Nederlandse spoorwegen discrimineert op ras, Openbaar Ministerie vervolgt niet

Feiten

  1. Openbaar Ministerie handhaaft artikel één van de grondwet niet. De Nederlandse Spoorwegen discrimineren op ras bij de uitkering (ten laste van de staatskas) aan mensen die ze naar concentratiekampen werden vervoerd. Het argument is dat alleen bevolkingsgroepen die aan uitroeiing hebben bloot gestaan voor de uitkering in aanmerking komen: Joden wel (70 % vermoord), Roma en Sinti wel (2 à 4 % vermoord), Jehova’s Getuigen niet (25 % vermoord), communisten niet (30 % vermoord). Nota bene: op deze manier wordt de Surinaamse communist Anton de Kom opnieuw gediscrimineerd.
    Het Openbaar Ministerie handelt zelf ook in strijd met de toelichting op de grondwet zoals die door het Ministerie van Binnenlandse Zaken schriftelijk is vastgelegd, doordat het mensen in gelijke gevallen niet op gelijke wijze behandeld. Wie vervolgt het Openbaar Ministerie?
  2. Staatsbedrijf Nederlandse Spoorwegen maakte zich schuldig aan oorlogsmisdrijf.
  3. Massamoord tijdens Tweede Wereldoorlog op linkse verzetsmensen werd voorbereid door Nederlandse staat.

Het heeft er alle schijn van dat het Openbaar Ministerie de Nederlandse Spoorwegen en de ex-politicus Job Cohen in bescherming neemt, wat als een vorm van corruptie kan worden beschouwd.

Puntsgewijze samenvatting van onderstaande:

  1. Nederlandse Spoorwegen (NS) waren staatsbedrijf;
  2. Werknemers NS hadden ambtenarenstatus;
  3. NS is nog steeds volledig staatsbezit, dus uitkering is ten laste van staatskas;
  4. De ambtenaren van de NS hebben zich niet gehouden aan de voorschriften in de Aanwijzingen van 1937, dat in geval van bezetting niet aan deportatie mag worden meegewerkt;
  5. De NS besloot tot het doen van een uitkering aan bevolkingsgroepen die aan uitroeiing hebben bloot gestaan;
  6. De bevolkingsgroepen die aan uitroeiing hebben bloot gestaan waren: Joden (70% vermoord, Roma en Sinti (hooguit 4% (vier!!! %)), Jehova’s Getuigen (25%), communisten (30%);
  7. De NS gaf alleen een uitkering aan Joden, Roma en Sinti;
  8. De NS discrimineerde op basis van ras (en religie en levensovertuiging);
  9. Het Openbaar Ministerie oordeelde dat de discriminatie op basis van ras door de NS niet strafbaar is en weigerde strafvervolging (hoger beroep niet mogelijk);
  10. Uitspraak van het Openbaar Ministerie is in strijd met de grondwet en handelde in strijd met de toelichting op de grondwet als gegeven door het ministerie van Binnenlandse Zaken;
  11. De NS pleegde een oorlogsmisdrijf exact identiek aan dat waarvoor Adolf Eichmann de doodstraf kreeg en opgehangen werd, namelijk vervoer van mensen (anders dan Joden, Roma en Sinti) naar concentratiekampen in de wetenschap dat ze vermoord zouden worden;
  12. Het Openbaar Ministerie wil het oorlogsmisdrijf door de NS niet vervolgen;
  13. Nederland handelt in strijd met EU-voorschriften dat discriminatie op basis van ras, nota bene door bedrijf in volledig staatsbezit, niet toegelaten mag worden.
  14. Nederland komt in aanmerking voor het strafbankje van de EU omdat de rechtsstaat niet gehandhaafd wordt.
  15. Nederlandse overheden (onder andere burgemeesters en Politie Inlichtingendiensten) namen op 15 mei 1940 het initiatief tot de vervolging van communisten die tot een massamoord leidde.
  16. Nederlandse politieke politiediensten wezen op last van de burgemeesters in 1941 de communisten aan en arresteerden ze in de wetenschap dat ze vermoord zouden worden.
  17. Nederlandse politieagenten martelden communisten.
  18. Totaal aantal vermoorde communisten ten gevolge van initiatieven, opsporing, aanwijzing of verstrekking van lijsten met namen door Nederlandse overheden is ruim 1000 (van 3000 vermoorde communisten).

A. Openbaar Ministerie handhaaft artikel één van de grondwet niet.

De zaak:

Enige jaren geleden hebbende Nederlandse Spoorwegen en Joodse organisaties overeenstemming bereikt over een tegemoetkoming aan alleen Joodse slachtoffers die naar Westerbork werden vervoerd, met als argument dat ze zelf hun treinkaartje moesten betalen, terwijl ze tegen hun wil naar Westerbork moesten afreizen. Na protesten door Roma en Sinti werden zij aan de tegemoetkomingsregeling toegevoegd, omdat zij ook tegen hun wil naar Westerbork waren vervoerd. Na de instelling van een zogenaamde ‘onafhankelijke’ commissie, bestaande uit alleen personen met binding met Joodse organisaties, werd de regeling veranderd in een tegemoetkoming aan slachtoffers van transporten naar Duitsland, waarbij een uitroeiing van een bevolkingsgroep werd beoogd. Daarvoor zouden dan alleen Joden, Roma en Sinti in aanmerking komen, omdat die de enige groepen zouden zijn waarvoor de Duitsers een uitroeiing beoogden. Daardoor ontstond naar mijn mening discriminatie, omdat mij twee andere groepen bekend zijn waarvoor discriminatie beoogd werd, namelijk Jehova’s Getuigen en communisten. Ik heb daarom een aanklacht ingediend wegens discriminatie en dat werd door het Openbaar ministerie, ook na beroep, verworpen. De mondelinge uitspraak behelsde als argumenten dat als in een regeling onderscheid op ras wordt gemaakt, dat geen strafbaar feit oplevert als dat gedaan wordt ‘vanwege de eenvoud van de regeling en besparing op de kosten van de regeling’. In de schriftelijke uitspraak is daar niets meer van terug te vinden, maar wordt simpel gesteld dat er geen sprake is van discriminatie zonder dat nader te motiveren (tijdens de zitting werd genotuleerd, maar op een verzoek voor een afschrift van de notulen werd door het Openbaar Ministerie niet gereageerd). Dit is volgens mij een terzijde schuiven van de grondwet en daartoe is alleen een combinatie van beide Kamers van de Staten Generaal gerechtigd. Een uitgebreide verdere toelichting volgt hieronder.

