Eerste gebeurtenissen en verzetsfamilies

Inleiding

Ik heb wat gegevens verzameld over gebeurtenissen en personen. Bij ‘de eersten’ geef ik aan welke mensen of groepen (al dan niet communistisch) tijdens de oorlog als eersten een bepaalde soort acties ging ondernemen of op een bepaalde manier het eerste slachtoffer waren. Verder geef ik over een flink aantal mensen met een of andere binding met het Haagse communistisch verzet een beschrijving, waarbij de keuze valt op mensen die iets bijzonders hebben gedaan of een bijzonder lot ten deel is gevallen. Verder heb ik daar mensen in opgenomen met een bijzondere maatschappelijke achtergrond om te laten zien dat communisten niet alleen ruwe bonken en laag opgeleiden zijn; zo voer ik kunstenaars, academici en mensen uit de adel op. Tot slot beschrijf ik een paar voornamelijk Haagse families die veel communistische verzetsmensen hebben voortgebracht. Mijn beperking hierbij is dat ik alleen mensen beschrijf waar ik iets over weet; ik claim geen volledigheid.

De eersten

Tegenwoordig wordt in publicaties, zoals in kranten, tijdschriften, boeken, televisie e.d. louter aandacht besteedt aan de Joodse slachtoffers, en soms de Roma-slachtoffers. Als er aan verzetsslachtoffers wordt gerefereerd, dan betreft het meestal mensen uit het gereformeerde verzet, individueel werkende verzetsmensen en de zogenaamde helden van na Dolle Dinsdag. Het communistische en ander links verzet wordt nog steeds doodgezwegen in een collectieve geschiedvervalsing door het journaille. Daarom geef ik hieronder een lijst van de eersten: de eerste slachtoffers, onderscheiden naar aard van de dood en achtergrond en de eerste verzetsacties.

Maar eerst geef ik aan wat de omvang van het communistische verzet was gedurende de respectievelijke oorlogsjaren:
Het communistisch verzet ging meteen op 15 mei 1940 van start en telde binnen enkele maanden minstens 3000 personen (eind 1941 waren er ruim 2000 gearresteerd, maar dat betrof hooguit twee-derde deel van de in het verzet actieve communisten). Andere verzetsgroepen waren de Stijkelgroep (ongeveer 30 man), De Geuzen (ongeveer 150 man), een groep rond de Delftse hoogleraar Schoemaker (ongeveer 30 man) en de Internationaal-Socialistische Beweging (een aan de communisten verwante groep met enige tientallen leden). Verder waren er de Parool-groep en de Vrij Nederlandgroep. Daarnaast waren er nog enkele groepjes in het gereformeerd verzet en enkele min of meer individueel werkende verzetsmensen. In totaal schat ik het niet-communistisch verzet in het eerste oorlogsjaar op ongeveer 400 man. Ik noem de Ordedienst niet, want die deed niet aan verzet maar bereidde zich voor op een staatsgreep direct na de Duitse nederlaag. Dat betekent dat 85% van het Nederlands verzet communistisch was.
In het tweede oorlogsjaar vielen er veel slachtoffers: tweeduizend communisten werden gearresteerd, hun plaatsen werden slechts gedeeltelijk aangevuld. Ook andere verzetsgroepen zoals de Geuzen, Stijkelgroep en de groep rond Schoemaker werden opgerold. Maar er ontstonden ook nieuwe verzetsgroepen. Het communistisch aandeel in het tweede oorlogsjaar schat ik daarom op ongeveer 80 %.
In het derde oorlogsjaar begonnen de deportaties van Joden. Dit deed veel mensen besluiten om Joden te helpen onderduiken. Daardoor zakte het aandeel van het communistisch verzet tot ruwweg 70%.
In het vierde oorlogsjaar had Duitsland al enkele grote nederlagen geleden in het oostfront (Bijvoorbeeld Stalingrad). Veel mensen durfden toen aan om in het verzet te participeren en werd de steun aan Joodse onderduikers veel beter georganiseerd. Het aandeel van de communisten zakte daarmee tot ruwweg 50%, ondanks dat een flink aantal niet-communisten zich bij het communistisch verzet aansloten.
D-Day viel in het vijfde oorlogsjaar. Dat gaf nog meer mensen moed, maar velen wilden zich vooral verzekeren van een goed baantje na de oorlog. Na Dolle Dinsdag was de toetreding tot het verzet massaal. Maar dat betrof naast de al genoemde baantjesjagers ook avonturiers, uniformgekken, mensen die zich interessant wilden maken en heel veel criminelen. Het grootste deel van de nieuwe verzetsmensen bestond uit criminelen die op roofovervallen uit waren (stunten). Dit type mensen zou de meerderheid gaan vormen van de Binnenlandse Strijdkrachten. Een voorbeeld van zo’n nep-verzetsorganisatie was de op de dag na Dolle Dinsdag door Henk Alsem opgerichte groep Korps Karel Doorman. Alsem was gewoon iemand die vanaf het begin van de oorlog (eigenlijk al voor de oorlog) met de Duitsers gecollaboreerd had. Het is een schande dat Lou de Jong deze schijnorganisatie (hij bestond in werkelijkheid niet eens, het was slechts een lijstje dat Alsem had gemaakt, de namen had hij gekopieerd van de leerlingenlijst van het Haagsch Lyceum) opblaast tot een belangrijke verzetsorganisatie. Maar desalniettemin daalde het aandeel van het communistisch verzet tot 40%, zelfs als ik deze nep-verzetsmensen negeer.
Overzicht van mijn schatting van de omvang van het communistisch verzet (inclusief het MLLF) in de opeenvolgende oorlogsjaren als fractie van het totale in groepen georganiseerde verzet:
1940/41 80%
1941/42 70%
1942/43 50%
1943/44 40%
1944/45 30%

Hieronder vermeld ik bij de ‘eersten’ ook verzetsgroepen. Drie van deze groepen waren al voor de oorlog met een ander oogmerk opgericht en hebben zich in de loop van 1939 voorbereid om tijdens een Duitse bezetting verzet te gaan plegen. Strikt genomen kan een groep pas ‘verzetsgroep’ genoemd worden bij de feitelijke bezetting door het vijandelijke leger in de grote steden op 15 mei 1940. Deze verzetsgroepen zijn eigenlijk tegelijkertijd de eerste verzetsgroepen. Het betreft vier groepen, nl. de groep Wollweber, CPN, MLLF en De Geuzen, waarbij het MLLF alleen besloten had een verzetsgroep te worden en dus eigenlijk alleen uit de leider Henk Sneevliet bestond, maar ook twee andere groepen bestonden uit slechts een aantal leidende figuren die de opbouw voor hun rekening zouden gaan nemen. Alleen de relatief kleine groep Wollweber was al volledig gevormd.
Op 15 mei was de omvang van de verzetsgroepen naar schatting:
CPN 15 personen
Wollweber 15 personen
Geuzen 2 personen
MLLF 1 persoon

Overzicht van de ‘eersten´

Eerste plan om in verzet te gaan:
1938: Het Marx-Lenin-Luxemburg-Front (MLLF) was de verzetsgroep die uit de Revolutionair Socialistische Partij (RSAP) is voortgekomen. Het MLLF stond onder leiding van Henk Sneevliet. Hij was in 1914 in Nederlandsch Indië medeoprichter van de communistische partij Indische Sociaal-Democratische Vereeniging, de latere Partai Komunis Indonesia (PKI), die de onafhankelijkheid van Indonesië nastreefde. Hij werd in 1918 uit Nederlandsch Indië verbannen. In 1921 werd hij door de Comintern naar China gestuurd om daar een communistische partij op te richten. Hij schoof daar Mao Zedong naar voren. In 1927 brak hij met Stalin en de Nederlandse communistische partij; hij stichtte de Revolutionair Socialistische Partij (RSP), die later met de Onafhankelijk Socialistische Partij (OSP) fuseerde tot de RSAP. In 1938 werd besloten om in geval van een Duitse bezetting ondergronds te gaan onder de naam MLLF.

Eerste voorbereiding op het verzet / eerste verzetsgroep:
September 1939: Aan het eind van de Spaanse burgeroorlog werd Wollweber naar Moskou teruggeroepen. Daar kreeg hij eind juli 1939 te horen dat de groep zich moest voorbereiden op partizanenactie tijdens een te verwachten oorlog in Europa. Deze opdracht gaf hij in september door aan de West-Europese groepen. In het verlengde daarvan besluit de CPN naar aanleiding van de Duitse inval in Polen om zich voor te gaan bereiden op een Duitse bezetting en het verzet dat ze daartegen wil gaan plegen. Ze geeft opdracht om springstoffen en wapens te verzamelen voor sabotageacties. De leiding daarbij hebben de voormalige vrijwilligers in de Spaanse burgeroorlog Gerrit Kastein en Rik van Gilse.

