingen 13 oktober op de fiets op pad; Ruivenkamp op de fiets die hij van Dormits had overgenomen. Het bedrijf was gevestigd aan de 2e Lulofsdwarsstraat 28. Ruivenkamp en Middendorp klommen over het toegangshek, waarbij ze de twee onderste draden van negen aan de bovenkant gespannen prikkeldraden doorknipten; het was 22.10 uur.

Het doorgeknipte prikkeldraad.

Ze gooiden acht brandbommen in het brandbare materiaal en begaven zich weer naar het hek om naar de straat te klimmen. De laatste bom vloog over de afrastering en belandde in een kinderwagen waar een zuigeling in lag. De kinderwagen vloog in brand. Op dat moment kwam juist de moeder uit een tegenover de loods gelegen pand en kon het kind nog juist ongedeerd weggrissen. Er kwam ook net een nachtwaker met een Belgische herder langs en die zag de bom overvliegen; vervolgens zag hij de twee brandstichters over het hek klimmen. Hij riep ‘Sta!’, maar dat deden ze natuurlijk niet. De nachtwaker liet daarop zijn hond los om de twee te pakken; hij riep ‘Grijp!’. De hond ging op Ruivenkamp af, waardoor Middendorp op zijn fiets kon ontkomen. Ruivenkamp werd door de hond aangevallen en in de kuit van het rechterbeen gebeten, maar die verweerde zich met een groot mes dat hij voor de brandstichting bij zich had. Hij stak de hond in de hals, die jankend afdroop en snel dood ging. Maar hij kon door de nabijheid van de nachtwaker niet meer bij zijn fiets komen en vluchtte te voet weg in de richting van de Calandkade. De nachtwaker was een 67-jarige man en Ruivenkamp was een goed getrainde brandweerman, zodat de nachtwaker al snel de achtervolging moest staken en de brandweer en politie ging waarschuwen. Na verloop van tijd kwamen brandweer en politie. De politie kon niet anders doen rondkijken en zagen de fiets tegenover het hek staan. Achterop zat een tas met daarin een pannetje met een prak avondeten; kennelijk was het de bedoeling dat de twee na de brandstichting naar hun werk als brandweerman gingen.

Het ‘ongunstige uiterlijk’ van Evert Ruivenkamp

De nachtwaker kon een signalement geven:
Lang 1.75 m, smal gezicht, ongunstig uiterlijk, ongeveer 25 jaar oud, slank postuur, gekleed in donker colbertjasje en dito pantalon (vermoedelijk streepjesbroek), op hoofd lederen motorkap met band onder kin bevestigd, mes was dolk ongeveer 25 cm lang.

De politie nam de fiets mee en schreef in het proces-verbaal:
Merk Technica, nummer 120372, zwart gelakt damesrijwiel, electrische lantaarn merk Noblita, rubber gezondheidszadel merk Anker, zwarte zeildoeken kettingkast met nikkelen rand, wit rubberen voorbuitenband merk Fionluxe, zwarte achterbuitenband merk Dunlop, op rijwiel bevestigd lederen tasch, was ongemerkt, bevatte zwart emaillen pannetje met aardappelen en groente, vermoedelijk andijvie.
(Cycle Import verkocht alleen damesrijwielen).

Het damesrijwiel van Ruivenkamp.

Een autopsie op de hond leidde tot de conclusie dat die vakkundig was doodgestoken, want de steek had de voorste aorta geraakt.

Er werd door een buurtbewoner ook een niet tot ontbranding gekomen brandbom gevonden. Het werd omschreven als ‘linnen zakje waarvan de inhoud uit twee helften bestond, ongeveer 20 cm lang en 5 cm dik’. De vinder brak het doormidden en zag ‘een soort staalwol of glinsterende substantie, voelde het heet worden, begon te branden met een blauwwitte walm, zoals bij ijzeren voorwerpen die gelascht worden.’ De politie nam de resten mee en vroeg aan de vuurwerkfabriek Kat in Leiden wat het kon zijn. Het ging om zogenoemd ‘metaalelectron’ (AZ91). Dat is een mengsel bestaande uit 90% uit magnesium, 9% aluminium, 1% zink en nog wat te verwaarlozen hoeveelheden andere componenten. Dit goedje kan makkelijk tot ontbranding gebracht worden, waarna het vonkenspattend met fel licht brandde. De werking van de bom was als volgt: het was een buisje met zwavelzuur, met daaromheen een poeder van kaliumchloraat, aluminium en magnesium en daaromheen poeder van metaalelectron. Het enige wat je hoefde te doen was het buisje breken, waarna het snel begon te branden met een temperatuur van ongeveer 700 graden.

De politie inspecteert de puinhoop na het afbranden van het bedrijf Montan. Er staat een brandweerman bij. De fiets stond tegenover de toegangspoort.

De brand was een groot succes: het was misschien wel de meest spectaculaire brand in Den Haag van de twintigste eeuw. De Sicherheitsdienst was woedend en eiste van de Haagse politie dat er dertig man op de opsporing van de daders gezet werd. De in september 1940 door de Duitsers aangestelde hoofdcommissaris Hamer droeg de supervisie over het onderzoek op aan commissaris Nanning Pool van de Justitieelen dienst, die voor de oorlog een poos chef van de Inlichtingendienst was geweest. De dagelijkse leiding van het onderzoek werd gelegd bij hoofdinspecteur Herman Assink, die in november 1941 bij de oprichting van de Documentatiedienst daar lid van werd. Dat er twee personen met een verleden bij de Inlichtingendienst op een prominente plek bij het onderzoek gezet werden, is een indicatie dat al direct het vermoeden bestond dat er communisten achter de brandstichting zaten. In het team dat aan de slag ging, zaten 12 man uit Den Haag, waarbij de beruchte communistenjager Cornelis Leemhuis, en 18 uit Rotterdam.

Leo Ziekenoppasser

De enige aanwijzingen waarover de politie beschikte waren de resten van een bom, de fiets, een lapje stof aan het prikkeldraad hing vermoedelijk van een overjas, een bruine gleufhoed, een microfoon afkomstig van een telefooncel en het signalement van een van de daders. De fiets werd getoond aan een fietsenwinkelier. Die herkende het merk en zei dat die fietsen geassembleerd en verkocht werden door Cycle Import dat zijn hoofdvestiging had aan de Rijswijkscheweg 55. De politie toog naar Cycle Import en werd vriendelijk ontvangen door bedrijfsleider Leo Ziekenoppasser. Die vertelde enthousiast over de goedkope fiets voor de gewone man met levenslange garantie voor de eerste koper. Daarop vroeg de politie ad rem hoe ze wisten wie de eerste koper was, waarop Leo vertelde dat framenummer, naam van de eerste koper en diens adres geregistreerd werden. Behulpzaam haalde hij het registratieboek en zocht het framenummer op. Tot zijn stomme verbazing was het zijn zwager Sally Dormits die de fiets in 1941 gekocht had. De politie keek over zijn schouder mee en Leo kon niets anders doen dan later op de dag zijn zwager te laten waarschuwen. De politie trok naar het adres van Sally in de Begoniastraat, maar daar woonde die niet meer. De buren konden wel vertellen dat hij naar Rotterdam was vertrokken. In het bevolkingsregister was ook geen nieuw adres van Dormits te ontdekken, zodat de conclusie getrokken werd dat hij ergens was ondergedoken en vermoedelijk in Rotterdam. Uit gebouw Kleykamp, waar het reservebevolkingsregister was gevestigd en kopieën van alle in Nederland verstrekt persoonsbewijzen inclusief foto lagen, werd de foto van Dormits gehaald en er werden honderden kopieën gemaakt die over heel Nederland verspreid werden.

Er ging niet alleen een gewoon opsporingsbericht uit, maar op 15 oktober zelfs een radio-opsporingsbericht (nr. 252):
De commissaris van Politie van de Centrale Opsporingsdienst te ‘s-Gravenhage, verzoekt in verband met een op Dinsdag 13 October jl. te 22.30 uur uitgebroken brand in een loods aan de 2e Lulofsdwarsstraat te ‘s-Gravenhage in gebruik bij de Duitse Wehrmacht alwaar hooi en stro was opgeslagen, de opsporing en aanhouding van Samuel Zacharias Dormits, geboren te Rotterdam op 2 October 1909, laatst bekende adres Begoniastraat 146 te ‘s-Gravenhage.
Voorts worden inlichtingen verzocht betreffende een man van plm. 25 jaar oud, 1.75m lang, als hoofddeksel een lederen motorkap, die van het brandende terrein vluchtte, na van tevoren een hond, die hem vastgreep, te hebben doodgestoken en een damesrijwiel, merk Technica, genummerd 120372, waarop aanwezig een bruin lederen actetas, waarin een pannetje met gekookte aardappelen en andijvie, achterliet.’

Het bericht, ook uitgezonden door Radio Scheveningen, werd in Londen opgevangen en de Nederlandse persvoorlichting nam een berichtje op dat de Nederlander ‘Samuel Zacharias Dormits’ verantwoordelijk was voor een brand in een Duitse opslagplaats. Radio Oranje zond er ook een bericht over uit. In Londen hadden ze er geen idee van dat het om een communistische actie ging.

Oprollen van de Nederlandse Volksmilitie

Op 17 oktober 1942 ging Samuel Dormits omstreeks half twaalf naar de bakkerij van de Coop. Verbruikersvereeniging De Vooruitgang op de Statenweg 105. Hij had een lege geellederen aktetas bij zich, waarschijnlijk was hij op de terugweg na aflevering voor verdere verspreiding van een stapeltje illegale krantjes van De Patriot. In de winkel moest hij op zijn beurt wachten. Een vrouw deed haar inkopen.


Statenweg, ter hoogte van de bakker

Signalement van de vrouw (uit proces-verbaal), naam Johanna Elizabeth Stierman-Hage: lengte 1.68, gezet postuur, bol gezicht (diepe wallen onder de ogen), mopneus met rooden punt, blond rossig haar, blonde wenkbrauwen, grijsgroene ogen, laag voorhoofd, groote mond, dunne lippen, gaaf goed onderhouden gebit, ronde kin. Gekleed: Korte grijze mantel met zwarte 1 cm breede strepen, donkergekleurde rok, lichte kousen, lage donkergekleurde peau de suède schoenen, gebloemde hoofddoek.

De vrouw had haar bruinlederen handtas in de vitrinekast gezet. Ze deed het brood in een juten boodschappentas en toen ze klaar was liep ze de winkel uit en vergat haar handtas mee te nemen. Dormits deed zijn bestelling. Toen de bediende zich omdraaide om het bestelde te pakken, propte Dormits razendsnel de handtas in zijn aktetas, die daardoor ernstig uitpuilde en niet meer gesloten kon worden. De reden van de diefstal was om aan een persoonsbewijs te komen om te vervalsen. Het was bestemd voor zijn nieuwe relatie Saartje van Gigch met wie hij sinds kort samenwoonde. Saartje was gescheiden van Dormits strijdmakker de Spanjestrijder Bergen Isaäc Simon van Bergen.