Historische besluitvorming ten aanzien van uitroeiingen:

In januari 1942 werd de Wannsee conferentie gehouden onder leiding van Reinhard Heydrich, Chef der Sicherheitspolizei und des SD. Heydrich was tevens de leider van de Internationale Kriminalpolizeiliche Kommission (IKK), een Europees samenwerkingsverband van politieorganisaties die opgericht was zogenaamd om vervalsing van geld en andere waardepapieren en om rondreizende bendes zakkenrollers te bestrijden, maar in werkelijkheid om het communisme te bestrijden. De IKK was in 1923 opgericht op initiatief van de Nederlandse marechaussee Van Houten, en geldt als voorloper van Interpol. De Wannsee-conferentie zou oorspronkelijk in december 1941 worden gehouden in het hoofdgebouw van de IKK, maar werd uitgesteld vanwege het uitbreken van de oorlog tussen Duitsland en de Verenigde Staten. Vervolgens werd de conferentie een maand later gehouden in het gastenverblijf van de IKK. Aanwezig waren onder anderen Heinrich Müller, die de dagelijkse leiding over het Reichssicherheitshauptamt had en daarmee direct onder Heydrich werkte en ook lid van de IKK was, en Adolf Eichmann die als notulist aanwezig was. Bij de Wannsee-conferentie werden in hoofdlijnen de plannen uitgewerkt voor de uitroeiing van de Joden in Europa. Omdat het om een Europese aangelegenheid ging, de belangrijkste leden lid van de IKK waren en tot twee keer toe een gebouw van de IKK als vergaderplaats werd gekozen, kan deze conferentie als een IKK-vergadering beschouwd worden. De Wannsee conferentie heeft geleid tot de massamoord op naar schatting zes miljoen Europese Joden. Bij de uitroeiing speelden de concentratiekampen, die alle onder leiding van Heinrich Müller stonden, een belangrijke rol. In en bij de concentratiekampen werden ruwweg drie miljoen Joden vermoord, waarvan ruwweg twee miljoen door vergassing. Adolf Eichmann regelde het transport van de Europese Joden naar de concentratiekampen. De andere drie miljoen Joden werden vermoord door voornamelijk SS-troepen op het grondgebied van de toenmalige Sovjet Unie, waar in beperkte mate ook Nederlandse SS-vrijwilligers aan meegedaan hebben.

Heydrich werd in op 4 juni 1942 in Praag vermoord. Zijn opvolger werd Heinrich Himmler. Hij beschouwde Roma en Sinti als ‘inferieure rassen’. Op 16 december 1942 beval Himmler dat de Roma, Sinti en vergelijkbare rondreizende bevolkingsgroepen naar Auschwitz moesten worden overgebracht. Dit kwam impliciet neer op een bevel tot uitroeiing.

Eerder, op 7 december 1941, werd een ‘Führererlass’ afgekondigd, dat bekend werd onder de namen ‘Keitel-erlass’ en ‘Nacht-und-Nebel-erlass’. Generalfeldmarschall van de Wehrmacht Wilhelm Keitel was de persoon die de uitvoering tot stand moest brengen. De term ‘Nacht-und-Nebel’ refereert aan de Duitse uitdrukking ‘bei Nacht-und-Nebel verschwinden’, wat spoorloos verdwijnen betekent. De bedoeling van het ‘Nacht-und-Nebel-erlass’ was om mensen spoorlos te laten verdwijnen, feitelijk te vermoorden, zonder de verwanten op de hoogte te stellen. Het ‘Nacht-und-Nebel-erlass’ was van toepassing op mensen die bepaalde gewelddadige anti-Duitse activiteiten hadden verricht of ‘kommunistische Umtriebe’ (communistische activiteiten) verricht hadden. Daarmee werd naast een reeks individuen ook één bevolkingsgroep door getroffen, namelijk de communisten. In de praktijk werd met betrekking tot de communisten het ‘Nacht-und-Nebel-erlass’ met terugwerkende kracht toegepast, zelfs tot voor het uitbreken van de oorlog, waardoor het als een uitroeiingsbesluit moet worden gezien. (Voorbeeld: een deel van de Nederlandse communisten die in de zomer van 1941, dus voor de afkondiging van het Nacht-und-Nebel-erlass, werden gearresteerd, werden als Nacht-und-Nebel-gevangenen behandeld.)

Andere uitroeiing:

De Jehova’s Getuigen weigerden vanwege hun religieuze voorschriftenom arbeid te verrichten voor het leger en de wapenindustrie. Ook weigerden ze eer te betuigen aan Nazi-symbolen en de Führer Adolf Hitler. Verder riepen ze anderen op om dat ook te doen. Ook probeerden ze mensen te bekeren tot hun godsdienstige groepering, waarmee het aantal weigeraars in principe kon groeien. Dit alles was voor de Duitse bezetter onaanvaardbaar en verboden de godsdienstige activiteiten van hen. Desalniettemin bleven de Jehova’s doorgaan met het verspreiden van hun leer. Daarom werden velen gearresteerd. Na arrestatie konden ze kiezen tussen het tekenen van een afzweringsverklaring of te worden gezonden naar een concentratiekamp. Afhankelijk van de gepleegde activiteiten werd ook regelmatig de doodstraf opgelegd, die vaak werd voltrokken door onthoofding met de guillotine. De meerderheid weigerde te tekenen en werden aldus de dood in gedreven. Het weigeren te tekenen kan vergeleken worden met de ‘vrijwillige’ keuze voor de dood door de Katharen in de 12e en 13e eeuw en de ‘vrijwillige’ keuze voor de brandstapel door de protestanten in de 16e eeuw. Op die manier werd de groepering deels uitgeroeid, want wie wel tekende werd door de groepering niet meer als lid beschouwd. Op die manier betekende het Duitse optreden het uitroeiing van de gehele godsdienstige stroming.

Aanwijzingen:

In 1937 werden door de Nederlandse regering de zogenoemde ‘Aanwijzingen’ geschreven, waaraan ambtenaren zich aan moesten houden. Daarin stond onder meer:

Verboden is de ontruiming, welke het karakter draagt van een deportatie op enigszins grote schaal, met het doel om te dienen hetzij als straf of als dwangmiddel, hetzij om de

bewoners elders werkzaam te stellen.