Eerste gearresteerden, die door de Duitsers om het leven zouden worden gebracht:
3-5-1940: Minister van Justitie Gerbrandy gaf opdracht om 18 NSB’ers plus drie leden van de anti-Duitse West-Europese organisatie Wollweber te arresteren. Het is natuurlijk absurd om anti-Duitse personen te arresteren bij een dreigende oorlog met Duitsland. Bij de Nederlandse capitulatie werden de 21 gevangenen naar Frankrijk overgebracht, waar ze vervolgens aan Duitse troepen werden overgeleverd, ondanks de wetenschap dat het voor de communisten een wisse dood zou betekenen. Twee communisten, Johannes Proost en Jan van de Hoonaard kwamen in het voorjaar van 1942 in respectievelijk de concentratiekampen Oranienburg en Groß-Rosen om. Een derde communist ontkwam dit lot door naar de Duitsers over te lopen en andere leden van de groep Wollweber te verraden. Daan Goulooze, een ander lid van deze groep, die aan arrestatie wist te ontkomen, zou tijdens de oorlog een zeer belangrijke rol in het communistisch verzet spelen.

Eerste verzetsgroep:
10-5-1940: Met de Duitse inval op 10 mei 1940 werd de groep Wollweber automatisch een verzetsgroep en was daarmee de eerste verzetsgroep in Nederland. In 1937 had Anton van der Waals bij zijn activiteiten voor de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst de groep in beeld gebracht als sabotagegroep tegen schepen van de asmogendheden die wapens naar de fascist generaal Franco in Spanje brachten. De chef van de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst Christoffel Bennekers bracht de namen persoonlijk over naar de Gestapo in Hamburg, waarmee hij feitelijk hun doodvonnis tekende. Op basis van deze gegevens werd de groep Wollweber omstreeks september 1940 grotendeels opgerold. De arrestanten zijn allen vermoord (een vrouw pleegde zelfmoord na zware martelingen – dit classsificeer ik ook als moord). De restanten van de groep Wollweber stelden hun radioverbindingen met Moskou ten dienste van de illegale CPN. Op die manier werd Rusland op de hoogte gebracht dat bij de meubelfabrikant Pander in Den Haag op grote schaal onderstellen voor vrachtvliegtuigen werd gebouwd, waarmee in de sneeuw kon worden geland. Dit betrof waarschijnlijk een voorbereiding op de winteroorlog in Rusland. Het was de enige verzetsdaad in West-Europa met grote militaire relevantie, omdat het de Russen in staat stelde vroegtijdig plannen voor de verdediging op te stellen. Misschien is deze informatie wel van doorslaggevende betekenis geweest voor de afloop van de Tweede Wereldoorlog. Formeel kan deze groep pas op 15 mei 1940, als de Duitse troepen binnenrukken in Rotterdam en Amsterdam, een verzetsgroep genoemd worden.
De groep Wollweber gebruikte zijn zenders voor de oorlog om berichten van de Duitse communistische partij KPD aan Moskou door te zenden. Deze berichten kwamen bij de Nederlandse groep Wollweber binnen via Duitse koeriers, die door leden van de groep Wollweber over de grens geholpen werden. Dit werd tijdens de bezetting voortgezet. Daarom kan de groep Wollweber ook gezien worden als een samenwerkingsverband tussen het Nederlandse en Duitse communistische verzet.

Eerste opgerichte (lokale, regionale) verzetsorganisatie:
14-5-1940: De eerste lokale verzetsorganisatie werd door Bernard IJzerdraat ten huize van Arij Kop opgericht. De groep werd De Geuzen genoemd (niet te verwarren met een gelijknamige groep in Den Haag die zich in het voorjaar van 1940 ophief en eind 1940 heroprichtte). De groep zou tot ongeveer 150 man uitgroeien.

Een van de eerste verzetsgroepen:
14-5-1940: Op 14 mei 1940 werd de RSAP opgeheven en werden voorbereidingen op het verzet getroffen. Het werd met enkele duizenden deelnemers de op een na grootste verzetsorganisatie van Nederland. In 1942 werd Sneevliet samen met een aantal medeverzetsmensen bij kamp Amersfoort gefusilleerd.

Eerste opgerichte landelijke verzetsorganisatie:
15-5-1940: De eerste landelijke verzetsorganisatie was de Communistische Partij van Nederland (CPN), die op deze datum besloot ondergronds te gaan om verzet te gaan plegen. De oprichting vond plaats in het partijkantoortje Parlando gevestigd in het pand Galerij 12 aan het Frederiksplein in Amsterdam (onderdeel van het afgebrande Paleis voor Volksvlijt). De CPN was gedurende de gehele oorlog de veruit grootste verzetsgroep met duizenden deelnemers. Er zijn tussen de twee- en drieduizend van hen om het leven gekomen, wat meer is dan het aantal doden onder alle andere verzetsorganisaties bij elkaar. Dat was 20 à 30% van het aantal partijleden en daarmee waren zij, na de Joden, de zwaarst getroffen bevolkingsgroep. Enkele duizenden van hen hebben een jarenlang verblijf in concentratiekampen overleefd, wat ook meer is dan de concentratiekamp overlevenden van alle andere verzetsorganisaties bij elkaar, en dat terwijl ze meestal ook nog eens veel langer gevangen hebben gezeten.

Nadat deze bloemenwinkel in de restanten van het afgebrande Paleis voor Volksvlijt aan het Frederiksplein in Amsterdam gesloten werd, huurde de CPN het pand voor vergaderingen, cursussen en clubverbanden. Op 15 mei 1940 werd hier de illegale CPN, een van de vier eerste verzetsorganisaties, opgericht. Op deze plek staat tegenwoordig het hoofdkantoor van de Nederlandse bank.

Om te suggereren dat de CPN in eerste instantie besluiteloos was en pas voor verzet opteerde nadat de Duitsers de CPN in juli 1940 hadden verboden, plaatste Lou de Jong de vergadering van 15 mei 1940 tegen beter weten in op een ‘hem onbekende datum’ in juli 1941. [Lou de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 4 blz. 903] Er zijn echter teveel getuigenverklaringen dat deze vergadering op 15 mei met vervolgen onder meer op 16 en 17 mei 1940 in Den Haag plaats vonden om de bewering van De Jong als waarheid te kunnen aanvaarden. Ook kan niet gezegd worden dat Lou de Jong niet van de eerdere datum op de hoogte was, want er waren binnen het NIOD verschillende documenten beschikbaar, zoals een verslag van Nico Wijnen, waarin de eerdere datum genoemd werd of waarin de Duitsers melding maakten van ondergrondse activiteiten van de CPN.

Eerste publieke verzetsactie:
15/16-5-1940: De eerste tegen de bezetter gerichte daad in strijd met de Duitse voorschriften was het radiocontact dat de groep Wollweber meteen na de Duitse inval met Moskou ging onderhouden om over de Nederlandse situatie te berichten. (In veel publicaties wordt de verspreiding van het pamflet De Geus, waarin wordt opgeroepen om in verzet tegen de Duitse bezetter te gaan, door Bernard IJzerdraat als de eerste verzetsdaad gezien. Maar op dat moment waren de Duitse troepen nog niet de grote steden binnengetrokken om als bezettingsmacht te functioneren. De verspreiding van het pamflet was nog zonder risico en was mogelijk alleen in strijd met de door de Nederlandse regering uitgeroepen oorlogstoestand.)

Eerste door de Duitsers gearresteerde Nederlander:
10-5-1940: De SDAP’er Jozef Huber (Huub) Hermans werd op de eerste dag dat de Duitse troepen Nederland binnen trokken in Vaals gearresteerd. Hij was namens de SDAP wethouder in Vaals. Hij werd naar Munster overgebracht en na een maand weer vrijgelaten. In het voorjaar van 1941 organiseerde hij een protest tegen de jacht op communisten. Daarop werd hij op 24 juni 1941 opnieuw gearresteerd. Hij werd naar kamp Schoorl overgebracht en vandaar naar Amersfoort. Na 10 maanden kwam hij weer vrij. In 1943 werd hij voor de derde keer gearresteerd, omdat hij voor de oorlog Duitse vluchtelingen had geholpen, en toen ook illegale Duitse kranten had verspreid. Hij werd naar de gevangenis in Aken overgebracht en na vier maanden weer vrijgelaten. Na de oorlog trad hij tot de CPN toe, waarvoor hij zowel Eerste- als Tweede Kamerlid werd. Hij moest zijn Tweede Kamerzetel opgeven omdat hij veroordeeld werd wegens hulpverlening bij desertie in verband met de oorlogsvoering in Nederlands Indië.