Samuel Dormits

Na het afrekenen liep hij naar buiten toen net de vrouw terugkeerde, omdat ze bemerkt had dat ze haar handtas vergeten had. Ze herkende Dormits als winkelklant en sprak hem aan en vroeg of hij haar handtas gezien had. Dormits zei dat hij er een heer mee weg had zien lopen. De vrouw zag de uitpuilende aktetas, herinnerde zich dat die eerst zo plat als een dubbeltje was en vroeg wat er in zat. Dormits zei ‘niks’, wat bij een uitpuilende aktetas een beetje vreemd was. Ze griste de aktetas uit zijn handen, keek erin en zag haar handtas. Ze begon te schreeuwen over een tasjesdief, er ontstond een oploop en Dormits werd vastgepakt. Er kwam juist een hulpagent aan, die op de oploop afkwam.

Het politiebureau Oostervantstraat omstreeks 1960

De agent nam Dormits mee naar het bureau Oostervantstraat 40, wat een kwartier lopen was. Dormits werd in het arrestantenhok geplaatst en de agent ging naar de wachtcommandant Jitze Buursema om de administratieve kant van de arrestatie te regelen. De wachtcommandant wilde juist naar Dormits gaan om hem te fouilleren toen hij opeens een luide knal hoorde. De wachtcommandant en de agent gingen beiden naar het arrestantenhok en daar lag Dormits met een bloedend hoofd en een kleine cylinderrevolver in de hand op de grond; hij had zich iets boven de rechterslaap in het hoofd geschoten. De twee waren stom verbaasd, want normaal gesproken werd een tasjesdief na het opmaken van een proces-verbaal na een paar uur of een paar dagen vrij gelaten. Er was geen reden om voor de aanhouding vanwege een handtasjesdiefstal zelfmoord te plegen. Maar de reden was natuurlijk dat hij een pistool op zak had, wat hij niet meer kon wegwerken en daar stond de doodstraf op: hij wilde ze te vlug af zijn en zichzelf daarmee veel ellende besparen. Hij was bewusteloos en overleed kort daarop in het ziekenhuis aan de Coolsingel.

Kors van der Wilt

De twee politiemannen fouilleerden de bewusteloze Dormits en vonden daarbij een huissleutel, persoonsbewijs ten name van Frédéric Paul Lucien Rummens en een ziekenfondskaart ten name van Dormits. Toen gingen de alarmbellen af. Ze hadden kort daarvoor het opsporingsbericht voor Dormits gelezen. Ze vergeleken de foto bij het bericht met zijn uiterlijk, waarmee de ultieme bevestiging verkregen werd dat ze de gezochte Dormits in huis hadden. Zonder de fouillering af te maken, belden ze het hoofdbureau. En de wachtcommandant van dienst was Kors van der Wilt en die belde meteen naar de afdeling van Groep X, wat sinds begin 1941 de nieuwe naam voor de Politie Inlichtingendienst was. Het toeval wil dat Van der Wilt al voor de oorlog een beruchte communistenjager was en dat ook tijdens de oorlog was. Bij Groep X waren op dat moment twee Haagse rechercheurs, Dirk Meijerink en Huijbrecht Huysman van het opsporingsteam voor de brandstichting, op bezoek voor een onderhoud met hoofdinspecteur Albert Weekenstroo om te praten over hoe Dormits in Rotterdam opgespoord kon worden.

Politierapport van de aangifte van het kwijtraken van zijn persoonsbewijs door Rummens.

Het persoonsbewijs behoorde oorspronkelijk toe aan de Amsterdamse communistische verzetsman Frédéric Rummens. Hij had het beschikbaar gesteld aan het communistisch verzet. Op 22 juli deed hij in Amsterdam aangifte dat hij zijn persoonsbewijs kwijt was geraakt. Hij werd op 11 november gearresteerd op verdenking zijn persoonsbewijs aan Dormits te hebben doorgespeeld. Hij verklaarde tegenover de Rotterdamse Sicherheitsdienst dat het uit het kleedhokje van het Sportfondsenbad in Amsterdam gestolen was. Hij werd op 21 juli 1943 uit kamp Amersfoort vrijgelaten. Op 18 juli 1944 werd hij om onbekende redenen opnieuw gearresteerd en in het concentratiekamp Vught opgesloten.

Johan van Delft

Van der Wilt droeg zijn werk van die dag aan een ander over en ging samen met de Rotterdamse rechercheur Johan van Delft en de twee Haagse rechercheurs naar de Oostervantstraat. Daar werd de fouillering afgemaakt en het enige wat ze nog vonden waren twee een halfjaar oude kassabonnetjes van de ijzerwinkel fa. Smalink aan de Walenburgerweg in Rotterdam. Het leek ze onwaarschijnlijk dat de winkelier zich daarvan iets kon herinneren, maar bij gebrek aan beter gingen ze er toch maar op af. De winkelier moest inderdaad lachen toen de vraag kwam wie een half jaar geleden een aankoop had gedaan, maar hij wilde het bonnetje toch wel bekijken. En toen zei die dat hij zich déze aankoop wel kon herinneren, omdat het zulke vreemde aankopen waren (Dormits had materialen gekocht voor het fabriceren van brandbommen en dat deed geen enkele andere klant van de ijzerwinkel). Toen vroeg de politie of hij het adres van de klant wist. En dat wist hij, want er was verzocht om de goederen aan huis af te leveren; hij kon het in het orderboek nakijken. Het adres was Bijlwerffstraat 35 A.

Het pand Bijlwerffstraat 35A.
Pieter Baan woonde eenhoog; Dormits op zolder.

De vier politiemannen gingen naar het opgegeven adres en belden daar aan. Er werd niet opengedaan. Toen verschaften ze zich met de sleutel van Dormits toegang tot de woning. Er was niemand thuis en er was niets bijzonders te zien. Ze stonden nog even te overleggen toen er aangebeld werd. Het was Louisa Bogaerdt ’t Hooft-Gerdes die haar bontmantel, die ze ter reparatie had afgegeven, op kwam halen. Ze toonden haar de foto van Dormits en vroegen of zij hem kende. Ze zei dat Dormits de zolderverdieping had gehuurd. Vervolgens kwamen de bewoners thuis: het echtpaar was op de tandem weg geweest. Ze werden bij binnenkomst gegrepen.

Een paar politiemannen gingen naar zolder en troffen daar een werkplaats voor het maken van bommen aan. Ze vonden onder andere drie trotyl-blokken, hoeveelheden kaliumchloraat, brandbare vloeistoffen, fosforzuur, zoutzuur, ijzervijlsel (vermoedelijk bedoelde de politie aluminiumvijlsel dat bij hoge temperaturen goed kan branden). Verder vonden ze stapels papieren. Een bevatte verslagen over bomaanslagen, waaronder die op het Rotte-viaduct. In het rapport werd de dader Izaäk Sies genoemd. De politiemannen waren laaiend enthousiast, want hier waren ze al twee maanden lang naar op zoek en nu kwam een mooie promotie in zicht. Maar er waren ook rapporten over een plan om telefoonkastjes te saboteren. Het betroffen zeven kabelkastjes vanwaar telefoonkabels naar politie, Sicherheitsdienst en Wehrmacht-stellingen aan de kust liepen en die buiten werking gesteld moesten worden in geval van een geallieerde landing op de Nederlandse kust. Maar er waren ook plattegronden van de telefoonkabelverbindingen van het raadhuis en hoofdpostkantoor en plattegronden van het wisselsysteem op rangeerterreinen. Verder waren er plannen bomaanslagen en technische aanwijzingen hoe rails opgeblazen moest worden.

Ook lag er een stapel papieren met betrekking tot de leden van de Nederlandse Volksmilitie. Deze papieren waren in code geschreven, maar de code was zo kinderlijk eenvoudig dat de politie het ter plekke kon ontcijferen (vermoedelijk was het A=1, B=2, enz.) De kopregel luidde ‘N.V.M. Plaatselijke commandant R.100’. Het was een ledenlijst met details als:
naam of code, adres, beroep, gehuwd / ongehuwd, kindertal
naam v.d. patroon of eigen baas, werkloos, werkverschaffing e.d.
functie binnen NVM
militaire opleiding
Bijzondere geschiktheid: spring- en brandstoffen, vuurwapens, straatvechten, inbreken, vernielen van bruggen, spoorwegen, machines, telefoon, telegraaf, elektriciteit, gas e.a.; schilderen, redactie typen, werven van nieuwe leden.
persoonlijke bijzonderheden: durf, moed, voorzichtig, zenuwachtig, lomp, sloom, ziekelijk enz.
Geschikt voor:
S-Groep: Sabotage
K-Groep: Knokploeg
O-Groep: Opsporing (opzoeken objecten voor sabotage)
V-Groep: Verbreider (maken en verspreiden van De Waarheid en De Patriot).
Dit was de eerste keer dat de politie en Sicherheitsdienst de term ‘knokploeg’ tegenkwamen, het lijkt erop dat Dormits deze term gemunt heeft.

De foto van Saartje van Gigch zoals die in het politieopsporingsbericht werd geplaatst.

De politie ging ook met de buren praten en kwam er toen achter dat er nog een bewoonster moest zijn. Ze heette Selma en werkte in een kapsalon aan de Schieweg. Van der Wilt ging naar de Schieweg en daar bleken twee kapsalons te zijn. Hij deed in beide salons navraag naar Selma. In kapsalon Lezer op nummer 77 sprak hij de kapster Saartje van Gigch. Hij vroeg naar een kapster Selma, waarop die antwoordde dat Selma net naar huis was gegaan. De andere kapsters reageerden niet. Saartje moest haar persoonsbewijs tonen en daar stond in dat ze Saartje heette en op het adres Zaagmolenstraat 170 woonde. Van der Wilt keerde onverrichter zake terug naar de Bijlwerffstraat. Daar werd de huiszoeking voortgezet en toen werd een pasfoto van Selma gevonden (die was bestemd voor het valse persoonsbewijs). Tot zijn stomme verbazing zag Van der Wilt dat hij net met haar gesproken had en bij de neus genomen was. Bij terugkeer bij de kapsalon was die gesloten. De politiemannen lieten de rechercheur Jan de Rooij naar de woning van Pieter Baan komen om daar als vaste post achter te blijven om eventuele aanbellers te arresteren en om het echtpaar Baan te bewaken. Vervolgens vertrokken de vier politiemannen naar het hoofdbureau om vandaar de Sicherheitsdienst te waarschuwen. Ze verwachtten voor het oplossen van zowel de brandstichting in Den Haag en de bomaanslag op het Rotte-viaduct een geldelijke beloning en een promotie te krijgen.