De werknemers van de NS waren ambtenaren en dienden zich aldus aan de Aanwijzingen te houden. Mogelijk zijn de Aanwijzingen voor de oorlog niet naar de Nederlandse Spoorwegen toegezonden, maar dat laat onverlet dat de Nederlandse staat aansprakelijk blijft voor de gevolgen van de niet-naleving van de Aanwijzingen. De Nederlandse Spoorwegen hebben in strijd met de Aanwijzingen meegewerkt aan de deportatie van verschillende bevolkingsgroepen en er geld mee verdiend. Daarbij beschikte ze bij de deportatie van ongeveer twintigduizend mensen over de wetenschap dat de mensen vermoord zouden worden (in de praktijk werd in deze gevallen ongeveer 30 % vermoord), waarmee hetzelfde oorlogsmisdrijf werd gepleegd als waarvoor Adolf Eichmann ter dood werd veroordeeld.

Geschiedenis van de uitroeiingen in Nederland:

Joden:

In 1941 vonden een aantal razzia’s plaats waarbij Joden werden opgepakt en via het concentratiekamp Buchenwald of rechtstreeks naar het concentratiekamp Mauthausen werden overgebracht. In Buchenwald en vooral Mauthausen werden zij op een uiterst gruwelijke manier via zwaar werk en mishandelingen in de steengroeve in combinatie met weinig voedsel de dood in gedreven. Vanuit Mauthausen werden bovendien veel Joden naar Hartheim werden overgebracht om aldaar met koolmonoxide vergast te worden. Op die manier verloren ongeveer 750 Joden in 1941 en de eerste helft van 1942 het leven. Vanaf juli 1942 moesten Joden zich na een oproep naar Westerbork begeven, de treinkaartjes moesten ze zelf betalen. De huisraad moest achtergelaten worden om door de bezetter gestolen te worden. Vanuit Westerbork werden ze naar Auschwitz of Sobibor afgevoerd, waar ze bijna allemaal door vergassing om het leven werden gebracht. Een klein deel bleef langer in leven doordat ze als slaven onder onmenselijke omstandigheden te werk werden gesteld. Uiteindelijk overleefde een uiterst klein gedeelte van de afgevoerde mensen. Strafgevallen (vanwege verzet, economische overtredingen, ontduiken van anti-Joodse voorschriften, kleine misdrijven e.d.) werden vaak naar andere concentratiekampen afgevoerd, maar werden daar slechter dan andere gevangenen behandeld zodat ook van hen slechts een klein deel overleefde, maar merkwaardigerwijze overleefde van de ‘strafgevallen’ een hoger percentage dan van de Joden die rechtstreeks naar Auschwitz werden gestuurd.

Bij het ophalen en het opsporen van ondergedoken Joden heeft de Nederlandse politie een uiterst smerige rol vervuld. De gewetenloosheid blijkt uit de rapportenboeken van de politie, voor zover ze nog bestaan. Politiemannen kregen een premie (meestal 25 gulden, meer dan een half weekloon) als beloning voor het opsporen van een ondergedoken Jood. Sommige politiemannen specialiseerden zich hierin en konden als belegging rijtjes huizen kopen. Het lievelingetje van de naoorlogse Nederlandse regering makelaar Reinder Zwolsman heeft zo heel wat huizen verkocht.

Uiteindelijk is ongeveer 70% van de Nederlandse Joden vermoord (104.000 mensen).

Roma en Sinti (voor het gemak noem ik hen hieronder alleen als Roma):

De Roma werden, behalve een aantal discriminerende maatregelen tot 1944 met rust gelaten (wel werd in 1941 een klein groepje Roma in kamp Schoorl opgesloten, wat hun lot is geworden is mij onbekend). De discriminerende maatregelen betroffen de mensen die in een woonwagenkamp woonden; de in een stenen huis wonende Roma ondervonden geen discriminatie. Vanwege de discriminerende maatregelen in de woonwagenkampen en het zichtbare lot van de Joden deed een aantal Roma besluiten om in een stenen huis wonen.

In 1944 besloot de Duitse bezetter de Roma als ‘inferieur ras’ net zoals de Joden naar Auschwitz te deporteren. De Duitsers hadden het idee dat alle Roma in een woonwagenkamp woonden en dat alle woonwagenbewoners Roma waren. Daarom haalden ze op 16 mei 1944 op diverse plaatsen in totaal 576 woonwagenbewoners op en transporteerden hen naar Westerbork. Daar bleek dat een aanzienlijk deel van de woonwagenbewoners geen Roma was en verder dat van de Roma er veel waren met een paspoort van een bevriend of een neutraal land. Daarom werd een groot aantal vrij gelaten. Uiteindelijk werden 244 personen, waarvan 241 Roma, naar Auschwitz gedeporteerd. Van hen werden er 210 vermoord. Vanwege de onduidelijkheid wie wel en wie niet tot de bevolkingsgroep Roma behoorde, stopten de Duitsers met de deportatie van Roma.

Er waren voor de oorlog 4500 Roma in woonwagenkampen Nederland. Hoeveel er in een stenen huis woonden is onbekend. Ook is onbekend hoeveel Roma tijdens de oorlog in een stenen huis gingen wonen. Uitgaande van 4500 Roma als woonwagenbewoner werd 4,7 % van de Roma-woonwagenbewoners vermoord. Rekening houdende met het feit dat er ook voor de oorlog veel in stenen huizen woonden en tijdens de oorlog vanwege veiligheidsredenen veel van hen in een stenen huis ging wonen, werd 2 à 4 % van het totale aantal Roma vermoord. Dit lage percentage slachtoffers kan niet als een uitroeiing van een bevolkingsgroep beschouwd worden.

