Collaborateurs, spionnen, infiltranten en andere anti-communisten, A-K

Ik vermeld hier gegevens voor zover ik die bij mijn onderzoek ben tegengekomen. Dat onderzoek was gericht op de massamoord op de Haagse communisten. Daarbij heb ik de dossiers voor zover delen op andere zaken sloegen, niet onderzocht. Ik zal dat vermelden bij de belangrijkste personen die nog meer op hun geweten hebben; het gaat daarbij om zaken als jacht op Joden, uitleveren van andere verzetsmensen, betrokkenheid bij executies en het Englandspiel. Als erbij staat dat ik iemands dossiers niet bestudeerd heb, dan komt de informatie uit dossiers over andere personen.
Na de oorlog verklaarde de chef van de Duitse contraspionage Joseph Schreieder over de steun van de politie: ‘Als de Sicherheitspolizei niet zoo’n goed hulp van de Hollandse politiemannen zoals Veefkind sr. en anderen had gehad, zou de Sicherheitspolizei hier in Nederland nooit zo’n succes zou hebben gehad.
Voor en tijdens de oorlog waren GS III met de daarbij behorende Centrale Inlichtingendienst en de regionale (gemeentelijke) inlichtingendiensten de meest staatsgevaarlijke organisaties binnen Nederland. De medewerkers spioneerden voor de Duitsland en gingen na de Duitse inval in Duitse dienst. Ze waren de felste en veruit belangrijkste bestrijders van het verzet tegen de Duitse bezetter. Ze veroorzaakten daarbij veel doden en levenslang invaliden, vooral onder communisten (CPN en RSAP), maar ook onder andere verzetsgroepen. Ze waren de handlangers van de Duitsers bij het Englandspiel.
Na de oorlog was de Binnenlandse Veiligheidsdienst (of de daaraan ten grondslag liggende afdeling van het Bureau Nationale Veiligheid) de belangrijkste bedreiger van linkse verzetsmensen en redder in nood voor veel landverraders. De Binnenlandse Veiligheidsdienst was nauw gelieerd aan de VVD-organisatie SOAN, die de grootste criminele organisatie uit de Nederlandse geschiedenis was en nog nooit daarin overtroffen werd. Van na 1950 is geen enkele onafhankelijke informatie over de BVD en zijn opvolger AIVD bekend. Daarom is het enige wat we erover weten dat het organisaties van list, bedrog, leugens en wetsschennis zijn, waarvan geen enkele officiële mededeling geloofd kan worden.
Hieronder volgen de belangrijkste collaborateurs voor zover ik die tegen ben gekomen bij mijn historisch onderzoek naar het communistisch verzet in de regio Den Haag. De meesten van hen waren verbonden aan de hierboven genoemde organisaties. Speciaal wil ik noemen de infiltranten, later V-Männer, van de Haagse Politie Inlichtingendienst (en een van de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst) die tijdens de oorlog dood en verderf zaaiden. Ze behoorden stuk voor stuk tot de ergste landverraders:

Hendricus (Henk) Maria Antonius Alsem
Den Haag 19 mei 1902, Den Haag 28 april 1953
(In het werk ‘Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ wordt door Lou de Jong veel aandacht aan Reinder Zwolsman en de daarbij behorende figuren Henk Alsem en Fritz Hillesheim besteedt. De inhoud van deze passages wijkt dermate sterk af van wat in de documenten staat, dat het min of meer uit de duim gezogen lijkt te zijn. Mijns inziens is er sprake van opzettelijke geschiedvervalsing om de figuur Reinder Zwolsman, met zijn connecties tot op het hoogste niveau in de politiek, in bescherming te nemen en het bestaan te verhullen van de samenwerking voor, aan het eind van en na de oorlog tussen Nederlandse en Duitse Inlichtingendiensten via de Geheime Dienst Nederland, Werwolf, SOAN en Gladio.)
Zijn roepnaam was Henk. Hij had een eigen filmbedrijf die veel voor de nationaalsocialistische Duitse overheid werkte.
Begin jaren dertig maakte hij in gezelschap van een Amerikaanse filmmaker een rondreis door Nederlands-Indië. Overal vertelde hij aan de pers dat er plannen waren voor het maken van een lokale film. Maar uiteindelijk bleken het luchtkastelen. Er waren klachten over verduistering, oplichting en omkoping. Uiteindelijk werd hij door de overheid wegens het gebrek aan bestaansmiddelen op een schip naar Nederland gezet.
Hij bezat in Nederland een filmmaatschappij die veel opdrachten voor de Duitse overheid uitvoerde. Daarbij fungeerde hij meteen ook als spion voor de Duitsers.
Na de oorlog verklaarde de Inlichtingendienstman Johannes Veefkind hierover: ‘Henk Alsem, zoon van den directeur van het restaurant “Boschhek” exploiteerde in het jaar 1939 in een perceel naast het restaurant van zijn vader een club welke hij “Chateau Bleu” noemde. Het was de Haagse politie bekend, dat deze club een centrum was van spionnen. Henk Alsem zou toen zelf voor de Duitse regeering ten nadde [nadele] van Nederland en Belgie hebben gewerkt. Hij werd als zodanig door de Inlichtingendienst bekeken. Het was de brigadier, thans Kapitein van Politie, Steven Pegels, die met deze zaak was belast en de houders en de bezoekers van “Chateau Bleu” bekeek en zoveel mogelijk identificeerde.


Fragment uit een in 1946 door Inlichtingendienstman Johannes Hubertus Veefkind geschreven rapport, waarin hij vermeldde dat Alsem voor de oorlog een soort spion voor de Duitse regering was. In Wikipedia wordt Alsem als verzetsheld beschreven, wat de onbetrouwbaarheid van dat door extreemrechts gedomineerde medium aantoont.

Hij nam van zijn vader het bij Mariahoeve in het Haagse Bos gelegen restaurantbedrijf Château Bleu over, dat ook bekend is onder de naam Boschlust. Het restaurant was een ontmoetingsplaats voor Duitse spionnen met Nederlandse functionarissen. Als Duitse spionnen kunnen genoemd worden Traugott Andreas Richard Protze (Onkel Richard), Bonn en de persattaché van de Duitse legatie Heinrich Hushahn. Het eten en drinken werd er afgewisseld met activiteiten met prostituees die in het Haagse Bos opereerden. Van Nederlandse zijde werden de hoge officier Petrus Hamer en diverse Inlichtingendienstmannen daar vaak gezien. Door Veefkind van de Haagse Politie Inlichtingendienst is na de oorlog verklaard dat Alsem als spion voor de Duitsers werkte.

Restaurant ‘Roomhuis Boschhek’ ook bekend als Chateau Bleu
Interieur van restaurant Chateau Bleu waar Nederlandse hoge militairen ontmoetingen hadden met Duitse spionnen.

Fragment uit een in 1946 door Johannes Hubertus Veefkind geschreven rapport, waarin hij vermeldde dat Alsem voor de oorlog een soort spion voor de Duitse regering was. In Wikipedia wordt Alsem als verzetsheld beschreven, wat de onbetrouwbaarheid van dat door extreemrechts gedomineerde medium aantoont.
In 1941 raakte hij bevriend met de Sicherheitsdienstman Fritz Rudolf Hillesheim. Dit werd de centrale figuur in een corruptiespel, waarin door onder anderen Reinder Zwolsman goederen bij zwarthandelaren in beslag werden genomen en vervolgens te eigen bate verhandeld werden. Diverse personen binnen de Sicherheitsdienst rond Hillesheim en Friedrich Frank en enkele V-Mannen als Jan Haakman en Reinder Zwolsman profiteerden hiervan. Verder was er in het verlengde daarvan een chantagespel, waarbij arrestanten bedreigd werden met een concentratiekamp als ze zich niet tegen een fors bedrag vrijkochten. Die arrestanten waren niet alleen zwarthandelaren, maar ook personen die zich in negatieve zin over Duitsers hadden uitgelaten.
Op Dolle Dinsdag 5 september 1944 werd de grond hem te heet onder de voeten en besloot een eigen verzetsorganisatie op te richten. Dat werd het Korps Admiraal Doorman. De namen van de leden haalde hij van een leerlingenlijst van het Haagsch Lyceum; of de leerlingen wisten dat ze opeens deel uitmaakten van een ‘verzetsorganisatie’ is onbekend.
Ook zijn vriend Hillesheim kreeg het benauwd. Die was ondertussen schatrijk geworden. Die besloot onder te duiken, om zo te bewerkstelligen dat hij na de oorlog in Nederland kon blijven en dat zijn deels in onroerend goed belegde vermogen niet geconfisqueerd zou worden. Daarbij voorzag Alsem hem van een briefje dat Hillesheim tijdens de oorlog de ‘illegaliteit’ had geholpen en ondertekende dat met de verzonnen functie ‘eerste luitenant namens de minister van Oorlog’.
Bij de Sicherheitsdienst maakte men zich zorgen over de deserties en speciaal die van Hillesheim, omdat die een lijst van gepleegde wandaden per lid van de Sicherheitsdienst zou hebben. Er werd een jacht op Hillesheim en diens vermogen geopend. Zwolsman kreeg de leiding over die jacht en verdacht Alsem ervan Hillesheim te hebben verborgen. Zwolsman, die V-Mann was voor de Duitse contraspionage, arresteerde Alsem en hield hem gevangen in de gesloten afdeling van de Ursulakliniek voor psychische patiënten van de zenuwarts Ed Hoelen. Na enige tijd verraadde Alsem waar Hillesheim ondergedoken zat. Zo kreeg Zwolsman Hillesheim te pakken en die werd uiteindelijk door de Sicherheitsdienst opgehangen.
Zwolsman hield Alsem toch nog gevangen. Maar die wist op 30 november 1944 tijdens een luchtalarm te ontsnappen. Hij had buikvliesontsteking die door Hoelen niet behandeld werd en daarom liet hij zich in ziekenhuis Zuidwal opnemen. Zwolsman ontvoerd hem weer op 2 december en sloot hem opnieuw in de Ursulakliniek op. Op 10 januari 1945 werd Alsem vrijgelaten en toen voegde Zwolsman hem toe dat hij niet meer moest proberen groepjes te vormen. Daarop klaagde Alsem: ‘Ik vind het gemeen, dat jullie mij de kans ontnemen om roverhoofdmannetje te spelen.
Alsem werd na de oorlog reservekapitein bij de filmdienst van de Generale Staf. Zijn taak was het om documenten op filmrollen te zetten.
Lou de jong wijdt vrij veel tekst aan Alsem. Hij presenteert hem als een belangrijke verzetsman in plaats van als spion, crimineel en laffe verrader. Het is tekenend voor de fake-geschiedschrijving die we op diverse plekken in zijn werken tegen komen. Een ander voor beeld van zulke geschiedschrijving door hem is de beschrijving van de activiteiten van Reinder Zwolsman. Door de fantasierijke fake-geschiedschrijving door De Jong staat deze corrupte collaborateur en geestelijk labiele fantast overal op internet, onder andere in het onbetrouwbare Wikipedia, vermeld als verzetsheld.

Johannes Gerardus Amiabel
Den Haag 7 februari 1895
Hij was commissaris van politie. Amiabel was van 1935 tot 10 augustus 1940 chef van de Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij zorgde ervoor dat sinds 1935 gegevens over communisten per speciale koerier bij de Gestapo in Berlijn werden afgeleverd (verklaring van Veefkind hierover luidde: ‘[…] dat reeds toen gegevens werden uitgewisseld welke door een courier werden overgebracht’). Hij verving het bestuur van de politiemannenzangvereniging Entre Nous door leden van de Inlichtingendienst, om onder dekmantel van die vereniging in 1935 nauwe betrekkingen aan te knopen met de Gestapo in Wuppertal. In 1936 ging Entre Nous naar Breslau. Hij kreeg in 1938 de Duitse onderscheiding Officierskruis van de Adelaar.
Hij werd per 26-4-1941 bij de Gemeentepolitie ontslagen wegens benoeming tot Hoofdambtenaar voor bijzondere diensten, toegevoegd aan de procureur-generaal Van Genechten, fgd. Directeur van Politie te ‘s-Gravenhage en tot commissaris van Rijkspolitie. Hij vernam in 1943 dat de gedeporteerde Joden door de Duitsers vermoord werden.
In 1943 gaf hij politieagent Leseman opdracht een Joodse onderduiker, nota bene de zoon van een vooroorlogse politie-informant tegen de communisten, samen met andere Joodse onderduikers in hetzelfde pand arresteren. Twee van die andere onderduikers zijn daardoor om het leven gekomen. Na de oorlog werd Leseman hiervoor vervolgd, maar Amiabel niet. In 1944 werd hij majoor van de Staatspolitie in Rotterdam.
Hij werd omstreeks eind oktober of begin november 1945 gearresteerd.