Eerste door de Duitsers gearresteerde Nederlander die om het leven kwam:
20-5-1940: De Amsterdamse communist Isaac de Nooter. Zijn arrestatie is vrijwel zeker een uitvloeisel van de sinds januari 1935 bestaande nauwe samenwerking tussen de Amsterdamse Politie Inlichtingendienst onder leiding van Karel Henri Broekhoff, en het hoofdkwartier van de Gestapo in Berlijn, aangezien er voor de Duitsers geen speciale reden bestond om juist hem te arresteren. De Nooter kwam op 3 mei 1945 om het leven bij het bombardement op het schip de Cap Arcona met gevangenen uit het concentratiekamp Neuengamme; daarmee is De Nooter tevens de Nederlander die tijdens de Tweede Wereldoorlog het langst in Duitse gevangenschap heeft verkeerd.

Eerste gevangene in het Oranjehotel:
29-5-1940: Vermoedelijk was het Joods-communistische echtpaar Herman Henri de Kadt en Betty van Aalten de eerste politieke gevangenen van het Oranjehotel. Herman was een Rotterdamse communist die deel uitmaakt van de groep Wollweber. Ze werden door drie Duitsers en twee Rotterdamse politiemannen gearresteerd en naar het Oranjehotel overgebracht. Later werden ze naar Duitsland overgebracht. Betty werd na een paar maanden vrijgelaten en Herman werd na een proces in Hamm ter dood veroordeeld. Hij werd op 17 oktober 1941 in Dachau opgehangen.

Eerste mechanisch vermenigvuldigde verzetsblad:
Augustus 1940: De Geus van 1940.

Eerste door de Duitsers vermoorde persoon:
28-8-1940: De Haagse communist Pieter Philippus van den Berg. Hij werd op 13 augustus 1940 om onbekende reden gearresteerd. De door de Duitsers afgegeven verklaring van zijn dood is dat hij zelfmoord pleegde door in de Scheveningse strafgevangenis (het Oranjehotel) vanaf de eerste verdieping van de trap te springen. De reden waarom Van den Berg tot deze daad zou kunnen komen, als hij al echt was gesprongen, was dat hij gemarteld werd. Maar waarschijnlijker is het dat hij door de Duitsers naar beneden is gegooid. Deze verklaring van zogenaamde zelfmoord werd na de oorlog ook gegeven voor een flink aantal doden onder de Duitse gedetineerden, in de eerste paar maanden na de bevrijding; hiervan is ook bekend dat het allemaal moorden waren, begaan door laagwaardige leden van de Binnenlandse Strijdkrachten.

Eerste belangrijke militaire gegevens overgeseind:
Augustus / september 1940: Arie Kloostra ontdekt dat zijn werkgever Pander in opdracht van de Duitsers duizenden vliegtuigonderstellen op ski’s ging bouwen. Hij meldt dit aan de Haagse communistische verzetsleider Nico Wijnen, die het via Herman Holstege aan de landelijke leiding van de CPN in Amsterdam doorspeelt. Die geeft het weer door aan Daan Goulooze, van de groep Wollweber, en die laat het, na overleg met Leon Trepper, door Johann Wenzel naar Moskou doorseinen. Het is een eerste signaal dat Stalin bereikt dat de Duitsers zich voorbereiden op een winteroorlog tegen de Sovjet-Unie.

Eerste opgerolde verzetsgroep:
September 1940: Het grootste deel van de groep Wollweber wordt door de Sicherheitsdienst gearresteerd op basis van gegevens die de Rotterdamse burgemeester Oud en diens hoofdcommissaris Louis Einthoven, op basis van door Anton van der Waals achterhaalde gegevens, door de chef van de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst, Christoffel Bennekers, in 1937 aan de Gestapo in Hamburg hadden laten leveren. De gearresteerden zijn allemaal om het leven gekomen, waarvan twee door onthoofding met een handbijl.

Eerste gedode collaborateur:
Herfst 1940: De Haagse communist Cornelis Simonis sloeg de schedel in van een Nederlandse officier die voor de Sicherheitsdienst was gaan werken. Simonis was lid van een door Gerrit Kastein opgerichte Haagse mil-groep (militaire groep), die tegen de landelijke richtlijnen van de communistische partij in gewapend verzet pleegde.

Eerste groep gedeporteerde en vermoorde Nederlanders:
22/23 februari 1941: Na vechtpartijen, ontstaan door geweld van de WA tegen Amsterdamse Joden, waarbij teruggevochten werd. In reactie daarop organiseerden de Duitsers een razzia, waarbij 425 Joden werden opgepakt. Ze werden via Schoorl en Buchenwald naar Mauthausen afgevoerd. In Mauthausen moesten ze in de steengroeve onder veel mishandelingen zwerven, waardoor bijna iedereen binnen enkele maanden onder gruwelijke omstandigheden om het leven kwam. Er waren slechts twee overlevenden: een persoon werd voor medische experimenten geselecteerd, en had na afronding van die experimenten gedood moeten worden. Maar in plaats van een dodelijke injectie werd zijn kampnummer door een ‘assisterende’ arts (mede gevangene) vervangen door dat van een overledene, en wist hij onder valse naam en kampnummer toch te overleven. De ander werd door de Duitsers uit Buchenwald teruggehaald voor een strafproces, omdat hij ook betrokken was bij de organisatie van de Februaristaking (die werd georganiseerd als protest tegen de slechte levensomstandigheden, maar werd na de razzia een protest daartegen), en werd ironisch genoeg vervolgens als straf naar minder dodelijke concentratiekampen gestuurd.

Eerste door de Duitsers doodgeslagen Nederlander:
9-1-1941: De Geus Jacobus Johannes Boezeman werd door de Sicherheitsdienstman Erich Zinkel tijdens een verhoor doodgeslagen. Tijdens dat verhoor sloeg Zinkel Boezeman omdat hij niet de gewenste antwoorden gaf. Boezeman accepteerde dat niet en sloeg terug. Toen ontstak Zinkel in een ziedende woede en schopte en sloeg Boezeman in razernij met vuisten en gummiknuppel dood. Zinkel werd op 12 februari 1942 door de Haagse communist Tjerk Kloostra doodgeschoten, toen Kloostra trachtte te ontsnappen nadat hij in de val was gelopen. Kloostra werd even later door de Haagse politie min of meer overmeesterd en vervolgens van zeer nabij door het hoofd geschoten. Kloostra overleed op 24 februari.

Eerste tijdens de oorlog door Nederlandse Inlichtingendienst gearresteerde Nederlander die aan de Duitsers werd uitgeleverd:
10-1-1941: George Elders werd in opdracht van de, door de Duitsers benoemde, chef van de Haagse Politie Inlichtingendienst, Johann Gottlieb Crabbendam, aan de Sicherheitsdienst uitgeleverd. George Elders werd op 7 januari 1941 door leden van de Haagse Politie Inlichtingendienst gearresteerd in verband met activiteiten voor de verzetsgroep De Geuzen. Na twee weken werd hij vrijgelaten. De reden van de vrijlating was waarschijnlijk dat de Sicherheitsdienst Anton van der Waals op het spoor van De Geuzen wilde zetten, want op 30 juli 1942 herkende Van der Waals Elders op straat, arresteerde hem, en bracht hem naar de Sicherheitsdienst op het Binnenhof. Daar probeerde Elders te ontsnappen, waarna Van der Waals hem in de rug schoot. Het schot verwondde Elders dodelijk. Crabbendam werd na de oorlog hoofd van de afdeling Extremisme van achtereenvolgens het Bureau Nationale Veiligheid en de Binnenlandse Veiligheidsdienst (de voorganger van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ‘AIVD’), waarbij zijn activiteiten voor de Haagse Politie Inlichtingendienst en Gestapo als aanbeveling golden.

Eerste door Nederlandse verzetsmensen gedode Duitse militair:
Medio februari 1941: Een Duitse militair werd op de Stadhouderslaan in Den Haag doodgeschoten door vermoedelijk de Haagse communist Cornelis Simonis. Er is nauwelijks iets over bekend, omdat de Duitse bezetter de kranten verboden had om over anti-Duitse acties te berichten, en de politie werd het verboden om onderzoek te doen (mochten er toch processen-verbaal zijn opgesteld, dan moesten die onmiddellijk vernietigd worden). Naast een claim uit communistische hoek zijn de enige verdere aanwijzingen een proces-verbaal van de Documentatiedienst naar het verspreiden van een gerucht dat er een Duitse militair aan de Stadhouderlaan gedood zou zijn en dat de Wehrmacht een schoolgebouw aan de Stadhouderslaan 84 in gebruik hadden.