Jehova’s:

De Jehova’s getuigen weigeren principieel om in dienst van het leger te gaan, voor een militaire organisatie te werken en voor de wapenindustrie te werken. Verder moeten ze andere mensen overhalen om zich bij hun organisatie, De Wachttoren, aan te sluiten, waardoor ze indirect mensen over halen om geen activiteiten ten gunste van een leger uit te voeren. Dit was voor de Duitse bezetter onaanvaardbaar en daarom werd de organisatie van de Jehova’s verboden. De Wachttoren-organisatie verbood haar leden echter het staken van propaganda voeren voor de organisatie, waardoor ze langs de huizen bleven gaan en vervolgens de Duitsers Jehova’s gingen arresteren. De propaganda van de Jehova’s om niet voor de wapenindustrie te werken werd als sabotage gezien, waardoor ze veroordeeld werden tot opsluiting in concentratiekampen en soms zelfs tot de doodstraf, die vaak met onthoofding door de guillotine werd uitgevoerd. De Duitsers gaven de gelegenheid om deze godsdienst in een schriftelijke verklaring af te zweren waarna vrijlating zou volgen. In ongeveer 40% der gevallen werd er getekend, maar die personen werden dan uit de gemeenschap van de Jehova’s uitgestoten, wat als een verschrikkelijke straf werd gezien. Het in schijn afzweren werd door de gemeenschap ook als onaanvaardbaar gezien, omdat liegen volgens de religieuze voorschriften verboden was; ook in die gevallen volgde uitstoting. In 60 % van de gevallen werd niet getekend, wat tot opsluiting in een concentratiekamp leidde, vaak resulterende in de dood. Anderen aanvaardden de doodstraf en ondergingen die blijmoedig, zoals de Katharen in de twaalfde eeuw en de protestanten die in de zestiende eeuw blijmoedig de brandstapel beklommen.

Op deze manier werd de gemeenschap van de Jehova’s uitgedund door de moorden en de uitstotingen. Dit kan als een uitroeiing van een bevolkingsgroep gezien worden.

Vanaf 1944 groeide de aanhang van de Jehova’s in belangrijk mate, waarschijnlijk doordat hun principiële antimilitaristische houding als anti-Duits werd gezien. Aan het eind van de oorlog was hun aanhang enkele malen groter dan aan het begin. Voor het bepalen van het percentage omgekomen Jehova’s lijkt hun aantal aan het begin van de oorlog het best als basis te kunnen dienen, omdat de arrestaties vooral in de eerste helft van de oorlog plaats vonden, terwijl de groei voornamelijk aan het eind van de oorlog plaats vond.

Aan het begin van de oorlog waren er ongeveer 500 Jehova’s, waarvan er 126 vermoord zijn, soms door onthoofding met de guillotine. De Nederlandse politie ondersteunde de Duitse bezetter bij de arrestaties. Aldus is het percentage vermoorde Jehova’s 25 %. Maar dit percentage, dat minstens zes-en-een-half keer en misschien wel tien keer hoger is dan dat van de Roma, wordt door de Nederlandse Spoorwegen op racistische gronden niet als uitroeiing gezien.

Communisten:

De communisten vormen een speciaal geval, omdat ze niet alleen belaagd werden door de Duitse machthebber maar ook door het in Nederland achtergebleven deel van de Nederlandse overheid. Het gaat om leden en aanhangers van de CPN, RSAP, enkele splintergroeperingen en hun mantelorganisaties. Er werden door de Nederlandse overheid al eerder ongeprovoceerde moordaanslagen op communisten gepleegd in onder andere 1918 toen vanuit een kazerne het vuur werd geopend op een demonstratie met veel vrouwen en kinderen (resulterende in drie doden) en in 1932 toen de burgemeester van Den Haag een gemeenschappelijke aanval door schietende politieagenten en schietende fascisten van de Nationale Unie op ongewapende communisten, die uit een protestvergadering kwamen, organiseerde (vijf zwaar gewonden).

Sinds 1935 waren er enkele samenwerkingsverbanden tussen de Nederlandse inlichtingendiensten en de Duitse Gestapo. Er werd nauw samengewerkt met Heinrich Müller, die de leiding had over de afdeling Bekämpfung Kommunismus van het hoofdkantoor van de Gestapo in Berlijn en tijdens de oorlog hoofdverantwoordelijke voor vier miljoen moorden. Ondanks dat de Nederlandse regering in 1935 van de Gestapo te horen kreeg dat uitgewezen communisten met de doodstraf rekening moesten houden, wees de bloeddorstige christelijk-liberale moordenaarskliek in de Nederlandse regering honderden gevluchte Duitse communisten naar Duitsland uit; velen van hen zijn vermoord. De Haagse Politie Inlichtingendienst werkte sinds 1935 stiekem samen met de Gestapo in Wuppertal samen waarbij de onder leiding van de Inlichtingendienst geplaatste Politiemannenzangvereniging ‘Entre Nous’ als dekmantel werd gebruikt. Een aantal leden van de Haagse Politie Inlichtingendienst werden in het bestuur van Entre Nous geplaatst; na de oorlog bleken deze Nederlandse politiemannen tot de grootste oorlogsmisdadigers te behoren (als ze aan een veroordeling ontsnapten, kregen ze een functie bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst). De uit Wuppertal afkomstige Gestapo-man Kurt Döhring was de eerste Sicherheitsdienstman die zich in 1940 in Nederland (Den Haag) vestigde en kon vanaf mei 1940 de samenwerking met de Haagse Politie Inlichtingendienst voortzetten.

Meteen na de Nederlandse capitulatie gaf de Haagse burgemeester De Monchy opdracht aan de Inlichtingendienst om ten behoeve van de Gestapo door te gaan met het belagen van communisten, waarbij een uit 1923 daterende infiltratieactie werd voortgezet. Het resulteerde in ruim 120 doden (onweerlegbaar bewijsmateriaal is bekend). In de periode 1941-1943 was de Haagse politie medeplichtig en soms hoofddader bij het martelen van communisten; een communist werd zelfs op een godsgruwelijk wrede wijze doodgemarteld, terwijl anderen blijvend letsel opliepen. Burgemeester De Monchy moet daarom als massamoordenaar van verzetsmensen beschouwd worden, maar de naoorlogse gemeentelijke overheid was zo brutaal om een plein naar De Monchy vernoemen en daar ook nog het Haagse bevrijdingsmonument op te plaatsen.

Tijdens bezetting benoemde de Duitse bezetter Johann Gottlieb Crabbendam tot chef van de Inlichtingendienst, wat leidde tot de dood van ongeveer 110 van de voornoemde doden. Crabbendam gaf leiding aan de opsporing van communistische verzetsmensen; daarnaast gaf Crabbendam leiding aan de arrestatie van leden van de rechtse verzetsgroep die bekend staat als Stijkelgroep, wat leidde tot 70 doden. Deze massamoordenaar werd na de oorlog benoemd tot hoofd van Bureau B van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, waarbij als argument expliciet werd genoemd dat hij al eerder ervaring op dit gebied had opgedaan (inderdaad: het opsporen van communisten voor de Duitsers). De Binnenlandse Veiligheidsdienst publiceerde in 1995 waarin de gegevens over Crabbendam deels verzwegen en anderdeels vervalst werden.