Saartje was meteen uit de kapperszaak vertrokken en naar de woning van Izaäk Sies gegaan, waar ook Hendrik Speksnijder woonde. Ze gingen onmiddellijk naar het prominente NVM-lid Karel Meijer en met zijn drieën gingen ze naar de Bijlwerffstraat om belastend materiaal weg te halen. Hieruit blijkt dat er wel degelijk maatregelen waren genomen om de lijst met namen in veiligheid te stellen. Toen ze aanbelden, had Pieter Baan de tegenwoordigheid van geest om tegen de politiepost Jan de Rooij, meteen nadat die de deur open had gedaan, luidkeels te roepen: ‘Daar zullen je maten zijn, die je komen aflossen.’ Dit was voldoende voor het drietal om de benen te nemen. De Rooij deed nog wel een poging om ze te achterhalen, maar die bleef vruchteloos. De politie arresteerde vervolgens het echtpaar Pieter en Paulina Baan-Bouwman. Pieter werd later naar het concentratiekamp Vught overgebracht. Hij overleed vrij snel in Vught, wat doet vermoeden dat hij daar een extra wrede behandeling kreeg.

Voor hun rol bij de arrestatie van Dormits kreeg de hulpagent een beloning van 1000 gulden, de beroofde vrouw 500 gulden en de politie-inspecteur voor ieder van zijn drie kinderen een spaarbankboekje met 500 gulden. De beloning van 1000 gulden was conform een beloning die directeur-generaal van politie Antoni Brants had uitgeloofd voor het geven van informatie over saboteurs tegen de Duitse Wehrmacht, wat op 27 oktober 1941 in het politieblad werd gepubliceerd.

De arrestaties

De leider van de Rotterdamse Aussenstelle van de Sicherheitsdienst Herbert Johannes Wölk vermoedde onder invloed van Duitse doctrines dat er sprake was van een groot ‘Judisch-bolschewistisch’ complot. Bovendien rook hij zijn kans voor een promotie.

Herbert Wölk

Hij ging nog dezelfde avond over tot een grote arrestatieactie die de hele nacht duurde. In sommige gevallen werden ook huisgenoten gearresteerd; in een paar gevallen zelfs jongeren beneden de 18 jaar. Verder kreeg de politie opdracht iedereen die ’s avonds op straat werd aangetroffen te arresteren; ze werden dan de volgende dag verhoord en als het vermoeden ontstond dat ze bij de NVM behoorden gearresteerd. Op die manier hoopte men personen die op het laatste moment wisten te vluchten, alsnog in handen te krijgen. Er werden zo ruim 140 personen gevangen genomen, waarvan een flink aantal van Joodse afkomst was.

Christelijke school aan de Mathenesserdijk, vermoedelijk de school waar de arrestanten naartoe werden gebracht.

De arrestanten werden naar verschillende politieposten overgebracht en vandaar naar naar de School met den Bijbel aan de Mathenesserdijk 23, waar ze in de gymzaal werden vastgehouden. Vooral de Joodse arrestanten werden zwaar mishandeld en walgelijk vernederd, waarbij de twee meehelpende Rotterdamse politiemannen genoeglijk stonden toe te kijken. Ze mochten niet naar het toilet en toen enkele vrouwen het niet langer konden ophouden en het lieten lopen, moesten Joden het opdweilen, waarbij een Joodse vrouw bij wijze van dweil over de grond gezwierd werd. De Rotterdamse politiemannen stonden lachend toe te kijken. De arrestanten werden de volgende dag naar het Oranjehotel in Scheveningen overgebracht. Omdat er in het Oranjehotel niet genoeg plaats was, werd een aantal andere gevangenen vanuit het Oranjehotel naar kamp Amersfoort overgebracht.

Wölk liet ook nog eens twee personen in het buitenland arresteren, respectievelijk in Wenen en Friedrichshafen aan de Bodensee; waarschijnlijk werd de opdracht telefonisch of telegrafisch gegeven. Ze werden meteen naar het Oranjehotel overgebracht.

Verder was er een poging om Cornelis van der Kraats, de oprichter van De Pechvogels, te arresteren, maar hij was gewaarschuwd en halsoverkop ondergedoken, maar kon op 28 oktober alsnog gearresteerd worden. Bij hem werden sabotagemateriaal en plannen voor aanslagen gevonden.

Toegangspoort van het Oranjehotel.

De leden van de Rotterdamse politie waren laaiend enthousiast over het behaalde resultaat. Toen leden van de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst weer eens kans zagen een Joodse communist te arresteren, werd met kleurpotlood met koeien van letters ‘NVM‘ dwars over het rapport gezet. Vaak werd er zelfs een liniaaltje bij gebruikt om de letters een kalligrafisch verantwoorde vorm te geven. Van zo een enthousiaste creativiteit was bij geen enkele andere melding in het rapportenboek sprake. De komende dood van meer dan 150 rotcommunisten moest uitbundig gevierd worden.

Doordat Saartje zich uit de voeten had gemaakt en twee personen te waarschuwen, kon dit drietal toch nog een flink aantal leden van de NVM voor een mogelijke arrestatie te waarschuwen. Er werd een opsporingsbericht voor Saartje in het Buitengewoon Politieblad geplaatst. In het opsporingsbericht stond de tekst: ‘De C.v.P. van den just. Dienst groep 3, hoofdbureau van politie, te Rotterdam, verzoekt namens de Sicherheitspolizei opsporing, aanhouding en voorgeleiding van de jodin Saartje van Gigch, geb. 12 Maart 1912 te Amsterdam, gescheiden of verlaten van van Bergen, laatst wonende te Rotterdam, Zaagmolenstraat 170.’.

Het opsporingsbericht voor Saartje van Gigch.

Een week later werd een opsporingsbericht geplaatst voor de belangrijkste leden van de NVM: Saartje van Gigch tweede maal), Gerrit Houtkamp, Karel Meijer, Gerrit Oort, Izaäk Sies, Hendrik Speksnijder en Gijsbertus van Vught. Daarbij stond in de toegevoegde tekst onder ander: ‘Het betreft hier personen, welke behooren tot een door joden geleide zuiver communistische organisatie. Deze organisatie heeft sabotagedaden verricht, waarna gijzelaars zijn terechtgesteld en worden vastgehouden. Het is derhalve van groot belang, dat de gesignaleerde personen zoo spoedig mogelijk worden gevat.’ De meesten van hen werden in de maanden die volgden alsnog gearresteerd worden.

Wölk liet in de nabijheid van het Oranjehotel een pand aan de Maastrichtsestraat 76-78 voor verhoren inrichten. De verhoren in de dagen en weken daarna gingen gepaard met zware mishandelingen. Door de verhoren, waarbij niet iedereen bestand was tegen de mishandelingen en de bedreigingen tegen gezinsleden, werden steeds meer namen van leden van de NVM verkregen. Die werden vervolgens opgepakt en verhoord wat werd tot nieuwe namen leidde. Kors van der Wilt moest als tolk bij deze verhoren aanwezig zijn en was dus getuige van de mishandelingen; hiermee was hij dus medeplichtig aan de martelpraktijken. Dit proces werd tot maart 1943 voortgezet. Vanaf de tweede week in december vonden de verhoren niet langer in Scheveningen plaats, maar in Rotterdam. De mishandelingen tijdens de verhoren werden vermoedelijk hoofdzakelijk door Sicherheitsdienst uitgevoerd. Maar op basis van de procedure gevolgd bij het verhoren van Haagse communisten moet er bij de verhoren en mishandelen van deze Rotterdamse communisten bijna altijd een Rotterdamse politieman van de Inlichtingendienst aanwezig zijn geweest. Dit was noodzakelijk omdat het Sicherheitsdienst geen of slecht Nederlands verstond, terwijl de door pijn verwrongen kreten moeilijk verstaanbaar waren. Het Inlichtingendienstpersoneel kon dat veel beter verstaan en kende bovendien veel namen van Rotterdams communisten, zodat zij de kreten beter tot namen konden herleiden.

Een belangrijk persoon voor Samuel Dormits was Elias Waas. Waas was van Joodse afkomst en wilde zich niet zomaar door de Duitsers naar de slachtbank laten voeren. Hij was fulltime in het verzet gegaan. Hij gaf leiding aan sabotageacties en zamelde persoonsbewijzen in. Verder kocht hij wapens, munitie en explosieven op en leverde die aan Dormits, die daarvoor binnen de NVM een bestemming vond. Bij het zoeken naar verkopers van dit soort zaken kwam hij in contact met de Rotterdammer Klaas Roos die hem aan explosieven kon helpen. Roos was een louche figuur die in van alles handelde, vooral in zaken die verboden waren. Daardoor werd hij opgepakt door de Sicherheitsdienst. Daar werd hem beloofd dat hij vrij zou komen als hij Waas in de val liet lopen. Aldus maakte Roos een afspraak met Waas voor 27 oktober op het station Hofplein. Twee Sicherheitsdienst-mannen in burger wachtten het tweetal op. Een van hen liep achter Waas aan en pakte hem van achteren. Maar Waas was ijzersterk en wist zich half vrij te worstelen en reikte naar zijn revolver. De andere Sicherheitsdienst-man zag de worsteling en die schoot een toevallig aanwezige Wehrmacht-militair aan en wist die over te halen om in te grijpen. Die sloeg Waas van achteren met een bajonet een gat in de schedel. Door de arrestatie kwam de Sicherheitsdienst erachter dat Waas in Den Haag ondergedoken zat en geholpen werd door Samuel Velleman, die vervolgens twee dagen later gearresteerd werd.

Razzia op Hollandia-Kattenburg

Op de lijst van Dormits stond ook de naam van de jonge Amsterdamse vrouw Maria Magdalena Korthagen, roepnaam Martha. Het hele gezin Korthagen werd al meteen op 18 oktober in Amsterdam gearresteerd. Martha had tot voor een jaar bij het Amsterdamse bedrijf Hollandia-Kattenburg gewerkt. Het bedrijf maakt rubberen regenkleding en had vele honderden werknemers. De belangrijkste afnemer was de Wehrmacht, want de regenkleding was hard nodig voor de militaire operaties in de Sovjet-Unie, waar vaak barre weersomstandigheden voorkwamen. Daarom waren de werknemers vrijgesteld van de Arbeitseinsatz en de Joodse werknemers bovendien van deportatie naar Polen. Voor de Joodse werknemers gold bovendien dat het door de vele antisemitische maatregelen moeilijk was om een baan te vinden, terwijl er toch brood op tafel moest komen. De eigenaar van het bedrijf was Joods en ongeveer de helft van de werknemers was naar Duitse maatstaven Joods.

Maria Magdalena (Martha) Korthagen

Het is helaas niet bekend waarom de naam van Martha op de lijst van de Rotterdamse NVM voorkwam. Bij Hollandia-Kattenburg vond in 1941 een incident plaats, waarbij de werknemer Jacob (Japie) Smeer zich vrijpostig of handtastelijk tegenover Martha gedroeg. Martha gaf hem een klap in het gezicht. Smeer werd dientengevolge ontslagen. Mogelijk dat Martha vanwege dit incident ontslag bij Hollandia-Kattenburg nam en nog enige rancunes had.