Joannes (Jan) Antonius Baars (Johannes Hendricus Haije)
Amsterdam 30 juni 1903, Andijk 22 april 1989
Voor de oorlog was hij leider van de Algemene Nederlandse Fascistenbond (ANFB). Hij was sinds 1928 redacteur van het fascistische blad De Bezem en als zodanig verantwoordelijk voor de plaatsing van een racistische en antisemitische artikelen. Daarna had hij nauwe contacten met het Zwart Front, later Nationaal Front genoemd, maar zonder er lid van te zijn.
In 1931 organiseerde hij de diefstal van het partijarchief van de CPN. Daarna publiceerde hij zogenaamde stukken eruit, die hij zelf verzonnen had. Daarin werden plannen voor een moord ‘geopenbaard’. In 1933 stichtte hij een terreurgroep. Leden uit zijn groepering probeerden in 1934 de CPN te infiltreren en de CPN over te halen een bomaanslag op de Pullman-expres naar Parijs te plegen.
Hij werd omstreeks 1933 informant voor de Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij ging met zijn ANFB een samenwerking aan met de Nationale Unie, de voorloper van de Nederlandse Unie van Jan de Quay tijdens de oorlog. In 1934 hield hij een toespraak waarin hij zei dat 80 procent van de Nederlandse Joden het land uitgezet moest worden. Hij had rechtstreekse contacten met leden van de Centrale Inlichtingendienst, zoals generaal Seijffardt.
Hij reisde begin jaren dertig twee keer naar Italië waar hij Mussolini persoonlijk ontmoette en zich presenteerde als de fascistische Leider van Nederland. Hij noemde zich een persoonlijke vriend van Mussolini en bracht in augustus 1940 met Duitse instemming en een doorreisvisum voor Duitsland opnieuw een bezoek aan Mussolini.
Hij had tijdens de oorlog ten tijde van de Nederlandse Unie nauwe contacten met Jan de Quay. Hij werd tijdens de oorlog inkoper voor de Wehrmacht. Hij werd gesignaleerd in Wehrmachtuniform en met een NSB-insigne. Hij handelde in goederen die Bij Joodse handelaren in beslag waren genomen.
In 1941 verscheen zijn naam in het Algemeen Politieblad ter opsporing vanwege overtreding van de Distributiewet, wat zwarte handel betekende. Dat het in het politieblad verscheen duidt er op dat er sprake is van zwarte handel op grote schaal.
Maar eigen zeggen werkte hij in de loop van de oorlog onder de valse naam Haije. Hij beschikte over een vals persoonsbewijs (PB) ten name van Johannes Hendricus Haije, waarvan hij zei dat hij dat PB aan de balie van het Amsterdams gemeentehuis zomaar van een stapeltje kon pakken. Dit is een nogal ongeloofwaardig verhaal, want het is wel heel toevallig als je zomaar een PB kunt pakken dat past bij je uiterlijk en je identiteitsgegevens. Bovendien werden PB’s op het gemeentehuis goed afgeschermd, omdat er veel vraag naar valse PB’s was. Dat hij onder valse naam leefde wordt bovendien tegengesproken doordat hij onder eigen naam een huis in de Wallandlaan 5 in Blaricum kocht.
Hij werd vervolgens onder gebruik van een schuilnaam secretaris van de prominente WA-man Nijland, die een felle antisemiet was. Nijland woonde aan de Mattijssenhoutweg 3 in Blaricum, minder dan tweehonderd meter van de woning van Baars. Hij beweerde na de oorlog mensen voor aanslagen en razzia’s gewaarschuwd te hebben; er waren echter geen betrouwbare getuigen die dat konden bevestigen. Hij beweerde ook dat hij linkse auteur A.M. de Jong, buurman van Nijland, gewaarschuwd zou hebben dat hij vermoord zou worden, maar verwanten van de auteur zeiden dat het om een nietszeggende mededeling ging, vermoedelijk om het sociaaldemocratische verzet te penetreren. (A.M. de Jong werd op 18 oktober 1943 vermoord bij een zogenoemde Silbertanne-actie als represaille voor een aanslag op Nijland twee dagen eerder): een paar mannen belden aan om de verduistering te controleren; bij het weer uitlaten van de mannen zei De Jong: ‘Tot ziens heren’. Het waren zijn laatste woorden, want meteen daarop schoten twee mannen ieder van zeer dichtbij een kogel door zijn hoofd.)
Hij werd na de oorlog medewerker van de Politieke Recherche Afdeling (PRA) die NSB’ers en collaborateurs moest opsporen. Hij had een schijnbedrijf voor import en export dat gebruikt werd voor spionageactiviteiten in Oost-Europa ten behoeve van de Buitenlandse Inlichtingendienst (BID).
Hij wendde zich in 1960 rechtstreeks tot minister-president De Quay voor het verkrijgen van een verzetspensioen via de Stichting 1940-1945; de brief wekte de indruk dat chantage een rol speelde. De claim dat hij verzetsdeelnemer was, is vrijwel zeker onjuist; waarschijnlijker is dat hij zich tijdens de oorlog ernstig misdragen had. Hij claimde zelfs een verzetsdaad, namelijk dat hij omstreeks 1950 in Praag in een boekhandel een boek over psychologische oorlogsvoering had gekocht.
Hij had een privé-archief met stukken afkomstig van het Bureau Nationale Veiligheid, vermoedelijk vooral afkomstig van Sanders. Waarschijnlijk ging het om een poging om Reinder Zwolsman, na de oorlog een alom bekende zakenman, met zijn criminele activiteiten en contacten met de Duitse contraspionage te chanteren. Hij werd begraven met fascistisch eerbetoon.

Cornelis Bakker
Sloten 3 maart 1903
(zijn CABR-dossier heb ik maar ten dele bestudeerd, zodat veel wandaden hier niet beschreven worden)
Hij was voor de oorlog politieman en gedurende enige tijd lid van de Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij werd omstreeks 1939 gedetacheerd bij de Centrale Inlichtingendienst van de Generale Staf (GS III).
Hij werd aan het begin van de bezetting lid van de NSB met stamboeknummer 108453. Hij werd per 13 november 1941 benoemd bij de Documentatiedienst en was een poos verbindingsofficier tussen de Sicherheitsdienst en de Documentatiedienst. Hij werd tijdelijk bij de Uitrukdienst benoemd maar keerde terug bij Documentatiedienst. In het najaar van 1942 was hij betrokken bij de opsporing van ondergedoken Joden, die zich aan de deportatie naar de gaskamers onttrokken. Hij verving van eind 1942 tot maart 1943 Friedrich Wilhelm Simon als chef bij de Documentatiedienst. Hij gaf leiding bij het in de val laten lopen van de stadsleider Jaap Boekman en het daaropvolgende schaduwen en arresteren van hem. Verder was hij medeverantwoordelijk voor de dood van enige tientallen, mogelijk honderden Joden.
Met zijn activiteiten voor de Documentatiedienst was hij medeverantwoordelijk voor de dood van enige tientallen communistische verzetsmensen en de invaliditeit van een vergelijkbaar aantal.
Na de oorlog werd hij veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Hij vroeg ver na de oorlog een verzetspensioen aan bij de Stichting 1940-1945.

Mr. Gerardus van Baren
Papekop 23 februari 1882, Delft 26 februari 1952
Hij was een politicus van de Anti Revolutionaire Partij (ARP). Hij werd in 1920 benoemd tot burgemeester van Delft. Hij werd per 20 maart 1941 ontslagen door de Duitse bezetter en per 1 april opgevolgd door de NSB’er Frederik Willem van Vloten. Na de Duitse bezetting werd hij in zijn functie hersteld en bleef burgemeester tot 1947.
Na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 liet hij conform de ‘Circulaire’ uit 1938 van minister van Justitie Goseling de Delftse Politie Inlichtingendienst doorwerken om communisten voor de Duitse bezetter in beeld te brengen. Dit heeft meer dan twintig Delftse communistische verzetsmensen het leven gekost.

Judko (Julius) Barmat
Umanj (Rusland, nu Oekraïne) 18 december 1889, Brussel 8 januari 1938
Hij veranderde zijn voornaam in het niet-Joods klinkende Julius, wat hij zelfs bij de burgerlijke stand opgaf als zijn officiële voornaam. De voornaam Judko is een verbastering van het Joodse Yehuda. Hij werd in de Oekraïne geboren als zoon van een rabbijn. Na een verhuizing van zijn ouders ging hij in het Poolse Lodz naar een technische school. Lodz lag toen in tsaristisch Rusland.
In 1906 vertrok hij naar Rotterdam waar hij zich in leven hield door botten uit vuilnisbakken te vissen eb te verkopen aan een lijmfabriek. Na een paar weken werd hij door de Familie De Winter opgevangen. In 1908 kwam hij te werken bij het bedrijf Winterling en Co dat in Russische staatsloten (een soort premieobligaties) en effecten handelde. De eigenaren waren Julius Winterling en Abraham Adolf Bohlander. Er kwamen problemen met justitie, omdat de loten wel verkocht werden, maar de premies niet uitgekeerd werden. Het bedrijf veranderde van eigenaar en Barmat werd een soort stroman; de naam werd veranderd in Barmat en Co. Barmat werd betrokken bij het vervalsen van Russische loten en daarvoor veroordeeld. Er waren ook aanklachten tegen hem wegens oplichting.

Het Beursplein in Rotterdam waar Barmat in 1906 aankwam.