Eerste staking gericht tegen het optreden van de Duitse bezetter:
25-2-1941: De Februaristaking wordt door de Amsterdamse communistische partij georganiseerd (niet door Piet Nak, zoals vaak geschreven wordt: Nak beschikte niet over het geld, de hulpmiddelen, zoals tientallen kilo’s papier voor pamfletten en de benodigde stencilmachines, en manschappen voor de verspreiding van de oproepen tot staking). Al in december 1940 werden door de leiding van de CPN plannen voor een grote staking gemaakt, met als eisen: Hoger loon, lagere prijzen en een betere voedsel- en brandstofvoorziening. In de loop van februari werden die eisen veranderd in een protest tegen de discriminatie en barbaarse behandeling van Joden. Een uitbreiding naar de Zaanstreek lukte wel, maar een verspreiding over heel Nederland lukte niet. Behalve de spoorwegstaking van 1944-45 zijn vrijwel alle stakingen tegen de Duitse bezetter, ook veel van de april-meistakingen in 1943, door communisten georganiseerd; het was een typisch communistisch strijdwapen.

Eerste gefusilleerde persoon:
3-3-1941: De Joodse Duitse immigrant Ernst Cahn werd op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd. Hij had verzet tegen de terreur van de WA tegen Joodse zaken en personen georganiseerd.

Eerste gefusilleerde Nederlander:
6-3-1941: De Joodse communist Leendert Schijveschuurder werd gefusilleerd. Hij was betrapt bij het aanplakken van oproepen voor een nieuwe staking als vervolg op de Februaristaking.

Eerste gearresteerde verzetsvrouw:
Maart 1941: De Joods-communistische verzetsvrouw Mathilda Nelly de Vries werd gearresteerd en in het Oranjehotel opgesloten. Ze was afkomstig uit Den Haag, maar op het moment van haar arrestatie studeerde en woonde ze in Amsterdam. Ze was medeoprichtster van het communistisch georiënteerde verzetsblad De vrije katheder. Ze werd in 1942 naar Auschwitz overgebracht, waar ze op 21 november 1942 om het leven kwam. Vermoedelijk is ze vergast.

Eerste bomaanslag op een Duitse trein:
21-4-1941: Johannes Bierhuys pleegde een aanslag op een Duitse trein. Die aanslag mislukte echter, en in de nasleep werd een Duitse militair doodgeschoten. De Haagse Sicherheitsdienst zette Anton van der Waals in om de daders op te sporen. Het bleek te gaan om leden van de groep Broeder Joseph, vernoemd naar de katholieke geestelijke Johannes Joseph Klingen. Bierhuys zat ondergedoken bij mevrouw Sneevliet, vermoedelijk de echtgenote van de bekende communist Henk Sneevliet. Johannes Bierhuys werd op 30 september 1941 op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd.

Eerste vergaste Nederlanders:
8-7-1941: Op 22 en 23 februari 1941 vond in Amsterdam een razzia plaats, waarbij ruim 400 Joden werden opgepakt. Daarvan werden 389 personen naar Buchenwald overgebracht, waar veel doden vielen. Op 22 mei werden de 340 overlevenden naar Mauthausen overgebracht, waar ook veel doden vielen. Op 8 juli veranderde het sterfte patroon, op verschillende dagen vielen opeens vier of vijf doden, terwijl op de meeste dagen geen doden vielen. Dit kan alleen begrepen worden door aan te nemen dat ze vergast werden; het is na de oorlog bekend geworden dat in slot Hartheim bij Mauthausen veel mensen met koolmonoxide vergast werden. Vandaar dat ik aanneem dat de vier Nederlandse sterfgevallen op 8 juli hier ook aan te wijten waren. Het waren: Salomon Blom, Philip Louis Frank, Levie Lap en Jacob de Vries. Er volgden nog meer van dit soort dagen. Op de dagen van 1 tot 6 september 1941 werden groepen van steeds ongeveer 25 Nederlandse Joden uit de genoemde razzia in slot Hartheim vermoord. Het totaal aantal vergaste personen uit deze groep schat ik op ruim 170.

Eerste doodgemartelde Nederlander:
3-9-1941: De Haagse communist Herman Holstege werd op 2 september onder leiding van de Duitse Sicherheitsdienstman Ernst Knorr zwaar gemarteld. Bij de martelingen was Johannes Hubertus Veefkind van de Haagse Politie Inlichtingendienst direct betrokken, waarschijnlijk om als Nederlander de slecht gearticuleerde kreten te verstaan en vertalen (twee gevangenen uit het Oranjehotel hebben zijn stem tijdens de martelingen herkend en hebben daar getuigenis van afgelegd, maar de naoorlogse rechtbank negeerde deze getuigenissen). De ondergedoken Holstege werd op 1 augustus 1941 gearresteerd toen hij een kort bezoek aan zijn woning bracht.

Het zwaarste concentratiekamp traject
Geert Beikes, geboren 3-4-1911 in Oude Pekela, moet waarschijnlijk beschouwd worden als degeen die het allerzwaarste traject door de concentratiekampen overleefd heeft. Hij werd 9 september 1941 door de Sicherheitsdienst gearresteerd vanwege zijn deelname aan het communistisch verzet in Groningen en gevangengezet in het Huis van Bewaring in Groningen. Hij werd vermoedelijk eind 1941 naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort overgebracht. Op 2 april 1942 werd hij op transport gezet naar het concentratiekamp Buchenwald. Op 27 april 1941 werd hij naar het concentratiekamp Groß-Rosen gebracht, waar hij te horen kreeg dat hij als Nacht und Nebel gevangene geen brieven naar huis mocht schrijven en geen brieven en (levensreddende) pakketten mocht ontvangen. Groß-Rosen was het concentratiekamp waar de mensen het snelst stierven en had de bijnaam ‘neunzig Tage‘, omdat je over het algemeen niet langer bleef leven. Op 12 september werd hij meer dood dan levend naar Dachau vervoerd. Daar werd hij opgekalefaterd, omdat Hitler meer arbeidskrachten nodig had, omdat het Oostfront zoveel mensen kostte, Op 22 oktober 1943 werd hij naar het Nacht und Nebel concentratiekamp Natzweiler gezonden. Op 5 september 1944 werd Natzweiler geëvacueerd naar Dachau. Kort daarop werd hij naar Sachsenhausen vervoerd en vervolgens op 22 oktober 1944 naar Neuengamme.

Eerste opgehangen Nederlander:
17-10-1941: De Rotterdamse communist Herman Henri de Kadt werd in Dachau door ophanging om het leven gebracht. Hij was na een proces in Hamm ter dood veroordeeld. Volgens publicaties zou hij op 29 mei 1940 in Rotterdam Duitse militairen hebben gefotografeerd en hen naar hun legeronderdeel hebben gevraagd. Dit is volgens mij onzin. De Kadt lag tijdens de Duitse inval in een Rotterdams ziekenhuis, omdat hij bij een motorongeluk zijn been had gebroken. Kort na de capitulatie werd hij door vrienden op een bakfiets uit het ziekenhuis gehaald, omdat het in het ziekenhuis onveilig leek. Als hij toen nog niet kon lopen is het erg onwaarschijnlijk dat hij twee weken later militairen stond te fotograferen. Volgens documenten uit het Rotterdams Politie Archief werd hij op 29 mei 1940 thuis gearresteerd door drie leden van de Sicherheitsdienst: Kilb, Kögl en Häckel, vergezeld door twee Rotterdamse politiemannen. Dit lijkt in strijd met de bewering dat hij vanwege het fotograferen werd gearresteerd. Het lijkt meer op een gecombineerde actie van de Sicherheitsdienst en de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst. De reden voor de arrestatie was waarschijnlijk De Kadt’s betrokkenheid bij de organisatie Wollweber.

Eerste vergaste niet-Joodse Nederlanders:
5-6-1942: Jacob Joseph Abrahamson en Gerardus Cornelis Hendricus Arkenbout werden in Bernburg vergast met koolmonoxide. Jacob Joseph Abrahamson was van Joodse afkomst, maar Arkenbout niet; Joodse Nederlanders werden al eerder in slot Hartheim bij Mauthausen vergast.
Ze werden vanuit het concentratiekamp Neuengamme naar Bernburg overgebracht. Ze maakten deel uit van 45 communisten die in verloop van enkele weken op deze wijze in alfabetische volgorde vergast werden; de meesten waren niet-Joods. Ze behoorden tot de honderden communisten die op 25 en 26 juni 1941 naar aanleiding van de Duitse inval in de Sovjet gearresteerd werden. Hun namen waren al voor de oorlog door diverse gemeentelijke Politie Inlichtingendiensten verzameld en geplaatst op een door de afdeling III van de Generale Staf beheerde verzameling van communistische ‘misdadigers’. Deze definitie werd in 1925 gehanteerd in de correspondentie tussen de minister van Justitie en de Amsterdamse procureur-generaal Arend Anne baron van der Feltz, ondanks het feit dat het overgrote deel van deze personen geen enkele wetsovertreding op hun naam had staan. De lijst werd voor of kort na de Duitse inval in Duitse handen gespeeld. De arrestantenlijst van 1941 werd door de lokale Politie Inlichtingendiensten samengesteld.