Martha kwam uit een groot gezin waar verschillende personen grote psychologische problemen hadden; een zuster leed aan toevallen en zelf leed ze waarschijnlijk aan vervolgingswaan. Martha was tijdens de verhoren niet bestand tegen de psychologische druk en de bedreiging met mishandelingen jegens haar en haar naaste familie. Ze begon informatie prijs te geven. Vermoedelijk konden daardoor nog meer Joodse en niet-Joodse Amsterdammers gearresteerd werden, zoals het Joodse gezin Coppenhagen dat op 31 oktober gearresteerd werd en naar Scheveningen overgebracht werd. Bij de verhoren kwam uiteraard het incident met Smeer ter sprake en ze vertelde uiteindelijk dat Smeer betrokken was bij de verspreiding van het communistische verzetsblaadje De Waarheid op het bedrijf. Een belangrijk deel van de verspreiding gebeurde door een stapeltje krantjes op de lopende band te leggen, waarna ieder die dat wilde een exemplaar kon pakken. Sommigen deden dat uit overtuiging en anderen uit nieuwsgierigheid of groepsdruk. Natuurlijk pakten zowel Joodse als niet-Joodse werknemers regelmatig zo een blaadje. Verder beaamde ze volgens de Sicherheitsdienst dat er bij het bedrijf sabotage werd gepleegd door slecht werk af te leveren. Het kan zijn dat de woorden in haar mond gelegd werden en dat ze door de psychologische druk het niet kon ontkennen, want de collega’s vertelden natuurlijk niet openlijk over door hen gepleegde sabotage. Bovendien was er kwaliteitscontrole door het bedrijf en slecht werk kon je baan kosten; de controle was al voor de oorlog standaard en in de oorlogsomstandigheden wilde het bedrijf moeilijkheden met de Duitse instanties ten koste van alles vermijden. Verder waren er na aflevering ook nog eens steekproefsgewijze controles op de kwaliteit door de Duitse afnemers. Maar de Sicherheitsdienst-chef Wölk was helemaal bezeten van het vermoeden van een Joods-communistisch complot wat hem een mooie promotie kon opleveren.

De razzia op Hollandia-Kattenburg. De 17 Duitse overvalwagen staan voor het gebouw. De niet-Joodse werknemers verwijderen zich, zonder te beseffen welk drama zich afspeelt.

Wölk sloeg op 11 november 1942 toe. Hij organiseerde een grote razzia op de Joodse werknemers van Hollandia-Kattenburg. Een groot aantal Rotterdamse Sicherheitsdienst-mannen viel het Amsterdams bedrijf binnen, waarvoor zeventien overvalwagens werd ingezet. De werknemers moesten hun persoonsbewijs laten zien, waarna de niet-Joodse werknemers naar huis werden gestuurd en de Joodse verzameld werden. Vervolgens werden ze naar het pand van de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat afgevoerd. Daar moesten de werknemers een voor een langs een loket lopen, waarachter Martha verdekt stond opgesteld. Zij moest aanwijzen wie De Waarheid gelezen had en die werden apart opgesteld. Het viel op dat de meeste aangewezenen van de gummiafdeling kwamen waar Martha had gewerkt. Dat is logisch, want daar werden de krantjes van de lopende band gepakt en bovendien waren dat de werknemers die Martha kende: op de andere afdelingen had ze geen zicht gehad. De belangrijkste verschillen ontstonden doordat sommige werknemers in het verstreken jaar naar een andere afdeling overgeplaatst waren.

De niet-aangewezen werknemers werden de volgende ochtend vroeg per trein naar Westerbork overgebracht. Dat transport bevatte niet alleen de bij de razzia opgepakte werknemers, maar ook enkele werknemers die, meestal vanwege ziekte, thuis zaten en daar opgehaald werden. Ook werden in een paar gevallen gezinsleden van huis opgehaald en in dat transport geplaatst. Onderweg sprong Wolf van den Berg uit een raam van de rijdende trein toen die bij Nunspeet enigszins snelheid verminderde. Hij sloeg met zijn hoofd tegen de rails, waardoor hij zware verwondingen opliep, maar kon wel ontkomen.

De wel-aangewezenen werden naar de kelder gebracht waar de cellen waren. Daar moesten ze op de gang blijven staan, want er was in de cellen gewoon geen plaats voor al die Kattenburgers, ook omdat al veel cellen bezet waren. Vervolgens werden ze naar de Zentralstelle für jüdische Auswandering aan het Adema van Scheltemaplein overgebracht, waar velen mishandeld werden. De volgende dag werden ze per trein naar het station Pompstation-Wittebrug in Scheveningen overgebracht. Vandaar moesten ze het kleine eindje naar het Oranjehotel lopen.

Station Wittebrug-Pompstation

Dat de affaire met Japie Smeer een belangrijke rol speelde bij de gedachtegang van Wölk, blijkt uit het feit dat hij behalve enkele gezinsleden van werknemers de enige voormalige werknemer was die op 11 november van huis werd opgehaald.

Vanuit het Oranjehotel werden ze in kleine groepjes naar het door Wölk voor de actie tegen de NVM ingerichte pand in de Maastrichtsestraat 76 gebracht en aldaar verhoord. Die verhoren gingen soms met mishandelingen gepaard. Omdat zo weinigen het overleefd hebben is er weinig over bekend. Kors van der Wilt moest als tolk bij deze verhoren aanwezig zijn en was dus getuige van de mishandelingen; hiermee was hij dus medeplichtig aan de mishandelingen. Na de oorlog heeft hij gezwegen over wat zich daar afgespeeld heeft. Een van de overlevenden vertelde dat tijdens een verhoor op een gegeven moment een kast geopend werd en dat Japie Smeer en Bernard Luza er uitstapten. Deze twee moesten vertellen of ze De Waarheid aan hem gegeven hadden, wat ze ontkenden. Dat is logisch want in de meeste gevallen ging de distributie via de lopende band. Er is wel bekend dat deze twee ook de mensen moesten aanwijzen die actief bij de distributie van De Waarheid betrokken waren. Ze moesten dat los van elkaar doen en als er verschillen waren dan werden ze met een karwats afgerost. Daardoor konden nog acht namen van actieve communisten verkregen worden. Bij sommige verhoren werd Martha erbij geroepen. Voor zover ze niet als actieve communisten beschouwd werden, gingen de arrestanten in het Oranjehotel op 25 november naar Westerbork afgevoerd en daar in een speciaal straf-blok opgesloten. Ze werden door de andere opgepakte werknemers van Hollandia-Kattenburg aangeduid als ‘Scheveningers’.

Jacob Smeer

Bernard Luza

De familie Korthagen werd na een verblijf in kamp Amersfoort vrijgelaten. Vanwege vrees voor wraaknemingen werd Martha op een boerderij in Zuid-Duitsland als dienstmeisje te werk werd gesteld. Daar is ze van een trapje gestruikeld terwijl ze een dienblad met een pot hete thee in haar handen had. Ze liep zware brandwonden in het gezicht op, waarvoor ze wekenlang in een ziekenhuis in Weimar lag. Ze hield er grote littekens aan het gezicht aan over. Na de oorlog werd ze gerepatrieerd en werd strafrechtelijk vervolgd. Ze werd in 1948 tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar werd in 1951 vervroegd vrijgelaten.

Uit de verhoren van Martha kwam ook de naam van Mijer Konijn naar voren als iemand die betrokken was bij de distributie van De Waarheid. Hij had echter een oproep gekregen voor deportatie en had zich dientengevolge op 2 oktober gemeld in Westerbork. De Sicherheitsdienst liet hem op de dag van de razzia 11 november vanuit Westerbork overbrengen naar het concentratiekamp Vught. Vervolgens werd hij op 20 november naar het Oranjehotel overgebracht. Tijdens de verhoren werd ook de naam van Debora (Bora) Slier genoemd als betrokkene bij de distributie. Zij was echter ondergedoken en kon pas op 7 december gearresteerd worden.

Behalve de werknemers van Hollandia-Kattenburg werden ook gezinsleden opgepakt. Dat gebeurde in enkele gevallen al op 11 november, maar op 13 november werd een speciale actie daarvoor opgezet. Daarbij werden overigens ook enkele werknemers opgepakt die op 11 november niet op hun werk waren. Overigens werden lang niet alle gezinsleden opgepakt, enerzijds omdat er een aantal al voor de razzia naar Auschwitz gedeporteerd waren of al in Westerbork verbleven, maar zonder aanwijsbare reden werden vele anderen niet opgepakt. Er lijkt veel willekeur in de keuze van de slachtoffers te zitten. In de praktijk maakte het niet zoveel uit, want binnen enkele maanden werd vrijwel alle niet opgehaalde gezinsleden in het kader van de holocaust naar Auschwitz of Sobibor afgevoerd en bijna allemaal vermoord.

Kiek Pierôt

Een van de personen die bij de actie tegen de gezinsleden werd opgepakt was Frederika (Kiek) Pierôt. Zij kwam uit een Haags gezin, waarvan alle vier thuiswonende volwassen kinderen in het Haags communistisch verzet actief waren; twee andere zusters waren in 1939 naar Moskou vertrokken om daar communistische scholing te volgen en konden door het uitbreken van de oorlog niet naar Nederland terugkeren. Zij was werkneemster maar op 11 november niet op haar werk. Bij de verhoren van andere opgepakte werknemers werd haar naam genoemd als betrokken bij de distributie van De Waarheid. Daarom werd zij op 15 november van huis opgehaald en toegevoegd aan de mensen die naar Scheveningen waren overgebracht. Toen ze zelf verhoord werd, gaf ze toe sabotage gepleegd te hebben door bij het naaien van de regenjassen extra grote steken toe te passen, zodat de jassen zouden lekken. Omdat deze ‘sabotage’ weinig effectief was en ze wist dat het bij de controles op een gegeven moment aan het licht zou komen, lijkt het woord ‘sabotage’ in haar mond gelegd te zijn bij de verhoren met vele bedreigingen. Het gevolg was dat ze toegevoegd werd aan een groepje mensen dat een strafproces zou krijgen.

Al op 16 november werden vier werkneemsters van Hollandia-Kattenburg en acht vrouwelijke gezinsleden van werknemers en een mannelijke op transport naar Auschwitz gezet. Van twee werkneemsters is bekend dat zij verzochten samen met hun al voor de razzia in Westerbork aangekomen echtgenoten eerder naar Auschwitz op transport te mogen gaan. Vermoedelijk golden voor de anderen soortgelijke redenen. Alle dertien werden meteen na aankomst in Auschwitz op 19 november vergast.

Twee personen gingen op respectievelijk op 23 en 25 november op transport en werden ook enkele dagen na aankomst vergast. Een gezin kreeg zes weken uitstel van deportatie, omdat hun 7 maanden oud kind ernstig ziek was en op 30 november overleed. Het kind werd in Westerbork gecremeerd. Het gezin werd op 16 februari op transport gezet, waarna de moeder en twee jonge kinderen meteen na aankomst vergast werden en de vader op een onbekende dag ongeveer twee maanden later.

Op 30 november 1941 vond een groot transport naar Auschwitz plaats van vrijwel alle bij de actie tegen Hollandia-Kattenburg opgepakte personen, zowel werknemers als gezinsleden. De trein stopte in Cosel en daar moesten jonge mannen uitstappen, ze werden bestemd voor dwangarbeid onder buitengewoon wrede omstandigheden. Ze zijn voor het grootste deel in de maanden of jaren daarna om het leven gekomen. Zeven van hen hebben de oorlog overleefd.