Vervolgens startte Barmat een levensmiddelenhandel en een vertaalbureau, dat laatste omdat hij naast Nederlands en Duits ook Pools, Russisch en Oekraïens beheerste. Hij bouwde als handelaar een slechte naam op door nooit te betalen anders dan na een gerechtelijke procedure. Op die manier kreeg hij de beschikking over extra kredieten om handel te bedrijven.
In het begin van de Eerste Wereldoorlog ging hij terug naar het door Duitsland bezette deel van Polen en startte een smokkelhandel met het door Oostenrijk bezette deel. Hij werd daardoor rijk. Toen hij problemen met de autoriteiten kreeg, vluchtte hij terug naar Nederland. Hij verhuisde naar Amsterdam en begon het handelsbedrijf Amexima, waarmee hij de Britse en Franse handelsblokkades van Duitsland omzeilde. Dat bedrijf had van begin af aan een vestiging in Berlijn. Hij kwam daardoor op een zwarte lijst van Engeland en Frankrijk terecht. Maar hij verdiende er wel veel geld mee. Tegelijkertijd spioneerde hij voor Duitsland in Nederland; hij fungeerde daarbij als informant voor de Duitse militaire inlichtingendienst.
Na de Russische revolutie zocht hij contact met de nieuwe machthebbers. De achtergrond was dat hij het tsaristische bewind vanwege hun antisemitische houding haatte. Hij hoopte lucratieve handelscontracten te kunnen krijgen. Als smeermiddel ging hij zich bekommeren om het lot van in Nederland geïnterneerde Russische zeelieden en uit Duitse gevangenschap gevluchte Russische militairen.
Hij werd in 1916 zelfs lid van de communistische partij SPD. Dit zou op aandringen van Duitsland zijn gebeurd (Duitsland was met Rusland in oorlog en de communisten waren tegenstander van de tsaristische regering). Omstreeks eind 1917 leerde hij de Amsterdamse inspecteur van politie Karel Henri Broekhoff kennen, die net was aangesteld als coördinator tussen de nieuw opgerichte Centrale Inlichtingendienst en evenzo net opgerichte lokale Politie Inlichtingendiensten, die als taak hadden het communisme te bestrijden. Die inlichtingendiensten vormden het regeringsantwoord op de Russische revolutie. Broekhoff kreeg allerlei inlichtingen van Barmat. Maar Broekhoff kreeg ook informatie van de dubbelspion Eskens en kon zo correspondentie en een geldzending van de Russische aan de Nederlandse communisten onderscheppen. Barmat verhuisde naar het Oosterpark en Broekhoff mocht toen in de vrijgekomen woning van Barmat in de Watergraafsmeer gaan wonen.
Om onbekende redenen veranderde Barmat al in 1918 van partij en werd lid van de sociaaldemocratische partij SDAP. Hij ging op instigatie van de Duitse generale staf die partij financieel steunen en financierde tevens de stichting van drie sociaaldemocratische periodieken: Voorwaarts in Nederland en België en Vorwärts in Duitsland. Het doel voor de steun aan het Nederlandse blad was om er een voor Duitsland vriendelijk blad van te maken; iets wat Troelstra ook wilde.
Tegelijkertijd zag hij handelsmogelijkheden en op suggestie van de SDAP’er Troelstra probeerde hij Nederlandse ministers te interesseren voor een graandeal met het nieuwe land Oekraïne om het voedseltekort in Nederland op te heffen. De topman van de sociaaldemocratische partij Pieter Jelles Troelstra introduceerde hem bij de liberale ministers Jhr. John Loudon van Buitenlandse Zaken en Folkert Posthuma van Landbouw, Handel en Nijverheid. Troelstra bedong wel minimaal een derde deel van de winst voor de verkiezingskas van de SDAP. Vanwege het feit dat Barmat stateloos was, moest de Rotterdamse hoofdcommissaris op verzoek van secretaris-generaal Johannes Benedictus Kan (de vader van de latere cabaretier Wim Kan) wel zijn medewerking verlenen (ik vermoed voor in- en uitreispapieren). De hoofdcommissaris weigerde dat vanwege de veroordeling van Barmat en daardoor kwam de graandeal niet van de grond.
De socialistische Tweede Internationale vergaderde in 1919 in het bedrijfspand van Amexima. Daarna gaat de secretaris Camille Huysmans in het woonhuis van Barmat aan het Oosterpark wonen. Daarmee ontstond de absurde situatie dat het secretariaat van de Socialistische Internationale werd gehuisvest in de woning van een informant van de Centrale Inlichtingendienst, terwijl de bestrijding van het socialisme een belangrijke taak van die dienst was.
Het bedrijf Amexima was in korte tijd explosief gegroeid. Het had in 1919 al vestigingen in Berlijn, Wenen en New York.
Belangrijke politici uit de Duitse sociaaldemocratische partij SPD, zoals Reichspräsident Ebert, de Reichskanzler Gustav Bauer en verschillende ministers, kwamen vanwege dat bureau regelmatig bij hem op bezoek. Hij fêteerde ze, betaalde hun vakantiehotelrekeningen in Zandvoort en gaf hun luxueuze cadeaus. Hij bezorgde zelfs de zoon van Ebert een goede baan binnen zijn Amexima-concern. De onderstaatssecretaris Hellmut Töpffer van Buitenlandse Zaken schreef in reactie hierop een brief aan de Duitse gezant Friedrich von Rosen, waarin hij suggereerde dat er sprake was van een homoseksuele relatie tussen Barmat en president Ebert, hoewel beiden gehuwd waren.
Er was gedurende het leven van Barmat ook schijn dat er tussen hem en Broekhoff en de Berlijnse hoofdcommissaris Wilhelm Richter homoseksuele relaties hebben bestaan. Vooral Richter kreeg veel geschenken van hem zoals een gouden sigarettenkoker en een pyjama en met als uitschieters reizen naar Wenen en New York voor bezoeken aan politieconferenties. Mogelijk dat Broekhoff om die reistegemoetkomingen heeft gevraagd. Over Barmat en Richter werd gemeld dat ze vele avonden met elkaar doorbrachten. Richter omschreef het later voor de rechtbank met tranen over de wangen als een ‘herrliche Zeit’.
Tussen 1919 en 1924 bezocht Barmat nog diverse andere Europese politici of voerde correspondentie met hen: de Duitse politici Philipp Scheidemann, Franz von Papen, Adolf Maltzahn, Anton Höfle, Ernst Heilmann en Ernst von Richter, de Britse premier James Ramsay MacDonald, de Russische ministers Leon Trotski en Karl Radek, de Tsjechische socialistische partijleider Vilém Brodecký en nog enkele Tsjechische ministers.
Barmat kreeg van de Duitse regering enorme kredieten ter waarde van 500 miljoen mark (te vergelijken met ruim een miljard Euro nu). Die kredieten gebruikte hij om Duitse regeringsinstanties op krediet goederen te kunnen leveren. Daarom kreeg hij veel leveringscontracten, terwijl hij veel hogere prijzen berekende. Het was een lucratief corruptiespel.
In 1920 ging hij in Berlijn wonen. Hij bouwde in een paar jaar tijds een geweldig imperium op door allerlei bedrijven in betalingsmoeilijkheden op krediet te kopen. Daarbij maakt hij gebruik van het circulair in onderpand geven van bedrijfsonderdelen, zodat hij in veel gevallen eigenlijk helemaal geen onderpand gaf. Door van zijn politieke relaties gebruik te maken kon hij grote bedragen bij de Pruisische Staatsbank lenen; dat geld leende hij tegen een hoger rentetarief aan bedrijven uit met die bedrijven als onderpand. Vaak kwamen die bedrijven toch in betalingsmoeilijkheden en vielen dan in handen van Barmat. Weliswaar groeide zijn concern daardoor, maar groeide ook zijn behoeften aan krediet. Op een gegeven moment omvatte zijn concern ongeveer 85 bedrijven als banken, staalbedrijven, textielfabrieken, papierfabrieken, houtverwerking, handelsbedrijven, scheepvaartondernemingen enz. Voor de zekerheid bracht Barmat wel en deel van zijn vermogen in Amsterdam onder in zijn bedrijf La Novita.
Tijdens de Kapp-putsch in 1920 hadden opstandige marine-eenheden Berlijn bezet. Barmat had een geweldig groot contract met de Duitse regering afgesloten om 150 treinwagonladingen voedsel in Berlijn af te leveren. In plaats van die goederen in Berlijn af te leveren, deed Barmat dat nu in Stuttgart. Dit zou geleid hebben tot het mislukken van de putsch; daarmee had Barmat het grote ongenoegen van extreemrechts in Duitsland opgewekt, wat hem enige jaren later zou opbreken.
Hij kwam in een wereldje van Joodse zakenlieden, veelal afkomstig uit de Oekraïne, Rusland of Polen, die elkaar de bal toespeelden. Er zaten veel bankiers bij. Voorbeelden uit dat wereldje zijn: Iwan Kutisker, Jakob Michael, de vijf broers Sklarz, de drie broers Sklarek, twee broers Rotter, Michael Holzmann, Ludwig Katzenellenbogen en Israel Parvus-Helphand. In dit wereldje speelden anti tsaristische sentimenten en geheime diensten. Daarbij mag als voorbeeld dienen Israel Parvus-Helphand, die met behulp van Duitse geheime diensten de reis van Lenin van zijn asieloord Zwitserland naar Rusland regelde en betaalde, wat tot de Russische Oktoberrevolutie leidde.
Barmat was in een mum van tijd schatrijk geworden. Hij kocht een villa aan de Wannsee. Hij organiseerde daar grote feesten waar zijn zakenrelaties, leden van de regering, de top van de Duitse sociaaldemocratische partij, hoge politiefunctionarissen enz. aan deelnemen. Nederlandse gasten daarbij waren Broekhoff en de bekende SDAP’er Troelstra en Jan Willem Matthijssen. Via zijn politieke relaties ritselde hij dat een hele reeks familieleden inreisvergunningen kregen. Deze vorm van corruptie zou later in de kranten die over het Barmatschandaal schreven veel aandacht krijgen.
In 1924 kwam de Preußischer Staatsbank erachter dat vrijwel het hele vermogen was uitgeleend aan slechts drie debiteuren: Julius Barmat, Iwan Kutisker en Jakob Michael. De directeur wilde toen de kredietkraan dichtdraaien, maar Barmat dreigde toen met zijn faillissement, waardoor de kredieten niet terugbetaald zouden worden en de bank failliet zou gaan. Daardoor voelde de bank zich gedwongen een nog groter krediet te verstrekken.
In 1924 ging Barmat een zakelijke samenwerking met Iwan Kutisker aan. Die kreeg een conflict met een andere zakenpartner en diende een aanklacht tegen hem in. Bij het volgende politieonderzoek kwamen corruptieaffaires aan het licht. Kutisker werd gearresteerd. Verder onderzoek bracht ook omkoping door Barmat aan het licht en die werd op 31 december 1924 gearresteerd en kort daarop zijn broer Henri ook. Verder werd minister Höfle gearresteerd. De sociaaldemocratische regering in Duitsland werd tot aftreden gedwongen. Het leidde ook tot veel ophef in Nederlandse kranten.


Karikatuur van Barmat in De Telegraaf in januari 1925.

Dit veroorzaakte paniek op het Nederlandse ministerie van Justitie en Broekhoff moest op onderzoek uitgaan. Die schreef in januari 1925 een rapport dat de Nederlandse belangen in eerste instantie niet geschaad werden, maar het toont wel aan dat Barmat nog steeds een soort informant spion of agent van een Nederlandse inlichtingendienst was.
In de gevangenis kreeg Barmat maandenlang niet te horen waarvan hij werd beschuldigd. Ook naar de pers werden nauwelijks feiten vrijgegeven. Kranten brachten daarom vaak geruchten als feiten of verzonnen zelfs nieuws, omdat dat goed voor de oplage was. Justitiële ambtenaren werden belaagd en gesprekken, ook telefoongesprekken afgeluisterd. Ambtenaren zagen zich genoodzaakt om bij gesprekken schuilnamen te gebruiken en vertrouwelijke gesprekken niet meer op hun kantoren te voeren. Na enige maanden werd Barmat vrijgelaten, maar hij mocht het land niet verlaten.

Barmat in auto bij het verlaten van de gevangenis in 1925 en portret van Barmat.

Barmat werd een pion in de machtsstrijd tussen de sociaaldemocratische SPD enerzijds en de rechtse partijen anderzijds, terwijl de communistische KPD felle propaganda tegen de kapitalistische corruptie van de SPD voerde. Bij de commotie in de pers, het justitieel onderzoek en een parlementaire onderzoekscommissie ging een portret van Reichspräsident Ebert een grote rol spelen. Ebert zou dat portret aan Barmat geschonken hebben en daaronder geschreven hebben: ‘meinem Freund Julius Barmat’. De pers suggereerde met het woord ‘portret’ een bijzonder nauwe relatie tussen de staatsman en de koopman. Maar dat portret was niets anders dan een briefkaart met de foto van Ebert, die aan allerlei relaties gegeven werd. En het werd Barmat gegeven tijdens een bijeenkomst van de Tweede Socialistische Internationale in 1919 in Amsterdam. Barmat maakte daar tijdens verhoren zelf van dat hij zelf de tekst ‘meinem Freund Friedrich Ebert’ er onder geschreven had. Daarmee werd het zijn woord tegenover een getuige die het portret terloops op de muur van het werkvertrek van Barmat in Amsterdam had gezien.
Kutisker, Höfle en de twee broers Barmat werden in de gevangenis ernstig ziek. Ze claimden dat ze vergiftigd werd. Höfle overleed na een paar maanden en Kutisker na een jaar. De oorzaken waren een overdoses van een slaapmiddel dat door de gevangenisarts toegediend of verstrekt was. De broers Barmat herstelden echter. Tijdens het justitieel onderzoek overleden opmerkelijk veel potentiële verdachten, voornamelijk zakenpartners van Barmat en Kutisker; de doodsoorzaak werd steeds als natuurlijk of zelfmoord afgeschilderd. Op zich is zo een dood goed mogelijk, maar statistisch gezien was het grote aantal sterfgevallen hoogst onwaarschijnlijk.
De pers, vooral de rechts-nationalistische, maakte veel ophef over de vele corruptieschandalen. Vanwege de Joodse achtergrond van de meesten van de kleine groep omkopers kreeg die een antisemitische tendens. Maar aan dat veel van de omgekochte politici en ambtenaren de meesten geen Joodse afkomst hadden, werd niet gerefereerd, terwijl dat wettelijk gezien veel ernstiger was vanwege het schenden van de ambtseed.
Er volgde in 1927 een proces, dat het grootste uit de Duitse geschiedenis werd. Tijden dat proces wilde de verdediging Troelstra en Broekhoff laten getuigen, maar dat werd door de rechtbank afgewezen.

Zitting van het Barmat-proces.

In het geval van de Barmats lag de omkoping er duimendik bovenop, maar het bleek wettig nauwelijks te bewijzen. Ze werden uiteindelijk tot een lichte straf veroordeeld vanwege de omkoping van een douaneambtenaar om meegevoerde goederen niet te controleren. Maar de miljoenenaffaires waarvoor ze gearresteerd waren, konden niet bewezen worden.
De Barmats moesten het land verlaten en al hun bezittingen in Duitsland werden geconfisqueerd, maar de naar Nederland overgebrachte bezittingen bleken onaantastbaar te zijn. In de jaren daarna bleef de nationalistische en de nieuw opgekomen fascistische pers een fel antisemitische toon voeren. Bij de verkiezingen in 1932 verscheen de naam van Barmat zelfs als afschrikwekkend voorbeeld. Volgens de rechtse pers in Nederland was Barmat de doorslaggevende factor geweest bij de verkiezingsoverwinning van Hitler. Die bewering is waarschijnlijk niet bezijden de waarheid.
Bij de verkiezingen in 1932 vormde het onderwerp corruptie het hoofdthema van zowel fascisten als communisten om zo de sociaaldemocraten in een kwaad daglicht te stellen. De fascisten combineerden het bovendien met antisemitisme, wat veel effect had omdat veel van de omkopende zakenlieden Joden van Oost-Europese afkomst waren. Maar de fascisten gingen voorbij aan het feit dat de omgekochte politici, sociaaldemocraten en van rechtse partijen, niet van Joodse afkomst waren. Het leidde tot een geweldige verkiezingsoverwinning van de fascisten en een kleinere van de communisten. Met als extra zetje de Rijksdagbrand gesticht door de Nederlander Van der Lubbe maakte het de machtsgreep door Hitler mogelijk, waarna eerst veel moorden op communisten en vervolgens op Joden plaats vonden. Feitelijk hebben twee personen met een Nederlandse achtergrond de Tweede Wereldoorlog mogelijk gemaakt: Barmat en Van der Lubbe.

Het verkiezingsaffiche van Hitlers partij NSDAP met daarin de tekst: ‘Immer wieder prophezeite Hitler das die Erfüllungspolitik, die Misswirtschaft des Barmat– und Sklarek-Systems, der Steuer-Bolschewismus einst zum furchtbaren Zusammenbruch führen müsse.’ (zie pijl in linkermarge)

In 1929 deed hij met een zakenpartner een bedrieglijke vastgoedtransactie met lord Roper-Curzon, de broer van de vice-koning van India. Curzon voelde zich bedrogen en weigerde te betalen. Er volgde een rechtszaak waarna een schadevergoeding aan Barmat werd toegekend, terwijl de zakenpartner vrijwel iets kreeg.
Na een kort verblijf in Nederland vertrok Barmat naar België en vestigde zich daar officieel op 27 januari 1930. Daar begon hij weer met het opkopen van banken, zoals de Noorderbank en Goldzieher et Penso. Daarbij speelden corruptieaffaires met, vooral sociaaldemocratische, leden van de regering een rol. Daarbij had hij als juridisch adviseur Pieter Oud, die kort daarop in Nederland minister van financiën zou worden en na de oorlog een van de oprichters van de VVD. Ook in België klapte de boel en gingen er banken failliet. Ook hier werd de sociaaldemocratische regering tot aftreden gedwongen. Er speelde daarbij nog een affaire van bankfraude met de Appenzeller Kantonalbank in Zwitserland. In dit laatste geval was er ook sprake van frauduleuze handelingen door de leiding van die bank, zodat het onduidelijk is wie wie bedroog; waarschijnlijk bedrogen ze elkaar. Als gevolg van deze affaires moest Barmat België verlaten.
Al die tijd bleef Barmat in Nederlandse sociaaldemocratische kringen verkeren. Hij was bevriend met Troelstra waarmee hij een regelmatige briefwisseling had en elkaar regelmatig opzochten. Op verzoek van Troelstra verstrekte hij een geldlening aan de sociaaldemocratische schrijver Herman Heijermans bekend van het toneelstuk ‘Op hoop van zegen’).
In 1933 werd Barmat uitgewezen uit Nederland. Tegelijkertijd kwam Zwitserland met een uitleveringsverzoek vanwege de bankfraude. Barmat reageerde daarop met te zeggen dat hij in Nederland machtige vrienden had. Hij noemde daarbij Van ’t Sant en Broekhoff, allebei mannen die nauw bij inlichtingendiensten en spionage betrokken waren. De uitwijzing werd ingetrokken, toen bleek dat Barmat vanwege zijn huwelijk met een Nederlandse vrouw het recht had om in Nederland te verblijven. Zijn broer Henri maakte niet van dezelfde optie gebruik en vertrok naar Wenen en toen daar uitlevering aan België dreigde naar Polen vertrok waar hij snel de Poolse nationaliteit verwierf, waardoor hij niet uitgeleverd kon worden.
In het dagblad De Telegraaf werden veel artikelen met betrekking tot Barmat geschreven. Het leidde zelfs tot rechtszaken wegens smaad, waarvan een enkele door Barmat werd gewonnen. In het dagblad werd in 1934 geschreven: ‘Barmat is het ongeluk der Duitsche joden geweest, want zijn naam was de strijdkreet, die Hitler tot de overwinning bracht.’ Maar ook in Duitsland verklaarden de nationaalsocialisten zelf dat de vele corruptieaffaires, zoals die van Barmat en Kutisker, hun aanhang enorm had laten groeien. De conclusie is gerechtvaardigd dat Barmat een sleutelrol heeft gespeeld bij het aan de macht komen van Hitler en daarmee aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Julius kreeg hetzelfde gif ingespoten als in de gifbeker van Socrates zat.