De eerste communisten werden al op 12 mei 1940 in Zuid-Limburg door de Duitsers gearresteerd en op 20 mei 1940 in Amsterdam. De arrestaties waren gebaseerd op een vooroorlogse samenwerking tussen de Nederlandse politie en de Gestapo. De eerste persoon die de Duitsers in Nederland vermoordden, was een communist, op 28 augustus 1940, wat een half jaar eerder was dan moorden op iemand uit een van de andere hier genoemde groepen. Massa-arrestaties van communisten gebeurden vanaf maart 1941 in Groningen en Amsterdam door de politie en Sicherheitsdienst; er zijn indicaties dat die arrestaties zijn gebaseerd op infiltraties door de respectievelijke Politie Inlichtingendiensten.

Op 25 juni 1941 vond de Aktion CPN plaats, waarbij de bezetter aan een reeks burgemeesters opdracht gaven om te arresteren communisten aan te wijzen en vervolgens te laten arresteren. De burgemeesters deden dat op basis van vooroorlogse gegevens, die in de meidagen van 1940 niet vernietigd waren. Sommige burgemeesters wezen zelfs meer mensen aan dan opgedragen werd. Het was voor iedereen duidelijk dat de mensen vermoord zouden worden. Er werden bijna 700 personen gearresteerd, waarvan er iets meer dan 400 om het leven zijn gekomen. De burgemeesters en de leidende politiefunctionarissen moeten medeplichtig aan deze genocide beschouwd worden, vooral omdat soms op eigen initiatief meer en andere linkse mensen gearresteerd werden dan waarom de Duitsers vroegen.

Op 7 december 1941 werd in Duitsland het zogenoemde Nach-und-Nebel-Erlass afgekondigd. Daarbij werd bepaald dat personen die gewelddadige acties tegen Duitsland of communistische acties ondernamen, spoorloos moesten verdwijnen, waarbij de verwanten in het ongewisse moesten blijven. In dit besluit werden communisten als enige bevolkingsgroep genoemd. In Nederland had het Nacht-und-Nebel-Erlass terugwerkende kracht (sommige in de zomer van 1941 gearresteerde communisten werden behandeld volgens het Nacht-und-Nebel-Erlass behandeld). Ook communistische activiteiten die voor december 1941 en zelfs voor mei 1940 waren ondernomen, konden onder het Nacht-und-Nebel-regime komen te vallen. Hiermee werd dus feitelijk een uitroeiing van de communisten beoogd.

In september 1942 werden ruim 200 communisten als gijzelaar gearresteerd (er stonden meer dan 250 personen op de arrestatielijsten, maar velen waren al eerder gearresteerd en anderen wisten zich aan arrestatie te onttrekken). De namen werden gehaald van lijsten die de Nederlandse regering voor de oorlog aan de Gestapo had verstrekt, terwijl de regering behoorde te weten dat daarmee hun leven in gevaar werd gebracht. Ongeveer 40 communisten zijn hierdoor om het leven gekomen; meestal werden ze gefusilleerd. De Nederlandse regering dient als medeplichtig aan dit bloedbad te worden beschouwd.

Verder vonden veel communisten de dood doordat hun namen voorkwamen op een lijst zogenoemde ‘linksextremisten’ van de Centrale Inlichtingendienst (de minister van Justitie gaf in 1923 opdracht om zulke lijsten op te stellen en definieerde deze mensen als ‘misdadigers’, terwijl van deze mensen over het algemeen geen enkel misdrijf bekend was). Deze lijsten hadden tijdens de oorlogsdagen van mei 1940 vernietigd moeten worden, maar dat gebeurde vrijwel nergens; ze waren beschikbaar in gemeentelijke archieven, bij de Gestapo in Berlijn of thuis bij personeel van de Inlichtingendiensten. Verder waren er ook nog lokale lijsten die nog veel uitgebreider waren. Tijdens de oorlog werden deze lijsten na een arrestatie wegens politieke of verzetsredenen door de politie en de Duitsers geraadpleegd. Stond zo iemand op die lijst dan was dat vaak reden om iemand niet meer vrij te laten en naar een concentratiekamp te sturen, wat vaak in de dood resulteerde. Ook in deze gevallen was de Nederlandse regering medeverantwoordelijk voor de doden. Bij elkaar zijn de Nederlandse overheden door proactief handelen en al dan niet bewuste nalatigheid medeplichtig, respectievelijk medeverantwoordelijk, voor de dood van ongeveer 1000 communisten.

Er bestaat consensus onder historici dat tijdens de oorlog ongeveer 30 % van de communisten vermoord is (3000 personen).

In 1961 verleende VVD-minister Toxopeus uit het kabinet van de fascist De Quay een Koninklijke onderscheiding aan de massamoordenaar Jan Lucas Bokhove. Bokhove had onder andere in 1941 communisten in het kader van de Aktion CPN gearresteerd. In een geval vluchtten twee broers, waarna Bokhove de vader gijzelde met het dreigement, dat als zijn zoons zich niet zouden melden, hij naar een concentratiekamp zou worden gestuurd, wat zonder twijfel de dood zou betekenen. De zoons meldden zich en zijn een half jaar later in Neuengamme vermoord. Gijzelen was een onwettige actie, bedreigen met de dood ook. Na protesten door rechtse verzetsmensen (Bokhove had zich ook tegenover het rechtse verzet misdragen) liet Toxopeus een onderzoek doen. Na enige tijd meldde Toxopeus dat Bokhove ‘goed’ was, waarmee hij namens de regering impliciet stelde dat een massamoord op communisten een goede zaak was. In plaats van een langdurige gevangenisstraf wegens enkele moorden kreeg Bokhove een koninklijk lintje.

De Nederlandse Spoorwegen verleende op racistische gronden geen uitkerinkje aan deze groep, die duidelijk aan uitroeiing onderhevig was en waarvan het aantal doden zowel absoluut als percentueel vele malen groter was dan dat van de Roma. Dit is des te schrijnender omdat de Nederlandse Spoorwegen in het verleden een staatsbedrijf was en de werknemers een ambtelijke status hadden en nu nog steeds volledig in staatshanden is. Niet alleen is de discriminatie ongrondwettig en behoort de overheid al zijn burgers gelijk te behandelen, maar bovendien heeft de Nederlandse regering uiterst bloederige handen in het geval van de massamoord op communisten, zodat die nog heel wat goed te maken heeft.