Vervolgens reed de trein door naar Auschwitz, waar ze op 3 december aankwamen. Met uitzondering van de ‘Scheveningers’ werden de meesten op de dag van aankomst vergast. Een paar werden in de weken daarna vergast. Bijna alle ‘Scheveningers’ werden op een onbekende dag in februari 1943 vergast. Een klein aantal kwam binnen enkele maanden door onbekende oorzaak om het leven.

Vier personen werden op 4 december en twee op 12 december op transport naar Auschwitz gesteld. Twee van hen werden meteen na aankomst vergast en de andere vier in de loop van februari 1943. In januari 1943 werden weer ze personen op transport gesteld, waarvan er twee meteen na aankomst werden vergast en de anderen in februari.

In de periode 20 februari tot 25 mei 1943 werden nog eens zeven personen op transport gesteld, maar nu naar Sobibor, waar ze meteen na aankomst vergast werden. Elie Brilleman werd pas op 25 februari 1944 naar Auschwitz op transport gesteld, omdat hij werd ingezet om zieken in Westerbork te verzorgen. Vervolgens kwam hij in Theresienstadt terecht, om uiteindelijk in een onbekend oord om het leven te komen.

In totaal 11 personen werden beschouwd als hoofdpersonen in de communistische propaganda binnen Hollandia-Kattenburg. Zij werden niet (meteen) naar Westerbork gestuurd, maar zouden een strafproces moeten krijgen. Leo Parreira werd op 16 december alsnog naar Westerbork overgebracht, op 11 januari op transport gesteld en in april 1943 in Auschwitz vergast. Voor vijf ging het proces niet door en werden op 12 januari 1943 naar Westerbork afgevoerd, waarna ze op 18 januari op transport naar Auschwitz gingen en vervolgens direct na aankomst op 18 januari vergast werden. Mijer Konijn en Bernard Luza kregen de doodstraf en werden beiden op 15 februari in op respectievelijk de Waalsdorpervlakte en Schiphol gefusilleerd. Het lichaam van Konijn kon vlak na de oorlog geïdentificeerd worden, maar dat van Luza pas in 2023. Kiek Pierôt kreeg de doodstraf, wat voor vrouwen automatisch in een tuchthuisstraf werd omgezet, waarbij voor haar de Nacht-und-Nebel-status werd toegekend; ze is uiteindelijk in Mauthausen overleden. Ook Elias Dingsdag en Japie Smeer kregen de doodstraf, maar werden gegratieerd met omzetting in vijftien jaar tuchthuisstraf. In plaats van deze straf werd Smeer op 25 mei 1943 naar Westerbork overgebracht en dezelfde dag nog op transport naar Sobibor waar hij meteen na aankomst vergast werd. De tuchthuisstraf voor Dingsdag werd tegen de voorschriften in uitgevoerd in een concentratiekamp; hij werd aan het eind van de oorlog in Buchenwald bevrijd.

Uiteindelijk hebben negen slachtoffers van de razzia op Hollandia-Kattenburg de oorlog overleefd: de communist Elias Dingsdag, de ‘Scheveningers’ Jacob Boers en Jacob Nuenes Vas, van de andere gedeporteerde werknemers Levie van Coevorden, Hessel Goldberg, Samuel Jas, Siegfried Parsser en Louis Schuitevoerder, terwijl Wolf van den Berg al in Nederland uit de naar Westerbork rijdende trein wist te springen.

Vervolg arrestaties NVM

In november en december 1942 vond een continue stroom plaats van arrestaties van leden de NVM, die meestal onmiddellijk naar het Oranjehotel werden overgebracht. Na een week in december vond Wölk het verhoren in Scheveningen te onhandig worden, waarna de arrestanten in Rotterdam gehouden werden. Ze werden opgesloten in het huis van bewaring aan het Haagsche Veer en verhoord in het Sicherheitsdienst-kantoor aan de Heemraadssingel 226.

Het politiebureau en huis van bewaring Haagsche Veer.

Op 7 januari 1943 kon het prominente NVM-lid Jacob Vleeschhouwer gearresteerd worden. De reden was dat hij een Joods uiterlijk had en geen ster droeg; bij controle van zijn persoonsbewijs bleek daar een ‘J’ in gestempeld te staan. Op het politiebureau werd het opsporingsregister geraadpleegd en toen bleek dat hij gesignaleerd stond als lid van de NVM. Door hem, vermoedelijk door een aantekening in zijn agenda, kwam Wölk erachter dat Vleeschhouwer op 9 januari om 15.00 uur op de Statenweg voor perceel 182 A een ontmoeting zou hebben met Hendrik Speksnijder. Vleeschhouwer werd met een bezemsteel in de broekspijpen opgesteld op Statenweg, met een aantal Sicherheitsdienst-mannen en politiemannen om zich heen. Daarbij waren de Sicherheitsdienst-mannen Wölk en Hoffman en de politiemannen Van der Wilt en Van Delft.

Hendrik Speksnijder.

Toen Speksnijder naderde probeerde Vleeschhouwer hem nog te waarschuwen, maar Speksnijder kon niet meer ontkomen. Hij probeerde nog te vluchten met Wölk achter zich aan, maar liep daarbij in de armen van Hoffman. Speksnijder verzette zich hevig, waarbij een vrouw vanuit een bovenverdieping een bloempot gooide; de Sicherheitsdienst schoot op het raam. Hoffman was een goed getrainde amateurbokser en die wist Speksnijder tegen de grond drukken. Vervolgens greep Van der Wilt hem vast, waarna Hoffman hem met de hak van zijn laars in het gezicht trapte. Speksnijder liep daardoor een uitermate pijnlijke kaakfractuur en daardoor misvormd gezicht op. Speksnijder werd in een auto getrokken. Speksnijder probeerde in de auto nog een pistool uit zijn borstzakje te trekken, maar dat mislukte. Bij het gebouw van de Sicherheitsdienst in de Heemraadssingel 226 aangekomen werd Speksnijder naar een kamertje op de eerste verdieping gebracht. Plotseling nam hij een aanloop, sprong op de verwarming en liet zich door het raam vallen, maar hij bleef met zijn voet in de sponning haken. Speksnijder werd terug gehesen; hij had snijwonden in het gezicht opgelopen. Omdat Gerrit Kastein een paar weken later op soortgelijke manier uit het raam sprong, lijkt het dat de twee dat als optie afgesproken hadden.

Het gebouw van de Sicherheitsdienst aan de Heemraadssingel 226.

Op Hendrik Speksnijder werd een aantekening gevonden over een ontmoeting met zijn neef Caspar Speksnijder bij station Hollands Spoor in Den Haag. Caspar was bij het begin van de arrestatie van leden van de NVM vanuit Rotterdam in de Van Ravesteinstraat in Den Haag ondergedoken. Hendrik werd met een bezemsteel in zijn broekspijp bij Hollands Spoor neergezet. De Duitse SD’ers Wölk, Hoffmann en Schoenig en de Rotterdamse politiemannen Van der Wilt en Van Delft observeerden de ‘tref’. Caspar liep in de val. Hij had een gummiknuppel en boksbeugel in bezit. De twee Speksnijders werden naar de Sicherheitsdienst aan het Binnenhof overgebracht. Caspar werd verhoord, maar hij liet niets los en werd daarom een paar keer naar de kelder gebracht om door Hoffmann en een Haagse SD’er met een zweep afgeranseld te worden, zodat zijn rug een bloederige massa werd en zijn onderbroek in het vlees gedrukt zat. Bij de martelingen in de kelder was een Haagse SD’er betrokken. Enkele dagen later, toen Caspar naar Rotterdam was overgebracht, constateerde Van der Wilt dat de anus van Caspar ernstig misvormd was. Dit doet vermoeden dat de Haagse SD’er Ernst Knorr is geweest, de misvorming van de anus doet sterk denken aan het doodmartelen van Herman Holstege, waarbij Knorr met een gummiknuppel in de anus porde en de darmen doorboorde. Dat Van der Wilt grote belangstelling voor de anus van Caspar toonde en die nauwkeurig observeerde, doet sterk vermoeden dat hij bij verdere martelingen van Caspar betrokken was.

De beloning voor de opsporing van Karel Meijer.

Karel Meijer was in de loop van 1942 ondergedoken bij Pieter Kok in de Insulindestraat 267 om aan uitzending naar Duitsland in het kader van de Arbeitseinsatz te ontkomen. Hij kon daardoor in oktober 1942 niet gearresteerd worden. Hij stond daarom gesignaleerd in het Buitengewoon Politieblad. Op 11 januari 1943 deed de politie een inval bij Pieter Kok. Meijer kon ontkomen door driehoog vanuit het raam in de tuin te springen. Dat werd gehoord door de Sicherheitsdienst die ging kijken. Ze zagen hem door de tuin rennen en schoten dertien maal op hem. Meijer werd door enkele schoten getroffen en liep een slagaderlijke bloeding op. Desondanks kon hij ontkomen. Hij belde op een willekeurig adres aan en dat bleek een verpleegkundige te zijn die die slagaderlijke bloeding kon stoppen. De verpleegkundige bracht hem naar de arts Gerrit Meijboom. Die verleende medische hulp en bracht hem voor een nacht onder bij zijn patiënt Hendrikus Kermis, ook een NVM-lid, en daarna op een ander adres. Hij kende iemand die hem naar Frankrijk kon helpen ontkomen, maar die was loslippig en vertelde het aan zijn moeder. Die had vernomen dat er een prijs van 1000 gulden op het hoofd van Meijer was gezet en waarschuwde de politie. Daardoor kon Meijer op 19 januari op het perron van het station Feijenoord gearresteerd worden. Gerrit Meijboom was een politiearts die tevens vertrouwensarts voor de NVM was. De NVM kon met gewonde verzetsmensen en zieke onderduikers bij hem terecht. Hij handelde volgens de eed van Hippocrates en hielp iedereen die medische hulp nodig had, zonder dat ze bang moesten zijn dat hij het aan de politie of Sicherheitsdienst doorgaf. Hij had zelfs een Joods kind in huis genomen. Hij werd op verzoek van de Sicherheitsdienst op 22 augustus 1943 gearresteerd en de volgende dag naar het Oranjehotel overgebracht en in januari 1944 weer vrijgelaten, maar was wel door de politie ontslagen.

In de loop van januari tot maart 1943 konden nog enige tientallen leden van de NVM gearresteerd worden, die op de arrestantenkaarten van de Rotterdamse politie bijna allemaal speciaal met rood potlood gemarkeerd werden met eerst ‘NVM’ en later met ‘CPN’.

Er werden strafprocessen tegen leden van de NVM gevoerd. Er werden 21 personen gefusilleerd nadat ze doodstraf hadden gekregen. Zes personen werden gegratieerd nadat ze de doodstraf hadden gekregen; ze kwamen in een concentratiekamp terecht waardoor een van vlak na de oorlog zou overlijden. Vier kregen uitstel van executie doodstraf met opsluiting in concentratiekamp: 1 overleden in Duitse gevangenis, 1 vergast, 2 overleden in concentratiekamp. Een groep van 23 werd veroordeeld tot opsluiting in een concentratiekamp volgens het Nacht-und-Nebel-principe: 3 vergast, 19 overleden in concentratiekamp, 1 vlak na de oorlog overleden ten gevolge van verblijf in concentratiekamp.