Na verloop van tijd vroeg België zijn uitlevering, omdat er sprake was van bankfraude, faillisementsfraude, oplichting en valsheid in geschrifte. In eerste instantie negeerde Nederland dat verzoek, maar uiteindelijk werd hij op 30 december 1937 aan België uitgeleverd. Hij werd ziek en overleed op 8 januari in Brussel in de gevangenis. De gevangenisarts had hem hart stimulerende middelen ingespoten. De lijkschouwing en autopsie leverden niets op. Maar de overlijdenssymptomen kwamen perfect overeen met een overdosis van een beproefd plantaardig hartstimuleringsmiddel, dat sinds de oudheid bekend was als moordmiddel: de gifbeker van Socrates. Doordat het vermoedelijke moordmiddel identiek was aan het hartstimuleringsmiddel dat de arts had toegediend kon na een onderzoek op de aanwezigheid van gifstoffen in de organen niet geconcludeerd worden dat het als moordmiddel was toegediend.
Op de schandalen van speciaal de Barmats, maar ook van die rond andere Oost-Europese Joden in Duitsland werden de zwaar antisemietische films Jud Süß en Der ewige Jude gebaseerd. In de laatste film werd aan het begin het portret van Barmat getoond naast die van andere Joodse zakenlieden uit de schandalen uit de jaren twintig.
De vrouw van Barmat Rosa en zijn zoon Louis Isaac werden betrekkelijk laat in de oorlog opgepakt en naar Theresienstadt gedeporteerd. Door de minder wrede benadeling dan in andere kampen konden zij de oorlog overleven. Louis liet zijn achternaam na de oorlog veranderen in die van zijn moeder De Winter. Van Henri Barmat is alleen bekend dat hij de oorlog overleefde.
De moeder van Barmat, zijn zuster Rosa en zijn zwager Joseph Pribludni en zijn nichtjes Betty en Manja Pribludni werden vanuit Nederland afgevoerd en in Polen vermoord. Het lot van zijn broers Solomon, Isaak en David is onbekend; van hen had alleen David in Nederland gewoond.
Op 26 augustus 1946 verdedigde de advocaat Horst Pelckmann van de Duitse top-oorlogsmisdadigers tijdens Nürnberger processen de antisemitische maatregelen en het verbieden van de rassen (dus Joden met zogenoemde ariërs) na de machtsovername door Hitler met een verwijzing naar de corruptieaffaires rond Julius Barmat en Iwan Kutisker.

Nu er meer gegevens op internet beschikbaar zijn gekomen dan toen ik voor mijn boeken aandacht aan Julius Barmat besteedde heb ik veel adressen kunnen achterhalen waar hij en zijn familieleden hebben gewoond. Er komt een beeld naar voren dat hij steeds verschillende familieleden en leden van zijn schoonfamilie in zijn omgeving liet wonen. Ook vond ik dat de achternaam van zijn zakenpartner Van Emden overeenkomt met die van zijn schoonmoeder. Ik loop de verschillende adressen in het leven van Julius na en vertel wat bijzonderheden. De adressen van Barmat zijn:

Prins Hendrikkade 34, Rotterdam
Toen Julius in Nederland aankwam, ontfermde Lowie de Winter zich over hem. Die woonde op dit adres.

Prins Hendriklaan 7, Rotterdam

Barmat had zijn woning in het pand geheel links.

Na verloop van tijd ging Julius zelfstandig wonen op dit adres, dat vlak bij het vorige adres van zijn dan toekomstige schoonvader lag. Volgens een bron vestigt hij zijn bedrijf Barmat & Co op Prins Hendriklaan 1A, maar gezien het adres in het bevolkingsregister, zou het huisnummer een schrijffout kunnen zijn.

Westewagenstraat 36A, Rotterdam
Hij ging hier in 1909 wonen.

Jonker Fransstraat 87B, Rotterdam
Hij ging hier in 1909 wonen.

Stationsplein 31, Den Haag
Op dit adres was het door Winterling beheerde bedrijf Eisner en Co. gevestigd, waarvoor Barmat tot in 1910 werkte.

Boompjes 52A, Rotterdam
Hij ging hier in 1909 wonen, op dit adres vestigde hij zijn Taalinstituut, waar hij verschillende talen doceerde.

Vischsteeg 10A, Rotterdam
Op dit adres vestigde Julius een kantoor voor zijn commerciële activiteiten. Hier was het kantoor van het bedrijf Vaterland gevestigd. In verband met zijn activiteiten voor dit bedrijf werden er aanklachten wegens oplichting tegen Julius ingediend. In hetzelfde pand op nummer 10 was de Holland Amerika Bank gevestigd, dat in speculatieve beleggingen handelde; de advertenties geven de indruk van een dubieus bedrijf. Het is mij niet bekend of dat bedrijf relaties met Julius onderhield. Toen Julius het pand verliet werd er het bedrijf Handelsbureau Nederland-Rusland van F. van der Pluym gevestigd. Vanwege de aard van de activiteiten, lijkt het erop dat Julius bij dit bedrijf betrokken was of was geweest.

Hackney (in Groot-Brittannië, deel van Londen)
Hij ging in 1910 in het Londense Hackney wonen, waar hij met Rosa de Winter trouwde.

Vijverhofstraat 133A, Rotterdam
Hij keerde in 1910 uit Hackney terug naar Rotterdam en ging op dit adres wonen, hij scheidde van Rosa en hertrouwde met haar toen ze zwanger bleek.

NZ Voorburgwal 280, Amsterdam
In 1911 verhuisde Julius zijn kantoor van de Vischsteeg in Rotterdam naar dit adres.

Piet Heinkade 95, Amsterdam
Nog in 1911 verhuisde Julius zijn kantoor naar gebouw Mercurius op dit adres.

Kerklaan 31 Watergraafsmeer (Cornelis Drebbelstraat 31), Amsterdam
In 1912 verhuisde Julius naar Kerklaan 31 in de Watergraafsmeer (Amsterdam). De Watergraafsmeer werd in 1920 door Amsterdam geannexeerd en de gemeente Amsterdam besloot in 1922 deze straat te hernoemen tot Cornelis Drebbelstraat.

M.A. de Ruijterstraat 380, Watergraafsmeer (Willem Beukelsstraat 380, Amsterdam)

M.A. de Ruijterstraat 36-38

In 1913 verhuisde Julius naar M.A. de Ruijterstraat 38 in de Watergraafsmeer; het was slechts 100 meter van zijn vorige adres verwijderd. De Watergraafsmeer werd in 1920 door Amsterdam geannexeerd en de gemeente Amsterdam besloot in 1922 deze straat te hernoemen tot Willem Beukelsstraat. Barmat had zowel de begane grond als de eerste verdieping in gebruik. Het is mij onbekend of Julius dit pand gehuurd of gekocht heeft. Het lijkt op het laatste, omdat het om vier woningen ging. Als Julius tijdens de Eerste Wereldoorlog in het door Duitsland bezette Poolse Lodz verbleef, bleef hij officieel op dit adres wonen. Als hij door zijn vorige activiteiten al niet rijk was, dan keerde hij schatrijk uit Polen terug. Hij kocht toen een groot pand aan het Oosterpark.
In de twee woningen in het buurpand op nummer 36 woonden zijn schoonvader Lowie de Winter en zijn broer David Barmat enige tijd.
En toen ging verbazingwekkend de Amsterdams inspecteur van politie 1e klasse Karel Henri Broekhoff hier wonen. Het is mij onbekend of Broekhoff huur betaalde, maar vlak voor de dood van Broekhoff vond zijn ondergeschikte Wooning aanleiding om deze bijzonderheid aan de directeur-generaal van Justitie te melden, wat erop wijst dat het niet normaal was [bron: Brief van W.C.J. Wooning aan de directeur-generaal van Politie, 9-1-1946, Politiearchief van het Ministerie van Justitie]. Broekhoff ging op de eerste etage wonen, terwijl op de begane grond iemand anders kwam te wonen. Begin jaren twintig woonde op de begane grond een zekere Ype Posthuma, die dezelfde achternaam droeg als een directe ondergeschikte van Broekhoff in de jaren dertig; ik heb geen relatie tussen deze twee Posthuma’s kunnen ontdekken. Wel gaf Broekhoff de naam Posthuma door voor briefverkeer met Duitse Gestapo-handlangers. Broekhoff bleef tot zijn dood in 1946 op dit adres wonen.
In 1935, toen Broekhoff met de Gestapo samenwerkte, werd dit adres door de Duitse spion Peter Kroll aan een geworven infiltrante in kringen van Duitse communistische vluchtelingen opgegeven om informatie over deze vluchtelingen en de Roode Hulp in briefvorm naar toe te zenden. Als geadresseerde moest ze vermelden Posthuma, de naam van Broekhoff’s ondergeschikte. De infiltrante kreeg brieven, waarin tussen de regels in met onzichtbare inkt geheime instructies stonden. Dit soort activiteiten van Broekhoff heeft tot ontvoeringen en de dood van communistische vluchtelingen geleid.
Dat Broekhoff hier in 1917 kwam wonen, maakt duidelijk dat er al voor de Russische revolutie en ook voordat hij voor de Centrale Inlichtingendienst als coördinator voor de gemeentelijke inlichtingendiensten werd benoemd nauwe betrekkingen tussen Julius en Broekhoff bestonden. Daarmee lijkt het waarschijnlijk dat Julius op instigatie van Broekhoff zich ging bemoeien met Russische vluchtelingen en de communistische partij en zo zijn spionne carrière begon. En ook dat hij zo een rol binnen de socialistische partijen van Nederland, België en Duitsland kon gaan spelen en dat het Internationaal Socialistisch Bureau zich in de panden van Julius kon vestigen. Hiermee werd de kiem gelegd voor de corruptieschandalen in België en Duitsland en eigenlijk ook de machtsgreep van Hitler.
Het is goed denkbaar dat een van werelds grootste massamoordenaars het hoofd van de Gestapo Heinrich Müller, de homoseksuele relatie van Julius, hier zo nu en dan op bezoek kwam. Deze Müller was tijdens de oorlog de chef van Adolf Eichmann en de werkelijke opdrachtgever tot de Holocaust en de massamoorden in de concentratiekampen; Eichmann regelde alleen maar het transport van de Joden. Het moet zelfs niet uitgesloten worden geacht dat Müller via dit adres naar bijv. Zuid Amerika is gevlucht (zie toelichting aan het eind).
Tijdens de oorlog hield Broekhoff tot het eind toe drankgelagen met hoge Duitse officieren, mogelijk was zijn vriend Rauter daarbij.

Paul Krugerstraat 62, Watergraafsmeer (Zacharias Jansestraat 62, Amsterdam)
In 1915 verhuisde de schoonvader van Julius vanuit Rotterdam naar dit adres in de Watergraafsmeer, alvorens naar De Ruijterstraat te verhuizen. Het lag maar op 100 meter van waar Julius woonde. Later veranderde de gemeente de straatnaam Paul Krugerstraat in Zacharias Jansestraat. Het is een voorbeeld van dat Julius steeds zijn verwanten in zijn omgeving laat komen wonen.

Oosterpark 78, Amsterdam

In 1917 kocht Julius dit gigantische pand aan het Oosterpark. Spoedig voegde hij het buurpand nummer 76, dat qua gevelstructuur een eenheid met het eerste vormde, erbij en voegt het samen. Julius woont officieel op nummer 78 en voor niet-ingewijden was het niet meteen duidelijk dat de deur 10 meter ernaast ook toegang tot het pand gaf. Hij had toen een pand zonder overburen en twee ingangen, wat het moeilijker maakte bezoekers in de gaten te houden. Ideaal voor zijn spionnepraktijken, herenbezoek en het ongemerkt ontvangen van hoge gasten als de president en kanselier van Duitsland en Duitse ministers. In 1920 vertrok Julius naar Berlijn, maar het pand bleef in zijn bezit. In 1926 werd hij door de gemeente ambtshalve van dit adres uitgeschreven, ondanks dat hij nog eigenaar was.
Ook zijn broer Henri kwam in 1920 vanuit het Grand Hotel (woonplek) in Wenen in dit pand te wonen en vertrok in 1921 weer naar Wenen. In 1922 kwam hij weer vanuit Wenen hier wonen en vertrok in 1924 naar Berlijn.
In 1919 werd het Internationaal Socialistisch Bureau met de Belg Camille Huysmans als secretaris op dit adres gehuisvest. Huysmans, de latere burgemeester van Antwerpen en naoorlogse minister-president van België, ging hier ook wonen. Het pand werd op 17 januari 1927 vrijwillig geveild. Maar Troelstra maakte in 1928 nog een afspraak met Julius op dit adres. Na de overdracht werd er een school in het pand gevestigd.