De van slaven afstammende Surinamer Anton de Kom, die in 1932 door het Nederlandse bestuur uit zijn geboorteland gedeporteerd werd, is in 1944 door de Haagse politie gearresteerd en vervolgens opnieuw in slavernij gevoerd naar een dodelijk concentratiekamp. En nu wordt Anton de Kom opnieuw gediscrimineerd door zijn nabestaanden op racistische gronden van een uitkerinkje uit te sluiten. Omdat de NS een staatsbedrijf was en nu nog steeds volledig staatsbezit wordt hij opnieuw gediscrimineerd door de Nederlandse overheid.

Verzoek tot strafvervolging

In augustus 2019 heb ik aangifte tegen de Nederlandse Spoorwegen en de heer Cohen gedaan. Medio 2022 had ik nog geen enkele reactie ontvangen. Op mij kwam de houding van het Openbaar Ministerie over als een vertragingstactiek om een reactie uit te stellen tot na het verlopen van de verjaringstermijn van vijf jaar. Ik heb toen een brief geschreven dat als er niet snel gereageerd werd, ik me zou wenden tot het Europees Hof met de stelling dat in Nederland de rechtsstaat niet gehandhaafd wordt. Daarop handelde het Openbaar Ministerie opeens in een ijltempo. Ik kreeg een beslissing toegezonden, waarin gesteld werd dat na (overhaast) ‘zorgvuldig onderzoek’ gebleken was dat de Nederlandse Spoorwegen handelde op advies van een ‘onafhankelijke commissie’ en dat er niet van discriminatie sprake was, omdat de uitkering beperkt was tot groepen die aan uitroeiing hadden bloot gestaan. Er werd impliciet gesteld dat alleen Joden en Roma aan uitroeiing hadden bloot gestaan. Daarop ben ik in beroep gegaan met de mededeling dat er van ‘zorgvuldigheid’ geen sprake was, omdat het Openbaar Ministerie niet nagegaan had of er andere groepen waren die aan uitroeiing bloot hadden gestaan, er aan toevoegende dat Jehova’s getuigen en communisten ook aan uitroeiing hadden bloot gestaan. Verder heb ik erop gewezen dat de commissie niet ‘onafhankelijk’ was, omdat die door de Nederlandse Spoorwegen was aangesteld en dat die volledig was samengesteld met personen met binding met de Joodse gemeenschap (zelfs de Roma-gemeenschap heeft geprotesteerd tegen de eenzijdige samenstelling).

Vervolgens werd ik door het Openbaar Ministerie uitgenodigd voor een hoorzitting op 4 november 2022. Ik kon vooraf inzage krijgen in een voorlopig advies, waarin gesteld werd dat er geen sprake was van discriminatie op basis van ‘ras’ en dat daarom geen vervolging behoefde te worden ingesteld. Verder werd betwijfeld of door de bezetter ook voor de andere groepen een uitroeiing beoogd werd.

Ik heb tijdens de zitting toelichting gegeven over de respectievelijk uitroeiingen van de vier bevolkingsgroepen en aangetoond dat bij de Jehova’s en communisten sprake was een veel grotere uitroeiing dan bij de Roma en dat de percentages dermate hoog waren, dat wel degelijk gesproken kan worden van een uitroeiing. Meteen daaropvolgend werd een uitspraak gedaan waartegen geen verder beroep mogelijk was. Het Openbaar Ministerie gaf mondeling te kennen dat veel informatie volkomen nieuw voor ze was, wat onderstreept dat er nooit sprake is geweest van ‘zorgvuldig onderzoek’. Verder werd er toegegeven dat er sprake was van het maken van onderscheid op basis van ‘ras’, maar dat het in de zin van de wet geen strafbaar feit opleverde, omdat het gebeurde met het oogmerk van ‘een eenvoudige regeling en besparing op de kosten’. Dit waren volkomen nieuwe argumenten, wat de principes van een hoorzitting schendt, want daarin moet je in de gelegenheid worden gesteld om op alle argumenten te reageren en dat kan niet als die argumenten pas bij de definitieve uitspraak worden geuit. Bovendien stelde het OM dat de NS met betrekking tot de andere groepen een som geld voor herdenkingsplekken beschikbaar had gesteld (toppunt van absurditeit: het geld was vooral bestemd vooral voor Westerbork, dat alleen voor Joden en Roma was). Nota bene: als je twee groepen verschillend behandeld is er per definitie sprake van discriminatie.

In de schriftelijk uitspraak, die in principe de mondelinge uitspraak volledig moet dekken, waren opeens de argumenten van een ‘eenvoudige regeling’ en ‘besparing van kosten’ verdwenen. Dit lijkt op een manipulatie achteraf van de uitspraak. Verder verwees het Openbaar Ministerie naar de wetsartikelen 137g van het wetboek van strafrecht:

Hij die, in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf personen opzettelijk discrimineert wegens hun ras, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

En 429 quater:

Hij die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf personen discrimineert wegens hun ras, hun godsdienst, hun levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

Het Openbaar Ministerie stelt dat de heer Cohen niet een ambt uitoefende en daarom niet strafbaar is. Dat opent de weg tot wettelijk niet strafbare discriminatie. Ik construeer een voorbeeld:

Stel dat een caféhouder een vrijwilliger, waarvan hij weet dat het een racist is, aanstelt als adviseur. De adviseur stelt dat het verstandig is alleen fatsoenlijke mensen toe te laten en definieert vervolgens dat blanke mensen fatsoenlijk menen zijn. Vervolgens laat de caféhouder alleen blanke mensen toe. Dan zou de discriminatie niet strafbaar zijn, omdat de adviseur geen ambt of beroep uitoefent en de caféhouder is niet strafbaar omdat die het advies en de definitie van de adviseur volgt.

Dit is natuurlijk totaal onaanvaardbaar, maar de argumentatie van het Openbaar Ministerie tot niet vervolgen, maakt dit soort discriminatie niet strafbaar. Naar mijn mening beoefent de heer Cohen als voorzitter van een adviescommissie voor het staatsbezit de Nederlandse Spoorwegen wel degelijk een ambt uit als bedoeld door de wetgever, want hij handelde in opdracht van de Nederlandse Spoorwegen. Mocht dat niet zo zijn, dan zijn de wetstekstschrijvers debielen geweest door zo een gapend gat voor discriminatie open te stellen. Wanneer we de redenering van het Openbaar Ministerie volgen, is discriminatie niet strafbaar als we het door een vrijwilliger laten doen.