Feest bij de politie

Toen omstreeks februari 1943 de actie tegen de NVM zo goed als afgelopen was kregen alle politiemannen die aan de actie hadden deelgenomen een feest door de Sicherheitsdienst aangeboden. Het feest ontaardde in een enorme vreet- en zuippartij. De dood van de vele communisten en Joden moest uitbundig gevierd worden.

Op 30 april 1943 geeft de Sicherheitsdienst aan de Rotterdamse hoofdcommissaris te kennen dat een bevordering van Kors van der Wilt, Johan van Delft en nog vier anderen gewenst werd. Als toelichting werd gegeven: ‘Sämtliche Beamten haben sich bei der Durchführung der ihnen übertragenen Aufgaben hervorragend bewährt.

Na de oorlog verklaarden Rotterdamse politieautoriteiten dat de acties tijdens de oorlog tegen het verzet geoorloofd waren als het communisten betrof.

Verbindingen met Amsterdam en Gooi en aantekeningen in agenda’s

Uit de verhoren van leden van de NVM leerde Wölk dat er ook een verbinding was tussen de NVM in Rotterdam en leden van de CPN in Amsterdam, die waarschijnlijk als leden van of betrokkenen bij de NVM beschouwd moeten worden (de meeste van de gearresteerden werden op hun arrestantenkaart gemerkt als NVM-lid). Wölk kreeg visioenen dat hij door het arresteren van hen de leiding van de landelijke CPN in handen kon krijgen, wat hem geheid een grote promotie zou bezorgen. In de tweede helft van januari 1943 liet hij door Sicherheitsdienst-mannen uit Rotterdam arrestaties in Amsterdam verrichten en de arrestanten naar Rotterdam overbrengen. Deze arrestaties liepen door in de eerste helft van februari, waarna nog een arrestatie in april plaats vond. Er werden 18 personen gearresteerd.

Door het verhoren van de arrestanten uit Amsterdam leerde Wölk van het bestaan van een verbinding met Het Gooi. Hij liet op 9 en 10 februari 1943 door zijn mannen arrestaties in Het Gooi verrichten. In Het Gooi zaten verschillende prominente Amsterdamse communisten ondergedoken. Er werden 9 personen gearresteerd. Waarschijnlijk zonder het te weten kreeg hij iemand uit de landelijke leiding van de CPN in handen. Dat was Nicolaas Bergsma die deel uitmaakt van het reserve-drietal dat de landelijke leiding moest gaan vromen als er binnen het functionerende leidende drietal arrestaties zouden plaats vinden. Daarvoor was het noodzakelijk dat Bergsma op de hoogte was van wat er zich in grote lijnen in het CPN-verzet over heel Nederland plaats vond en moest hij de namen en onderduikadressen kennen van een aantal contactpersonen.

Nicolaas Bergsma.

Bergsma werd bij zijn arrestatie gefouilleerd en daarbij werd een agenda of notitieboekje gevonden. Daarin stonden een aantal afspraken. Een van de afspraken was duidelijk omschreven met plaats, tijdstip en hoe de persoon te herkennen. Het was een afspraak die door Gerrit Kastein gearrangeerd was, waarbij het ging om een persoon die hij nog nooit ontmoet had. Het ging om Piet Wapperom uit Den Haag, die daar op de uitkijk had gestaan bij het in brand steken van de opslagplaats voor hooi en stro van de Wehrmacht. In opdracht van Kastein was Wapperom over gestapt naar het Militair Contact (mil), dat onder leiding van Gerben Wagenaar stond. Het eerste project was om in samenwerking met Bergsma, Wagenaar en een aantal anderen alle arbeidsbureaus verspreid over Nederland tegelijkertijd in brand te steken met het oogmerk de Arbeitseinsatz ernstig te verstoren om enerzijds de Duitse oorlogsindustrie te hinderen en anderzijds Nederlandse arbeiders af te schermen van verplichte arbeid in Duitsland. Wagenaar had Bergsma en Wapperom met elkaar in contact gebracht.

Wagenaar arrangeerde een nieuwe afspraak tussen Bergsma en Wapperom om 11 uur voor het station in Utrecht. Dat las de Sicherheitsdienst ook in de agenda van Bergsma. Toen Wapperom vanuit het station naar Bergsma liep werd hij door een paar Sicherheitsdienst-mannen vast gegrepen en naar een auto gebracht, waarin Bergsma al zat. In de auto werd Wapperom gefouilleerd en werd zijn agenda gevonden. Daarin stonden voor die dag nog twee afspraken: een om half een bij een bruggetje aan de Leidscheweg in Utrecht en een andere bij een tramhokje voor het station in Arnhem.

De Sicherheitsdienst nam Wapperom mee naar het bruggetje en daar tegenover stond Wijnand Brouwer te wachten en kon gearresteerd worden. Hij bleek De Waarheid op zak te hebben.

Voor de afspraak in Arnhem werd door de Sicherheitsdienst de V-Mann Ries Jansen ingezet. De V-Mann kreeg de instructies die de Sicherheitsdienst in de agenda van Wapperom gelezen had: Hij moest een exemplaar van het tijdschrift De Lach uit zijn linker jaszak laten steken en vragen: ‘is dit de tram naar Nijmegen?’, waarop hij het antwoord ‘Oké’ moest krijgen. De grap was dat er helemaal geen tram naar Nijmegen reed. Er was enige twijfel over de juiste herkenningszin en de V-Mann zei bij het tramhokje: ‘is dit de tram naar Nijmegen? Oké!’. De ontmoetingsman, Albert Veltman, zei toen ‘Je had moeten zeggen “Vertrekt hier de tram naar Nijmegen” en na mijn antwoord pas “Oké”’. Dat was dom, want hoewel hij gewaarschuwd had moeten zijn voor gevaar doordat het wachtwoord foutief werd gegeven, gaf hij prijs dat hij de trefman was. Daarna liepen Veltman en de SD’er een stukje door Arnhem. Veltman bracht verslag uit van zijn illegale activiteiten. Maar daarna vroeg de SD’er naar namen en dat wekte wantrouwen bij Veltman, want dat behoorde men niet te doen. Hij zei dan ook dat hij die niet kende. Vervolgens kwamen ze op het Velperplein bij de tramhalte tegenover Musis Sacrum, waar de SD’er de tram naar het station zou pakken. Veltman waarschuwde dat de tram vertrok, maar de SD’er stapte niet in en meteen daarop werd Veltman door vijf SD’ers met getrokken pistool omsingeld en gearresteerd. Hij werd in het SD-gebouw ondervraagd en toen hij bleef zwijgen, werd hem met een gummiknuppel een gapende wond in het hoofd geslagen, zodat het bloed op de muur spatte. Nog dezelfde avond voerde de SD hem naar Rotterdam af. In de dagen daarna martelden ze hem vreselijk. Op een gegeven moment confronteerde de SD hem weer met de SD’er van de tref, die in Veltmans bijzijn alles herhaalde wat deze in Arnhem verteld had. Dezelfde dag werd Lourens Veenstra in Arnhem gearresteerd en naar Rotterdam overgebracht; hij kon gearresteerd worden ten gevolge van de arrestatie van Veltman.

Piet Wapperom werd naar Rotterdam overgebracht. In de gevangenis legden ze hem met één hand en één voet vast aan kettingen. Ze sloegen en bespuugden hem, ze drukten een sigaret uit op zijn hand. Ze bonden hem veertien uur lang vast met de geboeide handen omhoog en met zijn rug tegen een hete, hoogliggende verwarmingsbuis, zodat zijn tenen nauwelijks de grond raakten, hetgeen uiterst pijnlijk was (de boeien sneden scherp in zijn polsen). Ook Veltman werd verschrikkelijk gemarteld.

In de agenda van Wapperom stonden een aantal afspraken in en rond Den Haag. Er stond in 13 Febr. Klaas SS 11 uur, Paul Hob – uur; EEF A.P. 5 uur; Jan kiosk 8uur. En er stond ook een afspraak op 19 februari met iemand om 10 uur ’s ochtends in een café bij station Delft. Op al die plekken werd Wapperom neergezet met en bezemsteel in een broekspijp, zodat hij niet kon vluchten; in een ruime ring om hem heen stonden Sicherheitsdienst-mannen opgesteld aangevuld met Haagse politiemannen. De afspraak met Klaas was met Wagenaar, maar zijn trein liep drie kwartier vertraging op. De afspraak met Paul was met Willem Arend Herder, de zoon van de bekende communist Jan Herder. Wapperom zei dat de Hobbemakade bij de Hooftskade bedoeld werd; in wekelijkheid was het op het Hobbemaplein 900 meter daar vandaan. Met EEF werd Evert Ruivenkamp bedoeld en hij zei dat A.P. stond voor Allard Piersonlaan; in werkelijkheid was het bij het gebouw van de Arbeiderspers op de Prinsegracht. Met Jan werd Jan van Kalsbeek bedoeld bij een kiosk in de Regentesselaan; in werkelijkheid was het de kiosk op de Munsterbroeklaan. In al die gevallen werd tevergeefs gewacht. Overigens stonden er nog een paar afspraken en ook daar werd tevergeefs gewacht. Tijdens een verhoor op 18 februari kreeg Wapperom te horen dat hij verdacht werd van medeplichtigheid aan de brandstichting bij Montan.

Nederlands belangrijkste verzetsman Gerrit Kastein

De afspraak van 19 februari was met een onbekende, maar de plek was vrij duidelijk aangegeven omdat zowel de plek als de persoon aan Wapperom onbekend waren, zodat de Sicherheitsdienst ook meteen wist waar het moest zijn: café De Kroon in de Lange Houttuinen 24/26 in Delft. Wapperom werd door drie Rotterdamse SD’ers in burger, Martin Kohlen, Wilhelm Heuer en Johannes Hoffmann, met een bezemsteel in een broekspijp in het café op een stoel bij het raam neergezet. Een paar Sicherheitsdienst-mannen gingen achter in het café zitten. Precies om tien uur stapte iemand naar binnen: het was Kastein.