Keizersgracht 302-304, Amsterdam

Julius vestigde op dit adres zijn bedrijf Amexima.

Keizergracht 717

In 1918 verhuisde Amexima naar dit adres. Ook zijn bedrijf La Novita, dat zijn financiële belangen regelde en waar hij zijn bezittingen in Duitsland voor een deel naar toe overhevelde om een eventuele Duitse inbeslagname te voorkomen, werd op dit adres gevestigd. Vanaf 1925 noemde het bedrijf Amexima zich een groothandel in farmaceutische producten. Na de instorting van het Duitse deel van het Amexima-concern in 1925 en Julius in Duitsland strafrechtelijk werd vervolgd, werd het pand vanaf 1925 verhuurd aan de firma Westerwoudt & Co. Het pand werd op 17 januari 1927 vrijwillig geveild. De notaris W. Richardson Bennagel, die de verkoop regelde, bleek na de veiling op dit adres gevestigd te zijn; mogelijk had hij het gekocht. Maar ook Julius bedrijf La Novita bleek in 1933 nog steeds op dit adres gevestigd te zijn. Kennelijk had hij een deel van het pand aan zijn eigen bedrijf verhuurd en bleef het huurcontract na de veiling bestaan.
In 1919 werd het Internationaal Socialistisch Bureau met Camille Huysmans als secretaris op dit adres gehuisvest, maar verhuisde nog hetzelfde jaar naar Oosterpark 78.

Tweede Oosterparkstraat 243, Amsterdam
Dit pand werd in 1923 door Henri Barmat gekocht. Ook Abraham Barmat, de vader van Julius, Rosa Pribludi-Barmat, zijn zuster en zijn broer David woonden soms op dit adres. Het opmerkelijke aan dit adres was dat het precies achter het pand Oosterpark 78 lag. In principe kon via de tuinen van de ene woning naar de andere gegaan worden. Dat was ideaal voor het geval men zijn woning ongemerkt wilde verlaten, indien die geobserveerd zou worden.

Linnaeusparkweg 118, Amsterdam
Op dit adres woonden vanaf 1921 tot 1942 gedurende verschillende perioden Abraham Barmat, de vader van Julius, David Barmat, de broer van Julius, Joseph Pribludni, de zwager van Julius en Rosa Pribludni-Barmat, de zuster van Julius. In 1933 woonde Julius ook op dit adres.

Central Hotel, Friedrichstraße, Berlijn

In 1920 ging Julius in Berlijn wonen, vermoedelijk was dit hotel zijn eerste verblijfplaats (hij heeft er in ieder geval gewoond)

Hotel Bristol, Berlijn


Omstreeks 1921-22 verbleef Julius in dit hotel.

Behrenstraße 25/26, Berlijn
Hier woonde Julius korte tijd

Unter der Linden 44, Berlijn
Hier woonde Julius korte tijd

Inselstraße 8-10, Potsdam

Dit is de villa Schwanenwerder aan de Wannsee, die door Julius ‘Huize Louke’ werd genoemd. Hij gaf er grote en wilde feesten, waarbij veel Duitse toppolitici, hoge politiefunctionarissen, zoals de Berlijnse hoofdcommissaris Wilhelm Richter, en zakenrelaties als bankiers aanwezig waren. Ook de Amsterdamse hoofdinspecteur van politie Broekhoff en sociaaldemocratische voormannen Troelstra en Mathijsen logeerden er regelmatig. Verder kwam de Berlijnse hoofdcommissaris Richter er regelmatig. Op 31 december 1924 werden Julius, zijn vrouw Rosa en zijn twaalfjarige zoon Luis Isaac hier gearresteerd. Rosa en Louis werden na een paar dagen vrijgelaten, maar Julius bleef tot april 1925 vastzitten, waarbij er een poging gedaan werd hem in de gevangenis te vergiftigen (Julius wordt ernstig ziek). Na zijn veroordeling in Duitsland wordt de villa in beslag genomen. Daarna kwam de villa in handen van de bekende bankier Oscar Schlitter. Vervolgens werd de villa verkocht aan de beruchte antisemitische Nazi/politicus Joseph Goebbels.

Stülerstraße 6, Berlijn
In 1924 kwam Julius broer Henri op dit adres wonen.

Moabit-gevangenis, Berlijn

In 1925 verbleef Julius een half jaar in deze gevangenis. Er werd daar door de gevangenisarts een poging gedaan om hem middels vergiftiging te vermoorden.

Brussel
Julius heeft tussen 1928 en 1933 een paar perioden in Brussel gewoond, de adressen zijn mij niet bekend.

Kurfürstendamm 67, Berlijn
Rosa Barmat woonde in 1933 nog steeds op dit adres, terwijl Julius in Brussel, Amsterdam of Den Haag verbleef.

Stadhouderslaan 117, Den Haag
Julius en Rosa woonden hier van juni tot augustus 1930; ze kwamen van Brussel en vertrokken weer naar Brussel. Daarna heeft Henri er nog enige tijd gewoond.

Amalia van Solmsstraat 90, Den Haag
Henri heeft hier in 1932 bij de zakenpartner Meijer Löwenstein twee maanden gewoond. Löwenstein werd in 1938 bij het oorspronkelijk tegen Julius bedoelde proces bij verstek tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld, omdat hij stroman voor Julius was.

Papengracht 28, Leiden
Henri heeft hier van 1932 tot zijn uitwijzing in 1933 gewoond.

Minervaplein 44, Amsterdam
Julius heeft hier in 1933, na zijn uitwijzing uit België, zeer korte tijd gewoond.

Minervaplein 7, Amsterdam

Minervaplein 1-7, hier woonde Julius Barmat toen hij in 1937 gearresteerd.

Julius en zijn schoonvader Lowie de Winter kwamen hier in november 1933 wonen. Na het overlijden van Julius in januari 1938 bleven zijn vrouw Rosa en zijn schoonvader hier tot juni 1938 wonen.

Saint-Gilles gevangenis, Brussel

Julius werd op 31 december 1937 aan België uitgeleverd en kwam op die dag in deze gevangenis terecht. Daar overleed hij op 6 januari 1938. Het lijkt er sterk op dat hij door de gevangenisarts middels vergiftiging om het leven is gebracht. Het vergif was waarschijnlijk sparteïne dat hem door de gevangenisarts in een overdosis werd geïnjecteerd om het hart te stimuleren.

Keizersgracht 305-309, Amsterdam

Hedendaagse foto van het kantoorpand Keizersgracht 305-309

Hier was in 1934 Julius bedrijf Coolidge gevestigd. Hier zou een van zijn ondergeschikten besprekingen hebben gevoerd met de advocaat van de beruchte Franse oplichter Stavisky.

Dam 2A, Amsterdam
In 1935 was Julius bedrijf Amexima op dit adres gevestigd.

Zuider Amstellaan 58 (Rooseveltlaan)
De zoon van Julius kwam hier in 1937 wonen. Rosa, de weduwe van Julius kwam hier in 1938 wonen. Hij bleef hier tot na de oorlog wonen. In 1948 werd zijn achternaam bij Koninklijk Besluit gewijzigd in De Winter.

Mr. dr. Louis Joseph Maria Beel
Roermond 12 april 1902, Utrecht 11 februari 1977
Hij was na de oorlog lid van de KVP. Hij deed erg geheimzinnig over zijn activiteiten tijdens de oorlog, hij runde toen een juridisch adviesbureau voor gemeentebesturen. Toen De Waarheid suggereerde dat Beel in nauwe relatie met NSB-leider Mussert had gestaan, liet hij de hoofdredacteur wegens smaad vervolgen, wat tot een gevangenisstraf leidde. Daarna durfde geen enkel dagblad in Nederland het onderwerp nog aan te roeren. Hij werd na de oorlog minister-president.

Beel bij het verlaten van de Tweede Kamer, nadat de zitting gesloten werd.

Hij bemoeide zich actief met het Bureau voor Nationale Veiligheid dat onder zijn portefeuille viel. Hij was ervoor verantwoordelijk dat formeel bij voorkeur SS’ers en SD’ers bij het BNV geworven werden. Hij liet de BNV-onderzoeker Sanders bewijsmateriaal tegen Sicherheitsdienstman Reinder Zwolsman en anderen inleveren en liet Sanders meteen daarna arresteren. Hij gaf bewijsmateriaal tegen Zwolsman aan hem terug. Ondanks ernstige beschuldigen ondersteund door bewijsmateriaal gaf hij opdracht alle onderzoeken tegen Zwolsman te staken. Beel eiste van Sanders expliciet de stukken die gingen over de ondernemer Verheyden die betrokken was bij de bunkerbouw in Kassel. Die stukken zouden kunnen aantonen dat Zwolsman daar als bunkerbouwer actief was geweest.
Beel schaarde zich achter de oprichting van de particuliere geheime dienst SOAN, die zich spoedig daarop zou ontwikkelen tot de grootste criminele organisatie uit de Nederlandse geschiedenis met moorden, diefstallen, gigantische smokkel van tijdens de oorlog onwettig verkregen rijkdommen naar het buitenland en zelfs pogingen tot een staatsgreep. Beel gaf opdracht aan de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) om nauw met de SOAN samen te werken. Het resulteerde er in dat dat de ter dood veroordeelde Belgische massamoordenaar en agent van de Duitse contraspionage Pierre Sweerts in dienst van de BVD kwam. Beel regelde zelfs dat de rijkelijk betaalde leden van de criminele organisatie SOAN vrijgesteld werden van het betalen van inkomstenbelasting.
Beel verklaarde de kandidaat voor het burgemeesterschap De Ranitz, die een prachtige verzetsachtergrond had, ongeschikt voor het burgemeesterschap van Den Haag en drukte de benoeming van Visser, die veel NSB-connecties had gehad, door. Dit terwijl de Commissaris van de Koningin Visser incapabel achtte en alleen maar een grote praatjesmaker.
Toen burgemeester Visser en zijn secretaris gestolen geld uit Zwitserland naar Nederland smokkelden, werd het geld gestopt in een enveloppe gericht aan Beel. Het geld was bedoeld voor de criminele organisatie SOAN.
Toen Beel midden jaren vijftig een korte tijd een minister verving, maakte hij van de gelegenheid gebruik om aan politiemannen die tot minder dan tien jaar gevangenisstraf waren veroordeeld hun pensioenrechten terug te geven. Voor de slachtoffers van de wandaden van de politie regelde hij niets.
Hij werd commissaris in het bouwbedrijf van Zwolsman dat tijdens de oorlog in joods onroerend goed had gehandeld. Hij werd vicevoorzitter van de Raad van State. Hij bereidde prinses Beatrix voor op het koningschap.

Salomon de Beer
Den Haag 9 januari 1911, Den Haag 8 juni 1983
Hij was voor de oorlog politie-infiltrant binnen de Haagse CPN ten behoeve van de Haagse Politie Inlichtingendienst. De Documentatiedienst liet hem in 1942 onderduiken, omdat hij van Joodse afkomst was. Zijn ook ondergedoken zoon zocht hulp bij de vooroorlogse chef van de Inlichtingendienst Amiabel, die hem onmiddellijk door de Documentatiedienst liet arresteren. Hij werd rond maart 1945 verraden door Jan Haakman van het Sonderkommando Frank van de Duitse contraspionage. Nederlandse en Duitse leden van het Sonderkommando Frank persten hem een groot vermogen aan effecten af. Hij moest van de leden van de Documentatiedienst een verklaring ondertekenen dat hij de effecten vrijwillig afstond.

Leonardus Hubertus Gerardus van Beljouw
Den Haag 26 september 1908, 4 september 1992
Hij was politieman in Rotterdam. Hij was een informant van de chef Wilhelmus Wooning van de Amsterdamse Politie Inlichtingendienst. Hij was een prominent lid van de dienst Hacke-Elsinga en vervolgens van de SOAN.
In 1949 was hij op de avond voorafgaande aan de moord op Friedrich Schallenberg aanwezig bij een bijeenkomst, waarbij ook Schallenberg en zijn moordenaar Pierre Sweerts aanwezig waren in verband met de overdacht van een vermogen aan aandelen die afkomstig waren uit het vermogen van Mucke en die via de latere burgemeester Willem Visser en kolonel De Koningh van de marechaussee aan de inbeslagname door de Nederlandse overheid onrechtmatig onttrokken waren. Beljouw was vermoedelijk medeplichtig aan de moord op Schallenberg.
In februari 1950 werd hij gearresteerd in verband met de diefstal van documenten uit de Amerikaanse ambassade; bij huiszoeking werden de documenten in zijn woning gevonden. De documenten bevatten belastende informatie over prominente Nederlanders, die daarmee chantabel werden.
Toen de SOAN in 1952 vanwege grote aantallen schandalen opgeheven werd, ging hij samen met Art Hacke over naar de geheime dienst Operatiën & Inlichtingen die later onderdeel zou worden van een West Europees netwerk van geheime diensten die bekend staat onder de nickname Gladio.