Omdat de commissie de groepen ‘waarbij de bezetter het oogmerk had om hen als bevolkingsgroep uit te roeien’ omschrijft als Joden en Roma, acht het Openbaar Ministerie de NS niet strafbaar als het andere groepen uitsluit.

In artikel een van de grondwet staat:

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

In dit artikel wordt geen uitzondering gemaakt voor commissies, bedrijven, commissies of vrijwilligers. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken geeft als toelichting op de grondwet (https://www.denederlandsegrondwet.nl):

Artikel 1 gaat over het gelijkheidsbeginsel. Dit beginsel geeft aan wetgever, bestuur en rechters de opdracht om bij het stellen van regels of het nemen van beslissingen mensen in gelijke gevallen op een gelijke manier te behandelen.

en voorts

In artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht staan bepalingen waarmee discriminatie kan worden bestraft.

Het Openbaar Ministerie negeert het feit dat de grondwet geen uitzonderingen kent voor discriminatie. Naar mijn mening dient het Openbaar Ministerie de zaak aan de rechter voor te leggen. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken geeft in zijn toelichting aan dat geen enkele instantie onderscheid mag maken bij het nemen van beslissingen. In dit geval beslist het Openbaar Ministerie dat deze vorm van discriminatie niet strafbaar is, wat in strijd is met de toelichting op de grondwet dat het bij het nemen van beslissingen mensen in gelijke gevallen op een gelijke manier [dient] te behandelen. Feitelijk handelt het Openbaar Ministerie in strijd met de voornoemde toelichting op de grondwet.

B. Nederlandse Spoorwegen maakte zich schuldig aan oorlogsmisdrijf.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog regelde en vervoerde de Nederlandse Spoorwegen aanzienlijk meer dan honderdduizend mensen naar concentratiekampen in Duitsland, waarbij de omstandigheden van het vervoer ronduit beestachtig waren. Voor het vervoer vanuit Westerbork leverde de NS ook de machinisten; in hoeverre dat ook voor de andere transporten vanuit bijvoorbeeld Amersfoort en Vught het geval is, is mij onbekend.

Verreweg de grootste groep slachtoffers waren de Joden, die vooral vanuit Westerbork weggevoerd werden. Zij werden onder andere naar Auschwitz en Sobibor vervoerd, waar de meeste mensen snel na aankomst werden vermoord. In Nederland hielden de Duitsers vol dat Auschwitz en Sobibor werkkampen waren, wat door het overgrote deel van de Nederlandse bevolking, inclusief de directie van de Nederlandse Spoorwegen, geloofd werd. Je kunt daarom niet stellen dat de NS voor deze transporten naar oorden des doods medeplichtig aan de moorden was.

In het eerste half jaar van 1941 heeft de NS vier transporten van gevangenen naar Duitsland georganiseerd en verricht. Het eerste transport betreft 157 personen van de verzetsgroep De Geuzen vanuit Den Haag naar Buchenwald. Het tweede en derde transport betreffen 389 Joden die vanuit Alkmaar naar Buchenwald werden gedeporteerd, vanwaar ze voor zover ze nog in leven waren ruim twee maanden later naar Mauthausen werden overgebracht. Het vierde transport betreft 301 Joden die vanuit Alkmaar naar Mauthausen werden gedeporteerd.

In april 1941 verschenen in minstens zes Nederlandse kranten rouwadvertenties met betrekking tot het overlijden van generaal-majoor Van Tongeren in het concentratiekamp Sachsenhausen. Ook in april 1941 verschenen in minstens acht Nederlandse kranten rouwadvertenties met betrekking tot het overlijden van de voormalige minister van justitie Goseling in het concentratiekamp Buchenwald. Hij werd in Buchenwald als gijzelaar relatief goed behandeld, maar hij overleed aan een hartaanval en niet aan de concentratiekampbehandeling. Voor het publiek was de relatief goede behandeling onbekend en de dood werd begrepen als een overlijden door de wrede omstandigheden. Verder verschenen in het voorjaar in diverse Nederlandse kranten een aantal rouwadvertenties en familieberichten met betrekking tot het overlijden van drie Indische gijzelaars in het concentratiekamp Buchenwald. Verder verschenen in mei 1941 een groot aantal rouwadvertenties en familieberichten met betrekking tot het overlijden van de Joodse politieke gevangene Kahn in het concentratiekamp Buchenwald.

In juni 1941 verschenen er rouwadvertenties en familieberichten met betrekking tot het overlijden in het concentratiekamp Mauthausen van een van de mannen die bij de razzia van 22 februari 1941 was opgepakt. In juli 1941 verschenen diverse rouwadvertenties met betrekking tot het op zeer jonge leeftijd overlijden van mensen met meestal Joodse namen, met alleen de vermelding dat ze in Duitsland waren overleden (er mocht niet meer vemeld worden dat het overlijden in het concentratiekamp Mauthausen plaats vond). Er stond natuurlijk niet bij dat ze bij de razzia van februari 1941 waren opgepakt. En er verscheen een advertentie dat twee broers op jonge leeftijd op dezelfde datum in Duitsland waren overleden. Enz. enz.

De Nederlandse kranten kwamen na enkele weken ook in Nederlands Indië terecht. Daar vielen de vele doden in concentratiekampen op en er werd met grote verontwaardiging over geschreven. Als in Nederlands Indië de vele doden in de concentratiekampen opvielen, dan moeten ze ook in Nederland zijn opgevallen, wat duidelijk maakt dat het ook in Nederland algemeen bekend was dat er in de concentratiekampen massaal gemoord werd.

In september 1941 meldden illegale krantjes dat er van de 670 joodse mannen die bij de razzia van 22 februari 1941 waren opgepakt er 232 in Mauthausen waren vermoord.

Al deze advertenties zorgden ervoor dat het algemeen in Nederland bekend raakte dat er in de concentratiekampen op grote schaal gemoord werd. Dit wordt ook nog eens bevestigd doordat bij het martelen van communistische arrestanten door de Haagse politie gedreigd werd met het zenden naar een concentratiekamp met de toevoeging dat de arrestant wel wist dat je dat niet overleefde. De berichten over de doden in de concentratiekampen zorgden voor zoveel onrust onder de bevolking dat de Duitse bezetter een verbod uitvaardigde om rouwadvertenties met betrekking tot overlijdens in concentratiekampen te publiceren. Ook dit is een aanwijzing dat de moorden algemeen bekend raakten.