Gerben Wagenaar

Gerrit Kastein was op 17 mei 1940 een van de oprichters van het Haags communistisch verzet. Hij richtte meteen een groepje op van hoofdzakelijk bestaande uit Spanjestrijders dat van begin af aan sabotage ging plegen; later zou dit groepje de Nederlandse Volksmilitie gaan heten. Ook nam hij het initiatief tot de stichting van het Militair Contact (mil) dat onder leiding van Gerben Wagenaar veel aanslagen en liquidaties verrichtte. Verder nam Kastein het initiatief voor het oprichten van het studentenverzet en ook het Medisch Contact, dat het artsenverzet werd en er later in de oorlog voor zorgde dat gewonde verzetsmensen en zieke onderduikers medische behandeling konden krijgen zonder vrees om aan de politie verraden te worden. In het verlengde van het studentenverzet richtte hij het illegale blad De Vrije Katheder op, dat weliswaar voornamelijk door communistisch gezinde studenten aangestuurd werd, maar ook andere linkse studenten en recentelijk afgestudeerden een platform bood om artikelen te publiceren. Op 2 september 1941 was er een poging van de Haagse politie om Kastein te arresteren. Hij woonde eenhoog en is toen over het achterbalkon naar de buren geklommen en vervolgens ondergedoken. Toen in 1942 Dormits naar Rotterdam verhuisde en daar de NVM tot volle ontplooiing bracht, stuurde hij de groep aan en via die groep ook sabotagegroepjes in Terwolde en Hengelo. Ook stuurde hij Nederlands meest gewelddadige verzetsgroep CS6 in Amsterdam aan. Zelf pleegde hij twee liquidaties: op 5 februari 1943 generaal Seijffardt vlak om de hoek waar Kastein oorspronkelijk woonde en op 7 februari 1943 secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten Hermannus Reydon; bij de laatste liquidatie schoot hij tevens diens vrouw dood in hun woning in Voorschoten. Daarbij gebruikte hij een 6.35 FN-pistool dat de Sicherheitsdienst hem via Anton van der Waals had toegespeeld in de hoop hem zo op te kunnen sporen. Kastein gaf de opdrachten voor de brandstichtingen in de 2e Lulofsdwarsstraat in Den Haag en op het Rotte-viaduct in Rotterdam.

Café De Kroon in Delft. Het café is zowel het lage deel geheel links als rechts het pand met beneden de drie ramen met een driehoekige opening in de gordijnen; de delen zijn achterom het hoekpand langs met elkaar verbonden.

Wapperom werd in café De Kroon bij het kruisje achter het raam neergezet.

Bij binnenkomst in het café stapte Kastein meteen op Wapperom af. Hij werd onmiddellijk door de Sicherheitsdienst beetgepakt en hij verzette zich heftig. Hij werd naar buiten gesleurd en vervolgens naar een auto, waarin zich de berucht wrede Haagse Sicherheitsdienst-man Ernst Knorr bevond. Kastein werd in de auto geduwd, waarbij zijn arm werd losgelaten. Daardoor kon hij een pistool uit zijn jaszak pakken en schoot Knorr in het dijbeen. Knorr verloor daarbij veel bloed en er vormde zich een plas op straat. Knorr was daardoor maandenlang uitgeschakeld. Wapperom werd ondertussen in een tweede auto geduwd, hij zou Kastein nooit meer terugzien.

Johannes Wilhelm Hoffmann

Martin Johann Kohlen

Kastein werd naar de tweede verdieping op het Binnenhof 7 gebracht. Bij fouillering werd een aantekenboekje gevonden en daar stond in dat Kastein die dag nog een afspraak met Luc had in een koffiehuis bij het station Laan van Nieuw Oost Indië in Voorburg (het station staat in Den Haag vlak bij de gemeentegrens, het koffiehuis in Voorburg). Kastein toonde zich bereid om onder bewaking naar die afspraak te gaan. Aldus reden ze naar het stationnetje. De bestuurder Hoffmann stapte uit en liep naar het koffiehuis. Kastein kon ondanks dat hij geboeid was door een gat in zijn broekzak een pistool van tussen zijn dijen pakken en schoot op zijn bewaker de Sicherheitsdienst-man Kohlen, stapte uit en rende weg. Hoffmann hoorde de knallen en holde achter Kastein aan. Omdat Kastein geboeid was kon hij niet echt hard hollen, werd snel ingehaald en naar de auto gesleurd, waarna da auto snel weg reed.

Anton van der Waals

In de weken voordien was Kastein via de verzetsgroep van Kees Dutihl in contact gekomen met een persoon die vertelde dat hij een weg wist om met een kustvaarder documenten naar de Nederlandse consul in Gothenburg te laten brengen, die het dan aan de Nederlandse regering in Londen kon sturen. Kastein zocht een mogelijkheid om een filmrolletje met opnames van de Duitse kustverdediging in Nederland naar Londen te zenden. Er volgden enkele ontmoetingen tussen die persoon en Kastein. Die persoon vertelde ook dat hij aan wapend kon komen en leverde zelfs een pistool dat Kastein gebruikte bij de moord op Reydon; het pistool was in werkelijkheid afkomstig van de chef van de Duitse contraspionage Joseph Schreieder die zo een pleger van moordaanslagen in handen probeerde te krijgen. De verhalen van Van der Waals waren zo fantastisch en de mogelijkheden die hij had bij het verkrijgen van wapens en contacten met de Nederlandse regering voor het verkrijgen van droppings door de RAF dat na verloop van tijd kreeg Kastein door kreeg dat de betrokken persoon in werkelijkheid de door het Nederlands verzet dringend gezochte V-Mann van de Sicherheitsdienst Anton van der Waals was. Waarschijnlijk herkende Kastein als psychiater een pathalogische leugenaar. Kastein maakte daarom een afspraak met Anton van der Waals in Voorburg.

In het café zat Anton van der Waals te wachten. Hij hoorde de knallen, zag plotseling vier mannen met getrokken revolvers overeind vliegen en naar buiten stormen. Hij liep er achteraan en zag een auto snel wegrijden.

Lucas Spoor, hij had bijna Anton van der Waals geliquideerd.

De vier mannen waren een groep Haagse communisten onder leiding van Lucas Spoor, waarmee Kastein had afgesproken dat ze de man waar Kastein bij aan tafel ging zitten moesten dood schieten. Kastein had als psychiater snel het onbetrouwbare karakter van de fantast Van der Waals doorgekregen en achterhaald dat het de door het Nederlands verzet al gesignaleerde beruchte V-Mann was.

De auto met Kastein reed terug naar het Binnenhof. Daar moest Kastein uitstappen. Tot verbijstering van de Sicherheitsdienst trok hij een derde pistool, richtte het op zijn borst en haalde de trekker over, maar het wapen ketste. Kastein werd weer naar een wachtkamertje op de tweede verdieping gebracht en aan een stoel vastgebonden. De Sicherheitsdienst-mannen verwijderden zich om overleg te voeren, maar lieten wel een bewaker achter. Plotseling sprong Kastein overeind, stormde naar het raam en dook met de stoel vast aan zijn kont voorover door het gesloten raam. Daar kwam hij neer aan de voeten van twee personen. Hij liep een schedelbasisfractuur op. Hij werd in bewusteloze toestand naar ziekenhuis Zuidwal overgebracht, waar hij een uur later overleed.

Binnenhof, Kastein sprong door raam twee hoog boven de gebogen ingang.

Natuurlijk is het verbazingwekkend dat Kastein drie pistolen had en dat de Sicherheitsdienst er geen van opmerkte. Kastein had de laatste nacht doorgebracht bij zijn vriend, collega-psychiater en medeverzetsman Rhijnvis Feith op de Stationsweg 4 in Den Haag. Hij had met zijn echtgenote afgesproken dat zij hem de drie pistolen de volgende ochtend op Station Holland Spoor zou overhandigen. Hij stopte een pistool in zijn jaszak om direct te kunnen gebruiken; de andere twee verborg hij op zijn lichaam. Anton van der Waals was een man die van het vertellen van mooie en sterke verhalen hield. Bij een van de ontmoetingen met Kastein vertelde Van der Waals dat bij fouilleringen nooit het kruis en de schaamstreek betast werden. Het was daarom handig om daar een pistool te verbergen en met smakelijke grijns vertelde hij dat als per ongeluk toch een loop gevoeld werd, dat er dan vast gedacht werd dat het iets anders was. Aldus verborg Kastein een pistool tussen zijn dijen, dat hij makkelijk kon pakken via een gat dat hij in zijn broekzak geknipt had. En het derde pistool werd in de schaamstreek verborgen, zo dat hij het makkelijk van bovenaf kon pakken. In Delft kon de Sicherheitsdienst het pistool in zijn jaszak niet ontdekken, omdat hij zo heftig tegenstribbelde.

Een merkwaardig toeval was dat Kastein neerkwam vlak voor de voeten van collega-zenuwarts Jan Wuite en de echtgenote van collega-zenuwarts Jan ter Braak. Jan ter Braak was de broer van de bekende linkse schrijver Menno ter Braak en was werkzaam in het ziekenhuis Zuidwal. Ze kwamen naar de Sicherheitsdienst om navraag te doen naar Jan ter Braak, die gearresteerd was omdat hij als enige arts van Zuidwal geweigerd had Joodse patiënten aan de Sicherheitsdienst over te leveren. Kastein moet vrijwel zeker beide zenuwartsen gekend hebben. In een dagboekfragment schreef de vrouw hierover: ‘Karel bleef buiten wachten, en ik met het koffertje naar binnen. Onder geen voorwaarde werd ik binnengelaten. Wel deden ze me een ander adres aan de hand, Binnenhof 5 en van Binnenhof 5 naar Binnenhof 4 en van Binnenhof 4 naar Plein 1. Tijdens deze spanning sprong er een geboeide man uit het bovenste raam voor onze voeten; het resultaat van dit alles was nihil. We besloten toen te gaan naar de Nieuwe Parklaan, Windekind.’ [Karel is de roepnaam van Jan Wuite]

Na de sprong kwam Anton van der Waals boos bij de Sicherheitsdienst en klaagde tegenover Joseph Schreieder dat zijn ‘Spiel’ kapot was gemaakt. Schreieder gaf daar op een uitbrander aan Johannes Munt, omdat die de arrestatie in Delft geregeld had en daarvoor Ernst Knorr had ingezet. Maar geen van de Sicherheitsdienst-mannen realiseerde zich dat zonder de arrestatie het Spiel ook kapot was gegaan, omdat Van der Waals dan doodgeschoten zou zijn. Het zou zelfs enorm veel meer schade aan de Duitsers hebben bezorgd.

Die dag werd Wapperom ernstig door de Sicherheitsdienst mishandeld. Ze waren kwaad dat ze Kastein hadden verloren en dat de voormalige chef van de afdeling Bekämpfung Kommunismus en een collega uit Rotterdam ernstig verwond waren. Ze sloegen en schopten hem de trap af naar de kelder waar hij verder werd geslagen. Daarna haalden ze hem weer naar boven en bonden hem op een stoel omdat ze bang waren dat hij net als Kastein en Speksnijder uit het raam zou springen.