Christoffel Bennekers
Zwolle 28 mei 1894, Goirle 15 augustus 1942
Begin jaren twintig was hij lid van de Haagse Politie Inlichtingendienst en was als zodanig collega van Johannes Hubertus Veefkind en Steven Pegels. Op 12 september 1927 werd hij gepromoveerd tot chef van de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst, die toen tot zelfstandige dienst omgevormd werd.
In 1937 gaf hij leiding aan de infiltratie van Anton van der Waals in de Rotterdamse afdeling van de communistische partij. Van der Waals wist daarbij Nederlandse afdeling van de Russische spionage en sabotagegroep Wollweber (Internationale Zeeliedenhulp), die communistische propagandapamfletten en springstoffen voor het Duitse verzet tegen Hitler aan boord van Duitse schepen verstopte, in beeld te brengen. Die groep was ook betrokken bij het met bommen tot zinken brengen van Duitse, Italiaanse en Japanse schepen die wapens naar de opstandelingenleider Franco brachten. Bennekers overhandigde in 1938 de namen van de leden van die groep aan de Gestapo in Hamburg, wat tot omstreeks tien doden tijdens de oorlog zou leiden; sommigen werden onthoofd.
Hij stond op een in 1939 opgestelde Duitse ‘Fahndungsliste’ van mensen waarmee na een Duitse inval onmiddellijk contact gezocht moest worden om de vestiging van de Sicherheitsdienst in Nederland te vergemakkelijken.
Hij ging meteen na het begin van de Duitse bezetting door met zijn werk voor de Inlichtingendienst. Hij liet in september 1940 lijsten van alle Rotterdamse Joden, bedrijven en onroerend goed aanleggen. Hij organiseerde de eerste anti-Joodse maatregelen in Rotterdam. Hij werd medio december 1940 overgeplaatst.
In het voorjaar van 1941 kwam hij om onbekende redenen in conflict met de Duitse bezetter en werd gearresteerd om als gijzelaar te dienen. Hij werd op 15 augustus 1942 als gijzelaar gefusilleerd, vanwege een bomaanslag door de communistische sabotagegroep Nederlandse Volksmilitie.

Ir. Cornelis Lodewijk van der Bilt
Kapelle 20 april 1975, Den Haag 2 december 1947
Hij volgde een opleiding tot civiel ingenieur. Daarna bekwaamde hij zich in de elektrotechniek. Hij was van 1929 tot 1933 lid van de Tweede Kamer voor de Liberale Staatspartij. Daarna werd hij wethouder voor Onderwijs in Den Haag en locoburgemeester.
Op 1 juli 1940 werd burgemeester De Monchy door de Duitse bezetter ontslagen naar aanleiding van het demonstratief bloemen leggen bij paleis Noordeinde ter gelegenheid van de verjaardag van prins Bernhard door de Haagse bevolking. Omdat er rellen dreigden was De Monchy omzichtig opgetreden om de bevolking niet te provoceren en anderzijds de Duitsers ter wille te zijn. De Duitsers wilden echter een daad stellen en ontsloegen De Monchy demonstratief, alhoewel die vanuit Duits standpunt niets te verwijten viel. Van der Bilt werd hierdoor automatisch waarnemend burgemeester, wat hij tot 11 juni 1942 bleef toen de Duitsers de NSB’er Harmen Westra in zijn plaats benoemden.
Onder leiding van Van der Bilt werd de chef van de Inlichtingendienst Amiabel vervangen door Jan Hopman, die tevens als contactman tussen de Inlichtingendienst en de Sicherheitsdienst ging optreden. Aldus bevorderde Van der Bilt het opsporen van communistische verzetsmensen en het uitleveren van de gegevens aan de Sicherheitsdienst. Hij zette de infiltratie van de CPN door de vooroorlogse politie-infiltrant Van Soolingen voort. Daarmee droeg hij in belangrijke mate verantwoordelijkheid voor de moord op meer dan honderd communistische verzetsmensen. Onder verantwoording van Van der Bilt werd de Inlichtingendienst omgevormd tot de beruchte Documentatiedienst in eerst instantie onder leiding van Johann Gottlieb Crabbendam en vervolgens de NSB’er Friedrich Wilhelm Simon, waarbij iedereen die niet pro-Nazi was uit de Documentatiedienst werd geweerd en zoveel mogelijk NSB’ers er in werden geplaatst. Toen de Duitsers hem op 22 juni 1941 vroegen om namen van te arresteren communisten te leveren, speelde hij die opdracht willoos door aan de Documentatiedienst, ondanks dat hij behoorde te weten dat dit een gruwelijk doodvonnis voor hen betekende.
In het najaar van 1940 liet hij commissaris van politie Willem Hol lijsten van Joden, Joodse bedrijven en onroerend goed in Joods bezit opstellen. Deze lijsten gingen in 1942 dienen om Joden te deporteren en de Joodse bezittingen te ontvreemden.
Op 15 juni 1942 werd hij door de Duitse bezetter vervangen door de NSB’er Harmen Westra.

Josephus Boegheim
Gouda 19 maart 1907, Den Haag 21 januari 1972
Zijn roepnaam was Joop. Hij was al begin jaren dertig lid van de NSB met het stamboeknummer 2301. Hij werd tevens wachtmeester van de WA, de militaire tak van de NSB. Vanaf december 1933 ging hij contraspionagediensten voor Duitsland verrichten, zoals het observeren van Duitse spionnen in Nederland die mogelijk contacten met Britse en Franse spionnen zochten. Hij had als Abwehr-agent het nummer 839. De NSB’er Boegheim werd door Abraham van Dijk in 1934 bij de Inlichtingendienst geïntroduceerd; omdat de SS’er en agent van de Duitse spionage Van Dijk na de oorlog bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) kwam te werken, kan hieruit meteen afgeleid worden dat de BVD bij zijn aanvang in 1948 een NSB-bolwerk was. Boegheim trad in dienst van de Nederlandse Reisvereniging, die in feite een mantelorganisatie van de NSB was.
Eind 1940 werd hij lid van de inlichtingendienst van de NSB, die toen Algemeen Toezicht Leden heette en korte tijd later Centrale Inlichtingendienst.
In februari 1942 werd hij V-Mann voor de Duitse contraspionage en nam daarbij deel aan het Englandspiel in een rol vergelijkbaar aan die van Anton van der Waals: hij liet zich bij penetraties in verzetsgroepen ook identificeren via Radio Oranje. Verder speelde hij een sleutelrol in het Hannibalspiel, dat tot doel had spionage- en pilotenlijnen naar het buitenland te infiltreren. Soms werden die lijnen zo opgerold en soms werden die benut om Duitse spionnen naar Groot Brittannië te smokkelen.
In 1944 werd hij R-Netz agent. Het R-Netz was een groep van ‘stay-behind’ mensen die achter de vijandelijke linies moesten opereren of na de Duitse capitulatie. Ze gebruikten voor hun contacten radiozenders en postduiven.
Na de oorlog werd Boegheim tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, wat later in 23 jaar werd omgezet.

Mr. Hendrik de Boer
Hoorn 15 januari 1888, Den Haag 3 juni 1945
Hij was van beroep advocaat en procureur. Hij had transacties in onroerend goed gedaan met de SD’er Fritz Hillesheim. Daarnaast was hij amateurtekenaar en -etser.
Hij gaf aan de politieman Cornelis Leemhuis de tip dat Frithjof Dudok van Heel commandant van de Ordedienst was en dat die als correspondentieadres Bastiaan Vierbergen gebruikte. Van Heel werd op 29 juli 1943 gefusilleerd. Verder had hij diverse keren contact met de in opdracht van Zwolsman vermoorde Just van Hasselt gehad.
Hij was op 9 maart 1945 een van de deelnemers bij besprekingen tussen aan de ene kant de Sicherheitsdienst en aan de andere kant leden van de Geheime Dienst Nederland (GDN) die door de Duitse contraspionage geïnfiltreerd was. Van de kant van de Sicherheitsdienst waren de deelnemers Joseph Schreieder, Friedrich Frank, Hermann Bauer Wolfgang Ispert en Reinder Zwolsman. De GDN-vertegenwoordigers waren: Abraham van Velsen en Edmund Wellenstein van de Geheime Dienst Nederland, Willem Noordhoek Hegt van het Medisch Contact, dominee Jan Kuiper met connecties binnen de Landelijke Organisatie. Daarnaast was hij bij besprekingen tussen leden van de Sicherheitsdienst onder leiding van Hans Munt en gegoede burgers. Enkelen van die gegoede burgers waren collaborateur of V-Mann. Dat waren naast De Boer: de advocate Ragnhild Stapel, prof. Anton de Block, de jurist Albertus van Dal, de advocate Marie Wibaut, de jurist Arie Mout en de V-Mann ir. Philippus Smulders.
Hij werd op 5 december 1945 vermoord met een door een motorrijder afgeleverde als sinterklaassurprise vermomde bom; ook zijn vrouw en dienstmeisje kwamen daarbij om het leven. Dit staat bekend als de sinterklaasmoord. De Inlichtingendienstman Antonie van der Spek deed onderzoek naar de moord en kreeg als bewijsmateriaal diens aantekenboekje, een zwart schriftje: ‘het zwarte cahier’, in handen. Het schriftje bevatte veel gegevens over collaborateurs, waarbij veel politiemannen. Dat schriftje is vervolgens spoorloos verdwenen, wat veel niet-gearresteerde oorlogsmisdadigers uit de Haagse politie goed uitkwam. Naar aanleiding daarvan is het boek ‘Zwartboek’ verschenen en waar vervolgens een film naar gemaakt is die weinig met de werkelijke gang van zaken te maken heeft. Later bleek dat er nog drie bomaanslagen op collaborateurs waren gepland, namelijk op Zwolsman en twee leden van de Generale Staf.

Bouke Boersma
Groningen 14 januari 1916
Hij was voor en tijdens de oorlog politieman. Hij schoot in februari 1942 zijn pistool leeg op Jan van Kalsbeek en raakte hem een keer in de rug. Hij kreeg daarvoor een beloning van 300 gulden van de Sicherheitsdienst. Veefkind beweerde dat Boersma bij de Waffen SS had gediend.
Hij werkte na de oorlog voor het Militair Gezag en stelde processen-verbaal op over het wangedrag tijdens de oorlog van zijn collega-politiemannen. Daarna werd hij weer gewoon politieman.

Jan Lukas Bokhove
Stad Almelo 23 mei 1903
(zijn CABR-dossier heb ik maar ten dele bestudeerd, zodat veel wandaden hier niet beschreven worden)
Hij had tijdens de oorlog de leiding over de Delftse Politie Inlichtingendienst. Hij stelde de lijst samen voor de te arresteren communisten naar aanleiding van de Duitse inval in de Sovjet-Unie. De Duitsers noemden dit het arresteren van Kommunistische Funktionäre, maar de meesten vervulden geen functie binnen communistische partij. Alle negen gearresteerde Delftenaren zijn om het leven gekomen. Bokhove arresteerde persoonlijk een aantal van die communisten. In het geval van de broers Mulhuijzen wisten die ’s-morgens vroeg te vluchten, maar Bokhove voelde dat de bedden warm waren en gijzelde vervolgens de vader onder de dreiging dat hij die naar een concentratiekamp zou sturen als de broers zich niet zouden melden. Het gijzelen was volgens de geldende Nederlandse wet een ernstig ambtsmisdrijf. De zonen meldden zich en kwamen aldus om het leven.
In 1942 hielp Bokhove de Sicherheitsdienst om de uit verhoren van gearresteerde Delftse communisten verkregen informatie aan te vullen, zodat er verdere arrestaties konden plaats vinden. Uit deze actie volgden acht doden.
In 1944 vond er door een knokploeg een overval op een politiebureau plaats om gevangenen te bevrijden. Enkele betrouwbare politiemannen hadden ervoor gezorgd dat de achterdeur open stond. Helaas waren er twee vijandige politiemannen in het bureau aanwezig, waarbij Bokhove. Er ontstond een gevecht, waarbij gewonden vielen. Slechts een deel van de beoogde gevangenen konden daardoor bevrijd worden.
Ondanks veel protesten verleende de fascistenvriend minister van Justitie Toxopeus uit het kabinet van de fascistische minister-president De Quay op voordracht van de pro-fascistische PvdA-burgemeester De Loor in 1961 een Koninklijke onderscheiding aan de massamoordenaar Bokhove. Toxopeus noemde Bokhove vlak voor de uitreiking ‘goed’. Hiermee hechtten de minister en de burgemeester expliciet hun goedkeuring aan de massamoord op communistische verzetsmensen.