Eerste politieke aanslag op persoon:
5-2-1943: Generaal Seijffardt werd doodgeschoten door Jan Verleun, die vergezeld werd door Gerrit Kastein. Vermoedelijk was de Joods-communistische student Leo Frijda ook bij de aanslag betrokken. De daders waren lid van de communistisch georiënteerde militante cel CS6. Seijffardt had in Nederland de leiding over het vrijwilligerslegioen dat samen met de Duitsers tegen de Sovjet-Unie vocht en daar op grote schaal oorlogsmisdaden (volkerenmoord) beging. In de eerste helft van de jaren dertig was Seijffardt chef van de Generale Staf en daarmee van GS III, die de Centrale Inlichtingendienst vormde. Seijffardt had dus eigenlijk aan de wieg gestaan van de massamoord op de communisten in de eerste helft van de jaren veertig. Twee dagen later schoot Kastein de NSB’er Hermannus Reijdon, secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, en zijn vrouw dood.

Eerste onthoofde Nederlander:
30-7-1943: De Rotterdamse communist Joseph Rimbertus Schaap werd onthoofd. Hij was lid van de groep Wollweber. Hij werd opgespoord door verraad van, de naar de Duitsers overgelopen, Adriaan Johannes Feij, een van de drie communisten die in opdracht van minister van Justitie Gerbrandy gearresteerd waren en vervolgens aan de Duitsers werden uitgeleverd. De naam van Schaap was al in 1938, in opdracht van de Rotterdamse burgemeester Pieter Droogleever Fortuyn, aan de Gestapo doorgegeven, nadat die onder leiding van de chef van de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst door Anton van der Waals was achterhaald. Op 7 en 8 september 1943 werden nog eens zeven leden van de groep Wollweber in Berlijn om het leven gebracht.

Verzetsfamilies

Bij mijn onderzoek kwam ik verschillende gevallen tegen van families waaruit verschillende Haagse verzetspersonen voortkwamen. Het gaat dan om ouders en kinderen, broers en zusters, partners en zwagers. Soms worden die families expliciet genoemd, waardoor het voor mij inzichtelijk werd; dat is vooral van belang in het geval er sprake is van verschillende achternamen zoals in het geval van zwagers. Juist doordat achternamen kunnen verschillen zullen zulke verzetsfamilies niet altijd door mij herkend zijn. Wat ook niet helpt is dat er soms echtscheidingen voorkomen, zodat ik de verkeerde achternaam van de partner vind. Verder is de kans op een groot aantal verzetsmensen uit een familie het grootst als er sprake is van grote gezinnen.

Mijn ouders kwamen vanuit Amsterdam naar Den Haag, terwijl de rest van de familie in Amsterdam bleef. Dus zij kunnen niet deel uit maken van een grote Haagse verzetsfamilie. Maar zonder het voorvoegsel ‘Haagse’ was het wel een grote verzetsfamilie. Ik zal dat aan het einde van deze paragraaf duidelijk maken.

Bij de verzetsfamilies noem ik voornamelijk mannen. Dat wil niet zeggen dat vrouwen geen deel van het verzet uitmaakten. De Duitsers dachten dat het verzet voornamelijk door mannen gedaan werden en pakten het verzet door vrouwen zelden aan. En als ze toch gearresteerd werden, spelden ze de onschuld. Daardoor is er weinig informatie beschikbaar gekomen over het verzet door vrouwen. Tijdens de oorlog hielden ze dat natuurlijk voor zich, dat kon hun leven redden. En omdat ze meestal geen langdurige gevangenschap doormaakten, komen hun verhalen nauwelijks in processen-verbaal voor. Daarom noem ik voornamelijk mannen, waarbij men dan maar moet bedenken dat er dan vaak ook nog een moedige en menslievende vrouw achter schuil gaat.

Kloostra, Donderwinkel, Van den Berg, Triep, Rademakers en Van Unen

In de eerste familie die ik noem staat de familienaam Kloostra centraal. Maar aangetrouwde families waren er ook: Van den Berg, Triep, Rademakers en Donderwinkel.
Het gezin Kloostra telde 12 kinderen. Het verzet tegen het fascisme door de familie stamt al van voor de oorlog. Allereerst werd er door verschillende leden van het gezin Kloostra hulp geboden bij het onderbrengen van vluchtelingen uit Duitsland. Daarna meldden de broers Hendrik, Johan en Arie zich als vrijwilliger voor de Internationale Brigade in Spanje om daar niet alleen tegen Franco, maar ook tegen Hitler en Mussolini te vechten. Hendrik keerde niet meer terug, hij overleed op 25 november 1937 in Esteban de Litera ten gevolge van tyfus.
Na de Duitse inval gingen de broers Marten, Jan, Reinder, Tjerk, Johan en Arie aan het Haags communistisch verzet deelnemen. Tjerk werd op 12 februari tijdens een schietpartij door een Nederlandse politieman neergeschoten en overleed op 24 februari. Voorafgaande aan de schietpartij had Tjerk een Sicherheitsdienstman neergeschoten, die ten gevolge daarvan overleed. De Sicherheitsdienstman was uit op de arrestatie van Tjerk; het was een uitvloeisel van de infiltratieactie door Van Soolingen, die door burgemeester De Monchy verordonneerd was. Arie ging meteen aan het gewapend verzet deelnemen binnen een sabotagegroep van Sally Dormits.
Jan werd op 6 juni 1941 gearresteerd door de infiltratieactie van Van Soolingen. Hij overleefde het gruwelijke concentratiekamp Groß-Rosen en kwam daarna in Dachau terecht, waar hij aan medische experimenten werd onderworpen. Reinder hield zich naast het drukken en verspreiden van de bladen De Waarheid en Vrij Nederland ook bezig met voedselbonnen en valse persoonsbewijzen voor onderduikers. Toen hij in de winkel van Simon de Wit op de Hoefkade zonder dat hij het wist een valse suikerbon inleverde werd hij vastgehouden en aan de politie uitgeleverd. Hij kwam achtereenvolgens in Vught, Dachau en Buchenwald terecht.
Arie werd op 7 oktober gearresteerd en verbleef achtereenvolgens in de Dachau en het bijbehorende buitencommando Steinhöring. Johan werd op 10 maart 1943 gearresteerd in de nasleep van de derde infiltratieactie door Van Soolingen en werd achtereenvolgens naar Vught en Dachau gestuurd. Op een gegeven moment zaten de vier broers tegelijkertijd in Dachau. Als door een wonder overleefden ze allemaal de oorlog. Over Marten zijn mij geen verdere gegevens bekend.
De zwager Franciscus van den Berg, die met Maria Kloostra gehuwd was, werd in de loop van 1941 gearresteerd; waarschijnlijk laat in het jaar, want hij komt niet voor op een lijst die in november 1941 voor de Staatsanwalt werd gemaakt. Hij overleefde een lange gevangenschap in Buchenwald.
Leendert Triep was gehuwd met Jantien (Tini) Kloostra en was daardoor zwager van alle broers en zussen Kloostra. Voor de oorlog was hij betrokken bij de hulp aan vluchtelingen uit Duitsland. Hij had ook in de Spaanse burgeroorlog gevochten. Ook hij ging deel uitmaken van de sabotageploeg van Sally Dormits. Hij werd een van de eerste leden van de Nederlandse Volksmilitie (NVM). Toen de NVM in 1942 opgerold werd, zat de Sicherheitsdienst hem op de hielen. In 1943 werden Nederlandse militairen weer teruggeroepen in krijgsgevangenschap. Op advies van Piet Metscher heeft hij zich, zij het met grote tegenzin, aangemeld als hospitaalsoldaat om in Duitsland gewonde Nederlandse militairen te verzorgen. Op deze manier kon hij aan de Sicherheitsdienst ontsnappen.
De zuster Mathilda (Tilly) Petronella Rademakers van zwager Cor Rademakers was gehuwd met Arie Kloostra. Cor werd op 10 juni 1941 gearresteerd als uitvloeisel van de eerste infiltratieactie door Van Soolingen. Hij werd via Oranjehotel, kamp Amersfoort, concentratiekamp Buchenwald op 27 april 1942 naar het Nacht-und-Nebel-concentratiekamp Groß-Rosen afgevoerd. De gruwelijke behandeling in de steengroeve maakte langer overleven dan drie maanden nauwelijks mogelijk. Hij overleed op 15 juli 1942. De doodsoorzaak was honger, uitputting of doodslaan, maar de Duitsers verzonnen de verklaring ‘hartverlamming’. Grada Rademakers (waarschijnlijk Gerarda Mathilda) was een andere zuster van Cor en dus een schoonzuster van Arie Kloostra. Zij verspreidde een aantal exemplaren van De Vonk.
Willem Frederik Donderwinkel was met een zuster van Mathilda Petronella (Tilly) Rademakers, de vrouw van Arie Kloostra, getrouwd. Fred Donderwinkel werd op 25 augustus 1941 gearresteerd, nadat de Sicherheitsdienst achter het stenciladres van De Waarheid was gekomen. Fred kwam op dat adres om de stencilmachine op te halen, nadat het adres niet langer veilig werd bevonden. De arrestatie was een gevolge van de eerste infiltratieactie door Van Soolingen. Fred overleefde de concentratiekampen Buchenwald, Natzweiler en Dachau. Willem Donderwinkel werd op 17 februari 1943 gearresteerd als gevolg van de derde infiltratieactie door Van Soolingen. Hij overleefde Vught en Dachau. De vader van de gebroeders Donderwinkel overleed op 27 april 1944 in Osnabrück en was volgens de Oorlogsgravenstichting een oorlogsslachtoffer.
Willem Jan Petrus van Unen, die met Lena Josina Kloostra getrouwd was, nam in eerste instantie ook aan het verzet deel. Hij werd later als krijgsgevangene naar Duitsland afgevoerd, waar hij dwangarbeid moest verrichten. Hij overleed op 29 juni 1943 in Keulen ten gevolge van een bombardement.