Gerben Wagenaar

Bij het verhoren van de gearresteerde Rotterdamse communist Adrianus Nas, die stadsleider voor Den Haag was geworden, wist de Sicherheitsdienst uit hem te persen dat het de gewoonte was dat als een afspraak misliep, die een week later op hetzelfde tijdstip herhaald werd. Zodoende werd Wapperom op 20 februari, de dag na de sprong van Kastein, overgebracht naar het gebouw van de Truppenunterkunft in de Rijnstraat dat schuin tegenover Station Staatsspoor lag. Vlak voor het tijdstip van de afspraak, 11 uur, werd hij voor het gebouw opgesteld met een bezemsteel in een broekspijp. Die plek had Wapperom aangegeven, maar in werkelijkheid was het in de vlakbij gelegen zijstraat Muzenstraat aan de zijkant van het gebouw Kunsten & Wetenschappen waar Wapperom niet mocht stilstaan maar moest blijven lopen. Er was ter hoogte van zijn zakken een gat in de voering van zijn jas geknipt, zodat hij geboeid kon zijn terwijl het leek alsof hij zijn handen in zijn zakken had. Op enige tientalen meters om hem mee werden Sicherheitsdienst-mannen en politiemannen opgesteld, waarbij de Haagse communistenjager de politieman Jan Weuring. Achter hem in het portiek van het gebouw, zodat hij aan het oog was onttrokken, stond ook een SD’er. Aan de overkant tussen station en fietsenstalling stonden de leidinggevende personen Johannes Munt en Otto Lange van de afdeling Bekämpfung Kommunismus van de Haagse Sicherheitsdienst.

De Rijnstraat vanuit station Staatsspoor gezien in de richting waar Wapperom aan de overkant stond. Het gebouw van de Truppenunterkunft is waarschijnlijk het tweede pand vanaf de bomen terug (waar links auto’s staan).

Wagenaar kwam die dag naar Den Haag en nam voor de gezelligheid zijn zwager Henk Hiensch mee. Wagenaar was enigszins bedacht op onraad omdat een afspraak met Wijnand Brouwer in Utrecht twee keer was misgelopen. De twee liepen naar gebouw Kunsten en Wetenschappen en zagen Wapperom niet. Ze liepen terug naar het station en toen zagen ze Wapperom staan; Wapperom wendde zijn gezicht af. Wagenaar was kwaad dat Wapperom niet op de goed plek was en tegen de afspraak in stil stond. Toen zag hij dat er verdacht veel mensen om Wapperom heen stil stonden. De straat was gewoonlijk doodstil, behalve als er net een trein was aangekomen. Wagenaar en Hiensch voerden overleg en Wagenaar zei dat hij Wapperom voor gevaar wilde waarschuwen, zonder te bedenken dat de stilstaande mannen betekenden dat hij al in macht van de Duitsers was. Hiensch zei toen: ‘laat mij maar gaan, hij kent me niet, ik kan het er wel op wagen’, en voegde eraan toe dat hij tegen Wapperom zou zeggen: ‘Klaas laat je weten dat je gevolgd wordt.’ Er was een soort ontmoetingscode afgesproken zodat in het geval van onverwacht onraad ze elkaar voor de buitenwereld ongemerkt konden passeren; in dit geval was het vragen om een vuurtje voor een sigaret.

Hiensch stapte op Wapperom af. Wapperom die het gezicht had afgewend werd onverwachts door een wildvreemde man aangesproken die om een vuurtje vroeg. Daarna zei Hiensch dat hij van Klaas, de schuilnaam van Wagenaar, kwam en waarschuwde dat de Sicherheitsdienst in de buurt was. Op dat moment werd Hiensch door de Sicherheitsdienst gegrepen. De Sicherheitsdienst vroeg aan Wagenaar of dit Klaas was, wat hij bevestigde in de hop dat Wagenaar zich uit de voeten kon maken. Hiensch deed alsof hij een zwarthandelaar was, maar toen bij fouillering De Waarheid gevonden werd, was ontkennen zinloos geworden.

Wagenaar zag het van een afstand gebeuren en liep weg en maakte een rondje om het huizenblok heen. E zag toen van de andere kant nog net dat Hiensch en Wapperom het gebouw van de Truppenunterkunft binnen gevoerd werden. Hij draaide zich om om weg te gaan, maar toen werd hij door een man aangesproken die hem naar zijn papieren vroeg, kennelijk een politieman in burger. Hij sloeg de man neer en rende weg. Er werd op hem geschoten, maar hij werd niet geraakt. Hiensch is na verloop van tijd naar een concentratiekamp gestuurd en voorjaar 1945 in Bergen Belsen om het leven gekomen.

Stratenpatroon bij station Staatsspoor. Wapperom stond tegenover de fietsenstalling rechtsboven op de tekening. Wagenaar en Hiensch stonden vlak voor de ingang van het station (rechts van de letters ‘RijN’). K &W = Gebouw Kunsten & Wetenschappen. (tekening behoort bij een naoorlogs proces-verbaal inzake de affaire Wapperom)

Wapperom werd kort daarop van een cel in de kelder van het Binnenhof overgebracht naar een cel in het Oranjehotel gevangen gehouden. En kwam na enige weken bij de Haagse communist Jan van Kalsbeek in de cel, die iemand had mogen uitkiezen om hem te verzorgen vanwege een schotwond in zijn rug opgelopen bij zijn arrestatie door de Haagse politie. Door verhoren van andere communisten die ten gevolge van een door burgemeester De Monchy gelaste voortzetting van een jarenlange infiltratie waren gearresteerd, wist de Sicherheitsdienst dat Wapperom betrokken was bij brandstichting bij Montan. Feitelijk was hij voorbestemd of om gefusilleerd te worden of met geluk naar een concentratiekamp gestuurd te worden.

De echtgenote van Wapperom, Catharina roepnaam Kitty, klopte steeds bij de Referat-chef van de Sicherheitsdienst Johannes Munt aan, met verzoeken om een bezoek te mogen afleggen en om hem vrij te laten. Ze voerde als argument aan dat Piet’s broer Hugo al in Groß-Rosen om het leven was gekomen (vermoord door toedoen van burgemeester De Monchy en zijn bloeddorstige wrede Politie Inlichtingendienst). Ze nam bij die gelegenheid haar zoontje Piet, roepnaam Petja, mee. Na de oorlog verklaarde Munt dat hij onder de indruk kwam van het ideaal ‘edelgermaanse’ uiterlijk van Petja: blond haar en blauwe ogen. Verder kon Munt naar eigen zeggen intellectuele gesprekken met Piet voeren. Uiteindelijk besloot Munt Piet vrij te laten, onder voorwaarde dat hij zich wekelijks zou melden en dat hij zich weer bij de CPN zou aansluiten en vervolgens communistische verzetsmensen aangeven. Daardoor werd hij ‘abgetrennt’ bij een strafproces, waarbij vier Haagse communisten ter dood werden veroordeeld (en later gefusilleerd) met als argument ‘da er noch für etwa 1 Monat zu weitern sicherheitspolizeilichen Ermittlungen benötigt wird.’ Naar mijn mening was het uiterlijk niet de ware reden voor de vrijlating, want er waren legio soortgelijke gevallen, waarbij nooit vrijlating volgde. Waarschijnlijk zocht Munt een uitweg omdat hij vreesde dat na de zware Duitse nederlaag bij Stalingrad een capitulatie snel zou volgen en dat hij dan wegens wrede oorlogsmisdaden vervolgd zou worden.

Na zijn vrijlating meldde Piet zich enige tijd wekelijks en vervolgens niet meer. Hij trad niet meer toe tot de CPN, want dan zou hij alleen maar mensen in gevaar brengen als hij ongemerkt gevolgd zou worden. Verder vermoedde hij dat zijn vrijlating wantrouwen had gewekt en dat verdere verzetsactiviteiten daardoor niet vruchtbaar konden zijn.

De ongebruikelijke vrijlating had inderdaad wantrouwen opgewekt. Er gingen verhalen dat hij verzetsmensen verraden zou hebben en Wagenaar dacht dat er een poging was geweest om hem in handen van de Sicherheitsdienst te spelen, waarvan zijn zwager de dupe was geworden. Wagenaar liet Wapperom vlak na de bevrijding in Den Haag ophalen en naar Amsterdam brengen; Kitty wilde per se mee. Vervolgens werd het echtpaar in de kelder van de Munttoren opgesloten. Kitty mocht niet weg, ondanks dat ze een zuigeling de borst moest geven. Na een week werden ze vrij gelaten, maar omdat ze geen geld hadden, moesten ze terug lopen naar Den Haag. Daarna werd nog een moordaanslag op Wapperom beraamd, maar niet uitgevoerd.

Huwelijksfoto van Piet en Kitty Wapperom-Van Gent

Vervolgens werd Wapperom beschuldigd van verraad en werd hij in kamp Duindorp tussen NSB’ers opgesloten. Er volgde een strafproces, waarbij hij aan de hand van het stratenpatroon aantoonde dat hij zijn best had gedaan om Wagenaar te waarschuwen door opzettelijk op een verkeerde plek te staan. Verder toonde hij aan dat behalve Wagenaar en Kastein geen van zijn verdere contacten gearresteerd ware. Desondanks werd hij veroordeeld tot 3 jaar rijkswerkinrichting, wat vervolgens in cassatie gehalveerd werd. Uiteindelijk werd de zaak voorgelegd aan de Landelijken Eereraad der Illegaliteit en die sprak Wapperom vrij. Bij dit alles moet bedacht worden dat ministers, burgemeesters, (hoofd-)commissarissen en leden van de Inlichtingendiensten en andere types veel en veel grotere aantallen communisten de dood in gejaagd hadden dan waarvan Wapperom valselijk beschuldigd werd. Maar dit soort lieden kregen voor hun gigantische moordpartijen beloningen met mooie duur betaalde baantjes en koninklijke onderscheidingen voor het definitief weg werken van omstreeks duizend communisten.

++

Aantal om het leven gekomen personen: 586
(Twee personen niet meegeteld, omdat ze na de razzia uit Westerbork zijn vrijgelaten en later in het kader van de holocaust alsnog vergast werden)

Nederlandse Volksmilitie: 161
Gefusilleerd: 35
Vergast: 48
Doodgemarteld: 1
Duits concentratiekamp: 64
Cap Arcona: 1
Na bevrijding uit Duits concentratiekamp in buitenland: 2
Thuis ten gevolge van Duits concentratiekamp: 5
Nederlands kamp: 3
Gevangenis: 1
Zelfmoord: 1

Hollandia-Kattenburg: 425
(Twee personen niet meegeteld, omdat ze na de razzia uit Westerbork zijn vrijgelaten en later in het kader van de holocaust alsnog vergast werden)

Gefusilleerd: 2
Vergast: 350
Duits concentratiekamp: 73

Voor een lijst van namen zie de volgende twee pages van deze website.

++

Arrestanten van de Nederlandse Volksmilitie

Lot van de arrestanten

In het overzicht van arrestanten (volgende twee pages van website) wordt het lot van de arrestanten weergegeven. Sommigen zijn meerdere keren gearresteerd waarvoor in het overzicht het lot vanuit de laatste arrestatie is gegeven. Enkele personen zijn vrijgelaten en later in de oorlog opnieuw gearresteerd en daardoor soms overleden: in het overzicht wordt het lot bij de vrijlating weergegeven.

Omdat in veel wat oudere publicaties de Nederlandse Volksmilitie als een in belangrijke mate Joodse organisatie wordt beschreven vermeld ik voor de arrestanten van de Nederlandse Volksmilitie ook het aantal mensen met een Joodse achtergrond, waarbij ik de Duitse definitie van Joods-zijn aanhoud. Het laat tevens zien dat er nogal wat Joodse mensen zijn geweest die belangwekkend verzet hebben gepleegd.