Frans Adolf Bonté
Deventer 18 oktober 1886, Locarno (Zwitserland) 23 oktober 1954
De Duitse staalmagnaat Peter Klöckner was eigenaar van het bedrijf Montan dat in Den Haag gevestigd was. Bonté was financieel directeur van Montan. Klöckner was bang dat het bedrijf bij een eventuele oorlog door de Nederlandse staat geconfisqueerd zou worden en maakte daarom op papier Bonté eigenaar. Bonté vestigde op 27 mei 1940 enkele bedrijven op Curaçao. Verder stalde Klöckner veel geld in Zwitserland op naam van Bonté. Klöckner stierf eind 1940 en Bonté vernietigde aan het eind van de oorlog alle papieren met betrekking tot de overdracht. Daarmee bleef hij na de oorlog eigenaar van het Nederlandse deel van het concern en het in Zwitserland gestalde vermogen.
Tijdens de oorlog gaf Bonté veel geld aan de NSB en de bijbehorende mantelorganisaties WA en Winterhulp. Hij liet zijn bedrijf ten behoeve van de Wehrmacht werken; op de terreinen werden hooi en stro voor de Wehrmacht opgeslagen (nuttig voord de paarden die toen nog van belang voor het leger waren). In het najaar van 1942 werd het bedrijf door de Haagse communisten Evert Ruivenkamp en Henk Middendorp in brand gestoken.
Na de oorlog woonde Bonté in Zeist waar de toekomstige Haagse burgemeester Visser burgemeester was en waar Bos zijn hulpje was. Het vermogen van Bonté werd in beslag genomen, maar die had het grootste deel in Zwitserland gestald, waar de Nederlandse staat er niet bij kon komen. Zelf kon Bonté er ook niet aankomen, omdat zijn paspoort was ingenomen. Een deel van het vermogen was in Nederland aanwezig en dat werd onder beheer van Bos gesteld. Bonté zat daardoor zonder geld en sloot daarom een deal met Visser en Bos om tegen een forse beloning geld van zijn Zwitserse rekening te halen en naar Nederland te smokkelen. Maar Visser haalde met valse handtekeningen meer geld van de rekening, stak een deel in eigen zak en gaf een ander deel door aan het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst Crabbendam om de geheime criminele VVD-organisatie SOAN te financieren. Of Crabbendam dat geld daar inderdaad aan besteed heeft is onbekend. Toen deze affaire door journalisten aan het daglicht werd gebracht, leidde het tot de ondergang van burgemeester Visser. Bonté diende een aanklacht wegens oplichting in, maar Beel nam Visser in bescherming en zorgde ervoor dat hij alleen voor het lichtere vergrijp deviezensmokkel werd vervolgd. Tijdens het proces werd overigens ook diefstal en het zetten van een valse handtekening door Visser bewezen, maar daarvoor niet bestraft.
Het vermogen van Bonté nam tijdens de oorlog door diensten aan de Wehrmacht toe met 300.000 gulden. Zijn totale vermogen in Nederland werd op 500.000 gulden geschat, terwijl de omvang van het in Zwitserland gestalde vermogen onbekend bleef. Uiteindelijk werd 35.000 gulden door de Nederlandse staat geconfisqueerd.

Ari Leendert van den Bos
Monster 1 augustus 1901
(zijn CABR-dossier heb ik maar ten dele bestudeerd, zodat een aantal wandaden hier niet beschreven worden)
Hij kwam al ver voor de oorlog bij de Haagse Gemeentepolitie. Hij kwam op 29 januari 1940 bij de Haagse Politie Inlichtingendienst, waarna de politie-infiltrant Van Soolingen vrijwel meteen wekelijks aan hem moest gaan rapporteren. In mei 1940, direct na de Duitse inval, haalde hij Van Soolingen over om zijn infiltratieactie in de CPN voort te zetten. In die zin is hij in belangrijke mate medeschuldig aan de ongeveer 120 doden die door Van Soolingen onder de communisten veroorzaakte. Tijdens de bezetting maakte hij van begin af aan deel uit van de Documentatiedienst waar hij ten behoeve van de Sicherheitsdienst werkte. In de zomer van 1941 droeg hij de rapportage door Van Soolingen over aan Jilis van der Weerd. Daarmee moet hij medeverantwoordelijk worden gehouden voor de dood van 60 Haagse communisten en ook voor de dood van de uit de Haagse politieactie volgende dood van 25 personen uit Schiedam en omgeving. Hij bleef tot eind 1943 bij de Documentatiedienst en werd daarna overgeplaatst.
Omstreeks april-mei 1941 deed hij samen twee andere politiemannen onderzoek naar het ophangen van een vel papier aan de deur van het Oranjehotel met de beroemde tekst: ‘In deze baajes zit geen gaajes, ’t is potverdorie Hollands Glorie’. In augustus 1941 deed hij onderzoek naar het broodoproer op het Oranjeplein door communistisch gezinde vrouwen.
Hij meldde zich in 1941 aan bij het Vrijwilligerslegioen Nederland, met het doel om aan het Oostfront tegen de Sovjet-Unie te vechten. Dit blijkt uit een verklaring uit augustus 1941 aan de Duitsers over de Inlichtingendienstman Abraham van Dijk over de politieke betrouwbaarheid van den Bos: ‘Van den Bos A.L., Kriminalpolizist, ist ein tüchtiger, charaktervoller Mann, der für Deutschland und die neue Zeit Verständnis hat. Er arbeitete loyal mit der Besatzungsmacht zusammen und hat sich für die Legion gemeldet.’ Of hij daadwerkelijk naar het Oostfront is vertrokken is twijfelachtig, want hij bleef tot begin 1943 bij de Documentatiedienst. Het is echter niet uitgesloten dat hij net zoals Berend Jan Doornebos voor een paar maanden bij de politietroepen in bijv. de Baltische staten gediend heeft om daarna weer op zijn oude werkplek terug te keren. Hij liquideerde in opdracht van de Sicherheitsdienst de Nederlandsche Unie.
Hij pleegde na de oorlog twee keer meineed tijdens het proces tegen Van Soolingen door te beweren dat ervoor medio 1941 niet onder de communisten werd gewerkt en te ontkennen dat hij het rapporteren door Van Soolingen aan Jilis van der Weerd had overgedragen. Dit wordt gelogenstraft door rapportjes uit februari 1941 van de hand van Inlichtingendienstman Eckhardt, waarin rapportages van informanten over politieke activiteiten door individuele communisten werden vastgelegd. Hij probeerde in 1945 bij het BNV te komen werken, maar dat mislukte.

Willem Bos
Hij werkte tijdens de oorlog als informant voor de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst. Tijdens een rechtszaak tegen hem voerde de verdediging aan dat hij aan het eind van de oorlog in een verzetsgroep had gezeten. Dit was de groep José onder leiding van Tjerk Elsinga. Er zouden verschillende zeer hooggeplaatste Nederlanders in die groep hebben gezeten. Maar er werd niet bekend welke zeer hooggeplaatste Nederlanders zulke eerzame activiteiten hadden verricht, het kon het daglicht niet verdragen (daarmee werd vooral gedoeld op Aart Hacke). Waarschijnlijk zat Bos in een criminele groepering die oorlogswinsten veilig moest stellen en de hooggeplaatste Nederlanders die die winsten hadden gemaakt in naoorlogse machtsposities moest loodsen. Wel werkte hij tijdens de oorlog voor de Rotterdamse Inlichtingendienst, waarmee een groepering rond Hamstra bedoeld werd. Na de oorlog verklaarde burgemeester Visser van Zeist, waarvoor Bos werkte, dat hij hem vanuit de illegaliteit kende. Maar in het zuiveringsproces waar Visser tamelijk besmeurd uitkwam, deed Visser geen enkele claim van serieus verzet, zodat de claim van verzet hoogstwaarschijnlijk een leugen was.
Na de oorlog werd Bos informant voor de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). Daarbij had hij directe contacten met minister-president Beel, die de BVD in zijn portefeuille had.
Na de oorlog kwam hij in de vriendenkring van burgemeester Visser In Zeist terecht, die tijdens de oorlog opmerkelijk vaak contacten met NSB’ers onderhield. Toen Visser in 1947 tot burgemeester van Den Haag werd benoemd, creëerde hij onmiddellijk de nieuwe functie van secretaris van de burgemeester voor Bos.
Bos was vlak na de oorlog de beheerder geworden van het tijdens de oorlog vergaarde vermogen van de collaborateur Bonté. In mei 1948 werd Bos op Schiphol aangehouden, nadat hij uit Zwitserland gearriveerd was. De arrestatie was het gevolg van een tip uit Zwitserland en het dreigement van een Zwitserse journalist dat hij de al langer slepende zaak in de openbaarheid zou brengen als er niet ingegrepen werd.
Bos had 30.000 gulden op zak; het bleek te zijn gestolen uit het vermogen van Bonté. Het geld zat in een enveloppe die aan minister-president Beel was gericht. Bos werd formeel aangehouden vanwege overtreding van de deviezenwet. Dat vermogen had geconfisqueerd moeten worden en behoorde dus toe aan de Nederlandse staat, die er niet bij kon omdat het in Zwitserland gestald was. De diefstal was gearrangeerd door burgemeester Visser. Het doel van de diefstal was het financieren van de geheime criminele VVD-organisatie SOAN, gesticht door minister Stikker. Maar zowel Visser als Bos verrijkten zich met delen uit het vermogen.
Een ander deel van eerdere diefstallen was overhandigd aan het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst Crabbendam. Bos en Visser werden niet vervolgd vanwege de diefstal die onweerlegbaar bewezen was, maar voor de overtreding van de deviezenwet. Deze vorm van corruptie werd geregeld door minister-president Beel en minister van Justitie Van Maarseveen; daarmee werden meteen Crabbendam en Van Maarsenveen van strafvervolging gevrijwaard. Bos werd na hoger beroep tot vijf maanden gevangenisstraf en een boete van duizend gulden. Hij vertrok na het uitzitten van zijn straf naar België, waar hij in 1967 werd voorgedragen voor een hoge onderscheiding.

Jhr. mr. dr. Lodewijk Hendrik Nicolaas Bosch ridder van Rosenthal
Dordrecht 7 april 1884, Zeist 29 januari 1953
Hij was van 1930 tot 1934 burgemeester van Den Haag. Onder zijn verantwoording ging de Haagse Politie Inlichtingendienst een samenwerking aan met Jan Baars van de Algemeene Nederlandsche Fascisten Bond en het NSB-lid Josephus Boegheim.
Toen de communisten op Prinsjesdag 1932 onder de naam ‘Rooden Dinsdag’ een protestdemonstratie tegen het bezuinigingsbeleid van de regering op het Oranjeplein in Den Haag wilden houden, verbood hij die. Vervolgens organiseerden de communisten een protestvergadering in het gebouw Kunsten en Wetenschappen in Den Haag. Die kon wettelijk niet verboden worden. In reactie daarop liet hij de inspecteur van politie Sebastiaan van der Mark de hulp van fascistische organisaties als de Nationale Unie, het Nationaal Jongeren Verbond, de Katholieke Jonge Garde en de Burgerwacht inroepen die gewapend en deels in fascistisch uniform door de stad zouden marcheren en de politie bij de geweldsuitoefening moesten assisteren. Daarvoor overlegde de plaatsvervangend hoofdcommissaris Van der Meij met de fascistenleider jonkheer Groeninx van Zoelen.
De fascistische horden vormden dus feitelijk een door de politie georganiseerde demonstratie, terwijl de burgemeester dat juist verboden had. De fascisten hadden de instructie gekregen dat als ze niet over wapens beschikten ze stalen ploertendoders bij de firma P. Mansvelt en zoon aan de Denneweg konden kopen. Wapens die gesignaleerd werden waren naast ploertendoders pistolen, messen en ijzeren staven. Het geweld resulteerde in de dood van een politieman, enkele levensgevaarlijk gewonde communisten, tientallen gewonde communisten en enkele gewonde passanten, waarvan er een door een politiekogel werd getroffen. Het is onbekend gebleven of de politieman door een communist of door een fascistische provocateur om het leven is gekomen: een beschuldigde communist werd tot vijftien jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar in hoger beroep vrijgesproken. Toen de burgemeester in de Gemeenteraad moest uitleggen hoe het kon dat de officieel politiek neutrale politie met fascistische organisaties samenwerkte, loog hij dat er bij de hoofdcommissaris en hemzelf daarover geen voorwetenschap was.
Na de laatste Gemeenteraadsvergadering over dit onderwerp schreef Groeninx van Zoelen een brief aan de burgemeester dat diens verklaring aan de Gemeenteraad niet conform de werkelijke gang van zaken was. De burgemeester antwoordde in een kort arrogant briefje dat hij zich niet verwaardigde met hem in discussie te treden
Als beloning voor zijn inspanning bij de samenwerking met de fascistische groepen beval hij Van der Mark aan voor een dubbele promotie tot commissaris van politie van Nijmegen in plaats van hem te ontslaan en strafrechtelijk te laten vervolgen.

Johannes (Jan) Antonius Bosschieter
Den Haag 10 mei 1914, Leusden 8 maart 1945
Hij was sinds 1941 een V-Mann van Ernst Knorr, de chef van Referat IVA van de Sicherheitsdienstman, bestrijding communisme. Hij kreeg zelfs een wapen met vergunning van de Sicherheitsdienst. Hij gaf communisten aan en ontving 100 tot 250 gulden per communist en in een geval waar wapens werden was de beloning 1500 gulden (toen een driekwart jaarsalaris). De Sicherheitsdienstman Ernst Knorr die werkzaam was bij de bestrijding van het communisme, heeft hem een keer 1.500 gulden uitgekeerd. Deze bedragen waren een veelvoud van de beloningen voor het aangeven van ondergedoken Joden, waarvoor 40 gulden werd betaald.
Nadat er bijna geen communisten meer te vinden waren, ging hij in 1943 over tot het aangeven van ondergedoken Joden. Dat deed hij voor de Sicherheitsdienstman Fritz Koch van het Referat IVB (Judenreferat). De eersten waren elf bij zijn moeder ondergedoken Joden; zijn moeder was te goeder trouw maar een enorme kletstante. Voor iedere Jood ontving hij 25 gulden. Vervolgens nam hij zelf Joodse onderduikers in huis tegen dertig gulden per week. Maar het doel was om via hen andere onderduikers te leren kennen en ook door de brengers van voedselbonnen te volgen en zo veel andere onderduikers en leden van de verzetsorganisatie LO te ontdekken. Bij zijn jacht op communisten en Joden werkte hij samen met Jacob Gros van de Haagse Politie Inlichtingendienst. Bij de arrestatie van Joden schoot hij vaak.
In januari 1944 spoorde hij de Joodse communist Abitch Kupferschmied op. In april 1944 spoorde hij weer een aantal ondergedoken Joden op, die vervolgens communistische verzetsmensen bleken te zijn. Hij maakte deel uit van een arrestatieteam bestaande uit de Sicherheitsdienstman Fritz Koch en de politiemannen Johannes Krom, Antonie Bolland en Heinze Lempke. Dit team arresteerde de merendeels communistische verzetsmensen Hans Polak, Anna Kupferschmidt, Samson Polak, Andries Gritter, Catharina Pigge, Cornelis Hos en nog ongeveer tien andere onbekend gebleven communisten.
Eind 1944 verkocht hij Duitse uniformen en pistolen aan het zogenaamde verzet; dat waren criminelen die onder het mom van verzet roofovervallen te eigen bate wilden plegen. De Duitsers betrapten hem op 13 december 1944 op het in beslag nemen van levensmiddelen onder bedreiging met een pistool. Ze plaatsten hem op een lijst van Todeskandidaten vanwege het onbevoegd gebruik van een dienstwapen.
Hij werd op 8 maart 1945 op de Leusderheide gefusilleerd.