Polak, Kupferschmidt, Boverhuis

Centraal staat hier het gezin Hans Polak en Anna Kupferschmidt. Over zijn verzetsactiviteiten aan het begin van de oorlog is mij niets bekend, maar ze zijn er waarschijnlijk wel geweest. Later raakten Hans en Anna via Frits Boverhuis bij het onderdeel Persoonsbewijscentrale van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers (LO) betrokken. Ze hielden zich bezig met het vervalsen van persoonsbewijzen ten behoeve van onderduikers. Hun onderduikadressen werden ontdekt door de V-Mann Johannes Bosschieter die het doorgaf aan de Sicherheitsdienst. Hans en Anna werden op 24 april 1944 gearresteerd en Samson op 27 april. Hans kwam op 20 februari 1944 in Dachau om het leven en Samson op 15 maart 1945 op een onbekende plek in Duitsland. Anna overleefde het concentratiekamp Ravensbrück.
Een derde broer Ben Polak zag kans om als laatste Joodse Nederlander het artsexamen af te leggen. Hij vertrok naar Amsterdam. Vanwege zijn afkomst mocht hij geen niet-Joden behandelen. Maar omdat hij nog als arts werkzaam voor Joden was, kon hij zijn vaardigheden en mogelijkheden tot het verkrijgen van medicijnen en medische benodigdheden inzetten voor onderduikers. Hij heeft ook verzetsactiviteiten in Den Haag verricht, vermoedelijk als hij door zijn broers werd opgeroepen voor medische hulp aan onderduikers in Den Haag.
Twee broers van Anna, Baruch (Bobby) en Abitch (Albert) Kupferschmidt maakten deel uit van het Haags communistisch verzet. Maar hun verzetsactiviteiten zijn mij onbekend. Baruch overleed op 23 juli 1943 in Sobibor in het kader van de Holocaust. Het onderduikadres van Abitch werd ook door Bosschieter achterhaald. Hij werd in januari 1944 gearresteerd. Hij kwam op 31 maart 1944 in Auschwitz om het leven.
Frits was een huisvriend van de broer Samson van Hans en had daar zelfs enige tijd in huis gewoond, zodat hij eigenlijk ook deel van de familie uitmaakte. Frits vertrok later naar Amsterdam en speelde daar een belangrijke rol in het verzet. Hij was betrokken bij de overvallen op de Landsdrukkerij in Den Haag waar tienduizend blanco persoonsbewijzen werden buitgemaakt en op de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam. Hij werd op 16 juli 1944 in Overveen gefusilleerd.

Chef d’Hotel

Het was een gezin met zeven kinderen: vier zoons en drie dochters. Alle vier de zoons gingen deelnemen aan het Haags communistisch verzet. Ze verspreidden het illegale blad De Vonk. De vader en zijn zoons Cornelis, Hendrik en Krijn, die allen nog thuis woonden, werden op 12 augustus 1941 gearresteerd in de gemeenschappelijke actie van Inlichtingendienst en Sicherheitsdienst op basis van de infiltratie door Van Soolingen, die in opdracht van burgemeester De Monchy het communistisch verzet was binnengedrongen. De vader kwam na enkele dagen weer vrij. De drie zoons kwamen alle drie vrij snel in een concentratiekamp om het leven: Cornelis in september 1942 in Buchenwald, Krijn op 8 augustus 1942 in Dachau en Hendrik op 26 juni 1943 ook in Dachau.
De overgebleven zoon Isaac was niet gearresteerd, omdat hij al ondergedoken was. Maar toen de kust een paar jaar later veilig leek, kwam hij weer thuis wonen. Hij ging De Waarheid verspreiden. Hij werd door de infiltrant Van Soolingen opgespoord en aan de Sicherheitsdienst verraden. Hij werd op 9 maart 1943 gearresteerd en drie dagen later in Rotterdam gefusilleerd. Zo verloor dit gezin alle vier zoons door toedoen van de Gestapo-vriend De Monchy en eigenlijk ook door toedoen van minister van Justitie Gerbrandy.