Doordat in de zomer van 1941 in Nederland algemeen bekend was dat er in de concentratiekampen op grote schaal gemoord werd, moet aangenomen worden dat de directie van de NS dat ook wist. Toch bleef de NS transporten naar concentratiekampen anders dan Auschwitz en Sobibor uitvoeren. Adolf Eichmann werd ter dood veroordeeld en opgehangen omdat hij het treinverkeer naar de concentratiekampen Auschwitz en Sobibor organiseerde in de wetenschap dat de Joden daar massaal vermoord werden. Daarom wordt Eichmann wereldwijd als een van de grootste oorlogsmisdadigers beschouwd. De NS deed precies hetzelfde als Eichmann: het organiseren van het treinverkeer naar concentratiekampen in de wetenschap dat de mensen daar vermoord werden. Daarom behoort de NS vervolgd te worden voor het plegen van oorlogsmisdaden. Helaas kunnen we de toenmalige directie van de NS niet meer aan een touwtje laten bungelen, maar er kan wel gevorderd worden dat een ruimhartige schadevergoeding aan de nabestaanden van alle naar concentratiekampen getransporteerden wordt uitgekeerd, inclusief de overlevenden. De gevangenen die uit concentratiekampen terugkeerden, waren lichamelijk en psychisch niet meer tot een normaal leven in staat. Het samenleven met de getraumatiseerde teruggekeerden heeft ook weer voor tot een traumatisch verstoord leven van de gezinsleden geleid, wat levenslange ernstige verstoring van hun levens heeft geleid en tevens grote negatieve financiële consequenties. Maar ondanks dat ik dit oorlogsmisdrijf ter kennis van het Openbaar Ministerie heb gebracht, wil dit niet overgaan tot vervolging vanwege het allerzwaarste misdrijf dat de wet kent.

C. Massamoord tijdens Tweede Wereldoorlog op linkse verzetsmensen voorbereid door Nederlandse staat.

In 1934 besloot de minister van justitie om een geheime samenwerking met de Duitse Gestapo aan te gaan bij de bestrijding van het communisme. Daartoe reisde de Amsterdamse commissaris van politie Karel Henri Broekhoff naar Berlijn om de samenwerking met de afdeling Bekämpfung Kommunismus van de Gestapo uit te werken. Die afdeling stond onder leiding van Heinrich Müller, die tijdens de oorlog hoofdverantwoordelijke was voor vier miljoen moorden in de concentratiekampen, waarbij alle vergassingen van vooral Joden, maar ook veel kleinere aantallen vergassingen van niet-Joden. Na vervolgbesprekingen in maart 1935 werd door de Gestapo een verslag samengesteld, waarbij waarin werd vermeld dat Duitse communistische vluchtelingen die door Nederland naar Duitsland werden uitgewezen, met de doodstraf rekening moesten houden (document beschikbaar bij NIOD). Desondanks zette de Nederlandse politie honderden communistische vluchtelingen over de grens, waarvan de vermoedelijk de meesten vermoord zijn. De Nederlandse regering is volledig verantwoordelijk voor deze moordpartij. Bij de geheime samenwerking werden door de Amsterdamse Politie Inlichtingendienst diverse misdrijven gepleegd (valsheid in geschrifte, schending archiefwet, ontvoering e.d.).

De Duitse mededeling dat uitgezette communistische vluchtelingen de doodstraf konden verwachten moet de Nederlandse regering duidelijk hebben gemaakt dat bij een Duitse bezetting van Nederland ook Nederlandse communisten de doodstraf konden verwachten. Desondanks werd de lijst van linksextremisten van de Centrale Inlichtingendienst tot twee keer toe, in 1936 en in 1939, aan de Gestapo overhandigd, wat de communisten in levensgevaar brachten indien zij naar Duitsland zouden reizen en tijdens een niet-ondenkbare bezetting van Nederland. Tijdens de oorlog zijn deze lijsten voor het arresteren van communisten op grote schaal gebruikt door Sicherheitsdienst en Nederlandse politie. De Gestapo in Berlijn heeft uit deze lijsten een eigen lijst van ‘kommunistische Funktionäre’ samengesteld die in februari 1941 naar de Sicherheitsdienst in Den Haag werd gestuurd en die in juni 1941 en september 1942 is gebruikt om tegen de duizend communisten te arresteren.

In Den Haag ging de Haagse Politie Inlichtingendienst in het geheim samenwerken met de Gestapo in Wuppertal, waarbij Kurt Hermann August Döhring een leidinggevende rol had. Döhring was de eerste Gestapo-man die zich na de Duitse inval in Nederland vestigde en werd chef van de Sicherheitsdienst, zodat de samenwerking gezien kan worden als een voorbereiding op Scicherheitsdienst-activiteiten tijdens de bezetting. De Haagse Politie Inlichtingendienst zette tijdens de bezetting de bestaande samenwerking met de nieuwe Sicherheitsdienstchef voort.

In 1937 werden de zogenoemde ‘Aanwijzingen’ geschreven, waarin vermeld stond dat ambtenaren inclusief politie in geval van een bezetting door moesten blijven werken, behalve als het meer voordeel voor de bezetter opleverde dan voor de Nederlandse regering of bevolking. De praktijk werd dat de Politie Inlichtingendiensten voor de Sicherheitsdienst gingen werken, wat leidde tot een gigantisch bloedbad onder de communisten. Kennelijk werd dit bloedbad als voordelig voor de Nederlandse regering gezien.

Op 15 mei 1940, direct na de Nederlandse capitulatie, gaf de liberale burgemeester De Monchy van Den Haag opdracht aan de Haagse Politie Inlichtingendienst om de werkzaamheden voort te zetten; na de afzetting van De Monchy handhaafde zijn opvolger de liberale locoburgemeester Van der Bilt deze opdracht. De hoofdtaak van die dienst was het bespieden van communisten. De Inlichtingendienst benaderde de sinds 1923 actieve politie-infiltrant bij de communisten Van Soolingen om de werkzaamheden voort te zetten, nog voordat De Monchy, ter intimidatie van de Haagse bevolking door de Duitsers werd vervangen door de liberale locoburgemeester Van der Bilt. De infiltrant zorgde voor een grote informatiestroom die via de Inlichtingendienst naar de Sicherheitsdienst werd doorgespeeld. Dit leidde tot meer dan 100 doden, waarvoor zowel burgemeester De Monchy als minister van justitie Gerbrandy volledig verantwoordelijk zijn.