Harthoorn, Gilliéron, Gnirrep, Ossenkoppele

Hoewel mijn ouders in Den Haag woonden, is het een Amsterdamse verzetsfamilie. Door de verschillende woonplaatsen was het contact niet erg intensief, waardoor ik betrekkelijk weinig over de verzetsachtergronden vernomen heb. Maar wat ik weet zal ik hier vermelden. Net zoals bij de familie Kloostra beperk ik me tot het kerngezin Harthoorn en de zwagers van de leden.
Het gezin van mijn grootouders was afkomstig uit Zeeland en kwam in de jaren twintig in Amsterdam wonen. Er werden in totaal tien kinderen geboren, waarvan er zeven een volwassen leeftijd haalden. Door enerzijds de ziekte van mijn grootvader, hij had de toen ongeneeslijke ziekte tuberculose, en anderzijds de economische crisis kwam het gezin in financiële problemen. Dit heeft ertoe bijgedragen dat het sterke interesse in linkse bewegingen kreeg. Hij werd aanhanger van de Bellamy-beweging. Mijn grootvader overleed in 1936 aan tuberculose.
Mijn grootmoeder Catharina (Kaotje) heeft voor de oorlog regelmatig Duitse communistische vluchtelingen over de vloer gehad. Ze bleven niet slapen, maar konden overdag langs komen en soms blijven eten om het gastgezin zo te ontlasten. Met vooral de uit Oldenburg afkomstige August Balstrup (of Walstrub) ontstonden vriendschappelijke betrekkingen. De Gestapo had hem middels spionnen, die van de Amsterdamse Politie Inlichtingendienst vrijuit mochten opereren, al in beeld blijkens een rapport dat in januari 1938 in Berlijn werd opgesteld. Mijn vader heeft hem tijdens de oorlog nog in Dachau ontmoet. Wat zijn lot is geworden, is altijd onbekend gebleven. Tijdens de oorlog heeft Kaotje regelmatig geholpen Joodse onderduikers ergens onder te brengen. En verder stond ze in contact met de samenstellers van de illegale krant De Waarheid en had ze in het laatste oorlogsjaar een stencilmachine in huis waarop haar jongste zoon Paul De Waarheid vermenigvuldigde.
De oudste dochter Adriana was gehuwd met Lodewijk (Louis, Bob) Gilliéron (vaak foutief geschreven als Guilliéron). Tijdens de verkering kwam hij regelmatig over de vloer. Hij was lid van de CPH / CPN en sprak daarover met zoveel overtuiging dat bijna alle gezinsleden ook lid van de CPN werden. Meteen na de Duitse bezetting kreeg hij de leiding over een illegale bedrijfsgroep en zat vanaf maart 1941 tot juni 1941 in de illegale partijleiding van Amsterdam. Hij gebruikte toen de schuilnaam Bob Martel. Daarna kreeg hij de leiding over het Solidariteitsfonds en vanaf 1944 maakte hij deel uit van het derde landelijk bestuur van de illegale CPN. Hij legde contacten met andere verzetsorganisaties en wist op 12 januari 1945 te ontsnappen toen een vergadering met andere verzetsgroepen met als doel de oprichting van de Stichting 1940-1945 aan de Sicherheitsdienst verraden bleek door een lid van de Paroolgroep, die zich om een vriendin vrij te krijgen had laten omvormen tot V-Mann. Hij verraadde de bijeenkomst en zo hoopte de Sicherheitsdienst een aantal kopstukken uit verschillende verzetsorganisaties in handen te krijgen. Bij de inval maakte de Sicherheitsdienst opzettelijk veel lawaai, waardoor een deel van de aanwezigen de tuin in liep en door de Sicherheitsdienst werd opgevangen. De V-Mann mocht zich via een luik naar de buren in veiligheid stellen, maar die werd door enkelen gevolgd, waarbij Bob, en die konden zich zo ook in veiligheidstellen. Het ligt voor de hand dat Adriana ook bij illegale activiteiten betrokken was, maar daarover is mij niets bekend. Vermoedelijk is het echtpaar tijdens de oorlog van elkaar vervreemd, want ze zijn in 1946 gescheiden. Gilliéron werd na de oorlog achtereenvolgens directeur van de communistische uitgeverij Pegasus en het dagblad De Waarheid. Over verzetsactiviteiten door Adriana is mij niets bekend, maar aangezien ze gehuwd was met iemand uit de topleiding van het communistisch verzet lijkt het mij aannemelijk dat ze ook verzetsactiviteiten ontplooide.
De zoon Job was niet geïnteresseerd in politiek. Hij heeft niet aan het verzet deelgenomen. In 1944 werd hij voor de Arbeitseinsatz naar Berlijn gestuurd. Hij maakte daar veel bombardementen mee. Het werd hem door zijn broers en zusters kwalijk genomen dat hij zich niet door onder te duiken onttrokken had aan zijn door de Duitsers verplichte bijdrage aan de oorlogseconomie door Duitse arbeiders vrij te maken voor het front.
Willem Lodewijk (Wim), mijn vader, maakte van begin af aan deel uit van het Haags communistisch verzet. Hij stuurde zes cellen van ongeveer vijf personen aan. Ze vergaderden soms bij hem thuis op het Oranjeplein 49 in Den Haag. Een van die cellen stond onder leiding van Chris van Spronsen. In die cel was de door burgemeester De Monchy de illegale CPN ingestuurde politie-informant Van Soolingen opgenomen. Via de cellen werden exemplaren van het illegale blad De Vonk verspreid, pamfletten aangeplakt en leuzen gekalkt. Op de tweede dag van de Februaristaking verspreidde Wim oproepen bij een tramremise om ook in Den Haag een staking teweeg te brengen. Het trampersoneel wilde er niet toe overgaan.
Toen de leider van De Vonkgroep op 6 juni 1941 gearresteerd werd, nam Wim de leiding over, De Vonkgroep telde toen 300 leden, waarvan ongeveer de helft door Van Soolingen verraden werd. Toen een naaste medewerker van Wim begin augustus 1941 gearresteerd werd, dook hij onder. Maar toen er niets gebeurde keerde hij op 11 augustus weer terug, want hij had een inkomen nodig. Hij werd 12 augustus ’s-morgens vroeg gearresteerd door de Leo Poos en Marten Slagter van de Inlichtingendienst, terwijl buiten nog twee politiemannen stonden te wachten. Na een half jaar in het Oranjehotel volgde hij een pad door de concentratiekampen Amersfoort, Buchenwald, Groß-Rosen, Dachau, Natzweiler, Dachau, Allach en weer Dachau. In zijn perceptie telde alleen het verblijf in de steengroeve van Groß-Rosen; daarnaast maakte de steengroeve van Natzweiler nog indruk, maar de rest telde niet ondanks de vele knuppelslagen en de duizenden doden die hij in Dachau gezien heeft.
In Dachau heeft hij een kleine maar levensgevaarlijke opdracht voor het Duitse communistische verzet verricht. Hij keerde terug met een gebroken nek, wat ondanks de vele klachten door de Nederlandse overheid een decennium lang genegeerd werd, hij werd zelfs voor simulant uitgemaakt. Uiteindelijk kreeg hij een verzetspensioen, nadat Pim Boellaard hen chanteerde om zijn lidmaatschap van de CPN op te zeggen.
De verzetsbijdrage van mijn moeder Petronella (Nel) Kok is betrekkelijk klein geweest. In 1941 verspreidde ze De Vonk op een tiental adressen en ging ze samen met Chris van Spronsen pamfletten aanplakken. Daarna is ze intensief bezig geweest met voedsel te vergaren om naar Wim te sturen. Het meeste werd gestolen, maar wat aankwam is twee keer van doorslaggevende betekenis geweest voor zijn overleven. Aan het einde van de oorlog woonde ze in Amsterdam op de Kramatweg en heeft ze een korte tijd een stencilmachine in huis gehad om De Waarheid te vermenigvuldigen. En verder heeft ze op verzoek van Kaotje een poosje een Joodse onderduiker in huis gehad.
Cornelis (Kees) was voor de oorlog werkloos en koos er toen voor een bijdrage te leveren aan de Internationale Brigade tijdens de Spaanse burgeroorlog. Hij heeft daar niet gevochten, maar zorgde voor de post. Hij werkte daar onder de naam Kees Post, maar de Centrale Inlichtingendienst kwam toch achter zijn identiteit. Na terugkeer werd hem, ondanks dat hij geen militaire functie had bekleed, het Nederlanderschap ontnomen, want het was door de pro-fascistische regering van christenen en liberalen, die met de Duitse Gestapo samenwerkte, verboden om brieven te sorteren. Een baan krijgen was toen helemaal onmogelijk en hij ging toen administratief werk op de redactie van het communistische Volksdagblad verrichten. Daar leerde hij zijn echtgenote Marietje (Miep) IJzerman kennen.

Miep IJzerman

Ze trouwden op 8 mei 1940 omdat ze het uitbreken van de oorlog voorzagen en dit nog enige sociale bescherming bood. Daarbij bood hij onderdak aan de Duitse communistische vluchteling Alfred August Rudolf Kowalke, die zowel vanuit Nederland als vanaf 1942 na illegale terugkeer naar Duitsland een belangrijke rol speelde in het KPD-verzet tegen Hitler; hij zou in 1944 met de guillotine onthoofd worden.
Bij de Duitse inval verbood de Nederlandse regering het Volksdagblad (nota bene: de opvolger De Waarheid zou het veruit grootste verzetsblad van Nederland worden). Kees en Miep verloren beiden hun baan, maar vonden met veel moeite een nieuwe inkomensbron als conciërge. Kees trad onmiddellijk toe tot het Amsterdams communistisch verzet. Bij de Duitse inval in de Sovjet-Unie zette de Amsterdamse Politie Inlichtingendienst hem op een lijst van te arresteren personen, waarvan ze wisten dat die vrijwel zeker vermoord zouden worden. De keuze viel waarschijnlijk op hem omdat hij voor de oorlog voor het Volksdagblad werkte en Spanjestrijder was.
Hij werd op 25 juni 1941 gearresteerd en via de kampen Schoorl en Amersfoort naar het concentratiekamp Neuengamme afgevoerd. In Neuengamme creëerden de Duitsers bij wijze van experiment een tuberculose-epidemie. Zeer veel gevangenen overleden daaraan. Maar Kees overleefde dat, omdat hij door de ziekte van zijn vader immuun was geworden. Aan het eind van de oorlog werd hij veel in het gezelschap van Louis de Visser gezien. Zij behoorden toen tot de weinige in 1941 gearresteerde communisten die toen nog in leven waren.
In april 1945 werd Neuengamme geëvacueerd, waarbij ongeveer 8000 gevangen op drie schepen bij Lübeck werden geplaatst; Kees kwam op de Cap Arcona. De Zweedse regering waarschuwde de Britse regering dat er gevangenen op de schepen zaten. Desondanks bombardeerde de Britse RAF op 3 mei 1945 de schepen. Er kwamen daarbij ruim 7000 gevangenen om het leven (sommigen die zich van de brandende schepen wisten te redden werden door SS-troepen doodgeschoten). De reden van het bombardement wordt nog steeds door de Britse regering als staatsgeheim gekoesterd: de archieven gaan pas in 2045 open.
Miep was van Joodse afkomst. Normaal gesproken zou het gemengde huwelijk haar bescherming tegen deportatie moeten geven, maar dat gold voor haar niet, omdat haar echtgenoot Kees stateloos was. Daarom dook ze onder. Alhoewel mij daar niets over bekend is, lijkt het mij aannemelijk dat ze ook in het verzet actief was aangezien ze voor de oorlog ook betrokken was in allerlei communistische activiteiten, zoals culturele activiteiten voor arbeiders. Zij weigerde echter een ster te dragen en het openbaar vervoer te mijden. Ze dook samen met haar zuster Akli in de Quellijnstraat onder, nadat ze door de Sicehrheitsdienst in de Euterpestraat opgeroepen werd en daar opdracht kreeg haar buren te bespioneren voor eventuele verzetsactiviteiten. Op een dag werd ze op straat door een landwachter aangehouden, die haar voor Jodin aanzag, wat ze ontkende. De landwachter bleef haar volgen en toen wilde ze niet naar haar woning gaan, omdat dat haar zuster in gevaar zou brengen. Ten einde raad bekende ze Jodin te zijn, waarna ze gearresteerd werd. Op het politiebureau bleek dat haar persoonsbewijs vals was en werd aan de Sicherheitsdeinst overgeleverd. Eerst werd ze in Westerbork opgesloten en vervolgens naar Auschwitz gestuurd, waar ze door uitputting om het leven kwam. Door de stateloosheid van Kees is ze dus eigenlijk een indirect slachtoffer van de Spaanse burgeroorlog en de Nederlandse confessionele en liberale regeringsvoorliefde voor het fascisme en antisemitisme.

Mattie Ossenkoppele-Harthoorn

Maatje (Mattie) stond voor de oorlog al op de lijst van links-extremistische personen, omdat ze op zestienjarige leeftijd als penningmeesteres een paar dubbeltjes beheerde van een communistische jeugdbeweging, die wat spelletjes deed in een lokaal in de Galerij aan het Frederiksplein. De staatsgevaarlijke activiteiten van het zestienjarig meisje werden door de toekomstige landverraders en massamoordenaars vastgelegd als: ‘Amsterdam. Penningmeester De Jonge Sovjet Vrienden (1935)’. Tijdens de oorlog haalde ze samen met haar zuster Jopie Joodse kinderen uit het weeshuis tegenover de Hollandsche Schouwburg en samen brachten ze ook Joodse kinderen per trein naar een veilige plek in Friesland. Toen na de arrestatie van Pam Pooters zijn koerierster Jopie, de zuster van Mattie, plotseling moest onderduiken heeft Mattie de geheime zender die bij Jopie stond (de Sicherheitsdienst van half Europa maakte jacht op die laatste zender van de groep Wollweber) heeft zij die zender bij de buren opgehaald en achter op de fiets naar een veilige plek overgebracht
Mattie trouwde tijdens de oorlog met Jan Ossenkoppele. Hij was tijdens de oorlog betrokken bij het onderduikers voorzien van bonkaarten en bij de verspreiding van De Waarheid. Hij kreeg een baan als assistent-cameraman bij de Nederlandsche Onderwijsfilm in Den Haag en moest daardoor vanwege de spertijd in Den Haag overnachten. Daardoor kwam hij in het laatste oorlogsjaar contact met een Haagse knokploeg waarmee hij aan het gewapend verzet deelnam.
Johanna (Jopie) werkte tijdens de oorlog als koerier voor Pam Pooters en Daan Goulooze. In haar woning in de Amsterdamse Hudsonstraat 159 stond een geheime zender die door haar zwager Wim Gnirrep bediend werd. Zij moest dan in de buurt rondlopen om te kijken of er geen peilwagens in de buurt kwamen. Toen ze vernam dat Pooters gearresteerd was, heeft ze de zender via het achterbalkon aan de buren overhandigd en is zelf hals over kop gevlucht en ergens ondergedoken. Later heeft haar zuster Mattie het toestel opgehaald en ergens in veiligheid gebracht. De Sicherheitsdienst deed inderdaad twee weken later een inval, zogenaamd omdat er Joodse onderduikers zouden zijn. Daarna betrok haar broer Job de woning. De Sicherheitsdienst was te weten gekomen dat Goulooze vijf zenders in beheer had; ze wist er vier te achterhalen, maar die vijfde kregen ze nooit te pakken. Het was voor mij een waar genoegen om in de naoorlogse processen-verbaal over hun tevergeefse zoektocht te lezen.
Ze was gehuwd met Pieter (Piet) Gnirrep. Hij was tijdens de Februaristaking verbindingspersoon tussen enkele stakingslocaties en de centrale stakingsleiding. Daarmee liep hij in de gaten en kon betrekkelijk kort na de staking gearresteerd worden. Er werd gelukkig geen huiszoeking gedaan, waardoor een geheime zender van de groep Wollweber onontdekt bleef. Hij werd in een proces tegen de stakingsleiding tot 10 jaar tuchthuis veroordeeld en in het Duitse Siegburg opgesloten. Vlak voor de Duitse nederlaag nam de gevangenisbewaking de benen, maar een van de bewakers was nog wel zo netjes om de celdeuren open te maken en de gevangenen te waarschuwen dat er nog SS’ers in de stad rondliepen die hen bij de waarneming tijdens hun vlucht wel dood zouden schieten. Natuurlijk vluchtten ze en daarbij moest een woest stromend riviertje overgestoken worden, waarbij hij bijna verdronk. Vele jaren later wilde hij die plek tijdens een vakantie aan zijn gezin laten zien en toen bleek het om een kalm kabbelend stroompje te gaan. Daar werd smakelijk om gelachen, maar met het smeltwater in het voorjaar was het wel degelijk een woest riviertje.
Paulus Adrianus (Paul) was aan het einde van de oorlog 17 jaar. Hij kon niet meer veilig over straat, omdat hij dan een grote kans liep om bij een razzia opgepakt en naar Duitsland gestuurd te worden. Hij bracht zijn tijd door met voor de illegale De Waarheid wat tekeningetjes en variaties op het logo (titel van de krant) te maken en het stencillen van De Waarheid op de machine die in huis stond.

Polak, Kupferschmidt

Van deze families is mij slechts ten dele wat bekend. De broers Hans, Samson en Ben Polak waren vanaf 1941 bij het communistisch verzet in Den Haag betrokken. Samson woonde in Den Haag en Hans met zijn vrouw in Rotterdam, maar verhuisde in 1941 naar Den Haag, terwijl Ben in Amsterdam woonde en studeerde.
Hans en Samson hebben in het Haagse verzet nauw met elkaar samengewerkt. Na verloop van tijd waren ze gedwongen om onder te duiken, maar zetten hun verzetsactiviteiten voort. Hans kende Gerard Jan van der Vaart, die ambtenaar op de Haagse gemeentesecretarie was, waardoor gegevens in het bevolkingsregister op beperkte schaal verwijderd konden worden. Hanse en Samson waren vanaf 1942 vooral betrokken bij het laten onderduiken van Joden en hun van hulpmiddelen voorzien, zoals valse persoonsbewijzen, bonkaarten en geld. Later in de oorlog werd deze activiteiten van het communistisch verzet overgeheveld naar het samenwerkingsverband de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. Van der Vaart kon toen ook voor blanco persoonsbewijzen zorgen.
Ben Polak was vooral in het communistisch verzet in Amsterdam betrokken. Nadat hij als arts was afgestudeerd verleende hij veel medische bijstand aan onderduikers, die zich niet tot de normale gezondheidsinstituten konden wenden. Ben was via zijn broers op beperkte schaal ook betrokken bij het Haags communistisch verzet.
Hans was gehuwd met Annetje Kupferschmidt. Zij was ook nauw bij de verzetsactiviteiten betrokken. Haar broers Baruch en Abitch waren nauw bij het Haagse communistisch verzet betrokken, maar details ontbreken mij.
Bij het natrekken van namen viel het mij op dat een aantal neven en nichten, of partners daarvan, van Annetje, die de familienaam Kupferschmidt / Kupferschmied(t) droegen, niet op de gebruikelijke manier via Westerbork naar Auschwitz of Sobibor waren gedeporteerd om vermoord te worden: Israel Marcus, Leib Marcus, David, Abraham Hersch en Sara Liba. In plaats daarvan werden ze eerst in Vught opgesloten en vervolgens enkelen van hen via Westerbork naar de concentratiekampen Buchenwald en Mauthausen overgebracht. Dit deed de bezetter alleen als ze de betrokkenen op zwaardere anti-Duitse activiteiten hadden kunnen betrappen. Vanwege hun familiebanden met de Annetje, Abitch en Baruch doet me dit vermoeden dat ze bij het communistisch verzet in Den Haag betrokken waren. Maar ik heb hier geen doorslaggevende bewijzen of verdere aanwijzingen kunnen vinden.