De overlijdensadvertentie van Johannes Bosschieter ‘in dienst van zijn Vaderland’. Hij verraadde vele tientallen, mogelijk honderden Joden en communisten.

Hij moet vele tientallen mensen de dood in hebben gejaagd. Maar zijn moeder wist dat niet, die liet na de oorlog in Het Parool een rouwadvertentie zetten met de tekst: ‘Hij liet zijn leven in dienst van zijn Vaderland’. Dit leert ons dat men niet onmiddellijk iemand moet vertrouwen die verzetsman wordt genoemd of zegt dat hij Joden heeft laten onderduiken.

Andreas George Bouten
Rotterdam 5 augustus 1888, Den Haag 19 december 1959
Hij was van beroep journalist. Hij was lid van Algemene Nederlandsche Fascisten Bond. Hij was voor de oorlog informant voor de Centrale Inlichtingendienst van de Generale Staf III. Hij was actief voor het Vlaams Nationaal Verbond en stond in verbinding met de chef van de Belgische Inlichtingendienst Burcke. Hij stond bij de Haagse Politie Inlichtingendienst bekend als geheim agent van Duitsland.
Zijn naam komt voor op een door de historicus Frans Kluiters samengestelde lijst van adressen van Duitse Abwehr-agenten. [http://docplayer.nl/48618979-Abw-b03-adressen-1-bijlage-3-adressen.html]. Als Abwehr-agent had hij het lage nummer 46.
Hij werd op 3 mei 1940 samen met zeventien andere leden van de NSB, waarbij Rost van Tonningen, geïnterneerd en met terugtrekkende troepen naar Noord-Frankrijk meegenomen en daar vrijgelaten.
Tijdens de oorlog functioneerde hij als V-Mann voor de Sicherheitsdienstman SS-Hauptsturmführer Helmuth Pröbsting bij het in de regio Den Haag opsporen van communisten en Joden. Hij was betrokken bij een plan om de Belgische koning Leopold op de Nederlandse troon te zetten. Toen Friedrich Knolle in oktober 1940 werd aangesteld als plaatsvervanger van Befehlshaber der Sicherheitspolizei Wilhelm Harster nam hij onmiddellijk contact op met Bouten. Knolle had vlak voor de oorlog een leidinggevende rol bij de Duitse spionage in Nederland en kende daarom Bouten op zijn minst van naam.
Hij was betrokken bij het corruptiespel van Fritz Hillesheim om gevangenen zich te laten vrijkopen. Zo bood hij de gijzelaar Andreas Reijgersberg aan zich voor 6.000 gulden te laten vrijkopen.
Aan het eind van de oorlog raakte hij betrokken bij de Duitse organisatie Werwolf, die geheime agenten na de oorlog wilde laten blijven werken.
Hij werd na de oorlog veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf.

Mr. Antoni Brants
Raalte 24 augustus 1871, Den Haag 10 maart 1959
Hij was voor de oorlog procureur-generaal. Hij werd door de Duitsers benoemd tot directeur-generaal van politie. Hij meldde in het Algemeen Politieblad dat de Duitsers niet van de politie verwachtten dat ze plegers van anti-Duitse acties opspoorden. Hij loofde een beloning van 1000 gulden uit voor het aangeven van mensen die aanslagen pleegden.

Karel Henri Broekhoff (David)
Amsterdam 28 april 1886, Utrecht 10 april 1946
Hij was lid van de Vrijmetselarij. Hij was eerst hoofdinspecteur en later commissaris van politie in Amsterdam. Hij werd in 1917 benoemd als leidinggevende persoon voor de bestrijding van het communisme in Nederland.
Hij gebruikte de informant Julius Barmat om bij de communistische partij SPD te infiltreren en kon daardoor correspondentie en een geldzending uit Moskou onderscheppen. Dat was eens schending van het briefgeheim dat in 1948 door Thorbecke was ingesteld; het was de eerste van een reeks wetsschendingen die hij tijdens zijn carrière zou plegen. Dat geld was overigens bedoeld om uit Duitse krijgsgevangenschap ontsnapte militairen en in Nederland geïnterneerde Russische staatsburgers te steunen of naar Rusland te laten reizen. Broekhoff had daarover informatie ontvangen van de Nederlander Jacob Eskens die zowel voor de Duitse contraspionage (ook door de historicus Frans Kluiters als zodanig gekenmerkt) als de Nederlandse Generale Staf werkte. Hier begon al de voorkeur van Broekhoff voor Duitse spionnen en de Duitse contraspionage.
Hij werkte samen met de internationale oplichter en vervalser van Russische obligaties Julius Barmat. Hij mocht na de verhuizing van Barmat in diens woning wonen. Hij werkte samen met de internationale oplichter en vervalser van Russische obligaties Julius Barmat. Hij mocht na de verhuizing van Barmat in diens woning wonen. Hij vertegenwoordigde Nederland in de in 1922 opgerichte Internationale Kriminalpolizeiliche Kommission (IKK); de directe voorloper van Interpol. De IKK had als hoofddoel het bestrijden van het communisme, maar als dekmantel werd opgegeven dat het ging om zigeuners, valsemunters en rondreizende bendes zakkenrollers. Als Broekhoff Berlijn bezocht voor contacten met Duitse politiefunctionarissen, dan logeerde hij vaak bij Barmat en bezocht diens spectaculaire feesten met gasten uit de zakenwereld, Duitse politiek (ook regeringsleden) en Duitse politiefunctionarissen. De Wannsee-conferentie in januari 1942, waar besloten werd tot het vergassen van de Joden in Europa, vond plaats in een gebouw van de IKK en stond onder leiding van de secretaris van de IKK en hoofd van de Reichssicherheitsdienst Reinhard Heydrich. Broekhoff’s intieme relatie Heinrich Müller nam ook deel aan de conferentie, waarbij Adolf Eichmann als notulist optrad.
In 1921 belastte de minister van Justitie hem met het bestrijden van valsemunters, waarvoor het bureau Nederlandsche Centrale in Zake Falsificaten en internationale Misdadigers (kortweg ‘valsgeldcentrale’ genoemd) werd opgericht, wat feitelijk een politieke Politie Inlichtingendienst was. Opmerkelijk daarbij is dat Broekhoff met Barmat samenwerkte, terwijl die veroordeeld was voor het vervalsen van (tsaristisch) Russische premieobligaties. De reizen voor de valsgeldcentrale konden dienen voor zijn internationale contacten in de spionagewereld. De bestrijding van het vals geld gebeurde in het internationale kader van de IKK. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de archieven van de IKK door de Nazi´s gebruikt om valsemunters op te pakken, die vervolgens in het concentratiekamp Sachsenhausen valse Britse ponden moesten vervaardigen. Het plan was die valse ponden boven Engeland uit vliegtuigen te werpen om zo de Britse economie te ontwrichten.
De kosten van de valsgeldcentrale werden voor de helft door de Nederlandsche Bank betaald, waarbij men dient te beseffen dat deze bank toen een particulier bedrijf was, waarvan een aanzienlijk deel van de aandelen in handen van Koningin Wilhelmina was. Dat de valsgeldcentrale feitelijk van staatswege de belangen van het bedrijfsleven diende, wordt duidelijk uit een verslag dat de Amsterdamse hoofdcommissaris Versteeg in 1930 schreef over een vergadering van de Centrale Inlichtingendienst:
By gepleegd overleg met de leiding van de “Centralen Inlichtingendienst” te ’s-Gravenhage en eenige voorname vertegenwoordigers der Nederlandsche industrie is my gebleken, dat geen beteekenend verschil van meening bestaat over de vraag, dat het geacht mag worden op den weg der overheid te liggen, de elementen welke met de meeste inspanning naar het behoud van den bedryfsvreede streven, zoveel mogelyk te steunen by hunne pogingen, om aan het communistisch gewroet en het zaaien van onrust en ontevredenheid in de bedryven paal en perk te stellen.
Iets verder schreef hij in dat verslag:
Het is my bekend, dat in bepaalde kringen der grootindustrie de wensch bestaat, dat de werkingsspheer van den Inlichtingendienst te Amsterdam in bovenomschreven zin worde uitgebreid terwyl ik gerustelyk toe kan voegen dat ook de “Centrale Inlichtingendienst” – welke zelve over geen cutieve beschikt – deze meening is toegedaan.’ [Verslag d.d. 25-6-1930 door hoofdcommissaris Versteeg van bijeenkomst met Centrale Inlichtingendienst, in dossier Bureau Internationale Criminaliteit en Falsificaten, politiearchief Amsterdam, toegangsnummer 5225, inv. nr. 3813, Gemeentearchief Amsterdam.]
Op Broekhoffs instigatie gingen de gemeentelijke Politie Inlichtingendiensten er in 1923 toe over om op lokaal niveau de communistische partij CPH te infiltreren. In Den Haag leidde die infiltratie die tijdens de oorlog werd voortgezet tot ongeveer 120 doden.
Toen Barmat op 31 december 1924 in Berlijn gearresteerd werd, bracht hij binnen enkele dagen een rapport aan de Nederlandse regering uit dat de belangen van Nederland niet geschaad werden.
In 1935 ging hij in opdracht van de minister van Justitie een samenwerking aan met de Gestapo in Berlijn om het communisme te bestrijden. Daarbij werd in een verslag vastgelegd dat de minister van Justitie met de Gestapo wil samenwerken om communistische activiteiten te bestrijden (dus binnenlandse en buitenlandse activiteiten):
Herr Broekhoff hat vor seiner Reise nach Berlin mit dem holländischen Justizminister, dem die holländische Polizei unterstellt ist, Rücksprache genommen, wobei vollständige Einmütigkeit darüber bestand, daß gegen eine Zusammenarbeit mit der deutschen Polizei, soweit es sich um die Bekämpfung kommunistischer und marxistischer Umtriebe handelt, keine Bedenken bestehen.
En ook dat vertrouwelijke gegevens stiekem overgedragen zullen worden, omdat bij bekend worden daarvan problemen te vrezen zijn:
Daneben ist mit Herrn Broekhoff besprochen worden ein anonymer Verkehr, der sich in die Hauptsache beziehen soll auf die Übermittlung vertraulicher Nachrichten, die nicht ohnes weiteres in den offiziellen Geschäftsgang kommen sollen, bei denen in Falle eines Verlorengehens Weiterungen zu befürchten wären.

Eerste vier bladzijden van een Duits verslag van het bezoek van Broekhoff aan het Reichssicherheitshauptamt in Berlijn.

Hij ging onder valse naam correspondentie met Heller van de Gestapo voeren, wat wettelijk verboden was, omdat het in strijd met de archiefwet was. Hij liet zijn ondergeschikte Kallenborn gegevens over Nederlandse communisten en communistische vluchtelingen uit Duitsland aan de Gestapo in Berlijn bezorgen. Zelf overhandigde hij de lijst van linksextremisten van de Centrale Inlichtingendienst uit 1937 aan de Gestapo; deze lijst werd tijdens de oorlog bij het opsporen van communisten uitgebreid geraadpleegd door de Gestapo en leidde aldus tot de dood van veel communisten. In 1februari 1941 leverde de Gestapo een lijst van 800 Nederlandse communistische functionarissen aan de Sicherheitsdienst in Den Haag. Deze gegevens kunnen alleen afkomstig zijn van de lijst van linksextrenmisten van de Centrale Inlichtingendienst die Broekhoff in 1937 aan de Gestapo leverde.
Dat dit ‘functionarissen’ zijn, zou betekenen dat 10% van de leden van de CPN ‘functionarissen’ zouden zijn. Dat is natuurlijk onzin, het moet een selectie van de als communist aangemerkte personen op die lijst zijn geweest. Deze term ‘functionarissen’ duikt weer op als in juni 1941 ‘kommunistische Funktionäre’ gearresteerd moeten worden. De lijst is gebruikt voor het samenstellen van de lijsten van communistische functionarissen, die na de Duitse inval in de Sovjet Unie gearresteerd moesten worden en aan de lijsten van te gijzelen communistische functionarissen van september 1942. Deze lijsten hebben veel communisten het leven gekost en kunnen rechtstreeks gekoppeld worden aan de misdadige opdracht van RKSP-minister van Justitie Van Schaik, die hiermee als massamoordenaar gekwalificeerd kan worden.

In februari 1941 leverde de Gestapo in Berlijn een lijst van 800 Nederlandse communistische functionarissen aan de Gestapo in Den Haag. Zoveel namen kunnen afkomstig zijn van de lijst van de Centrale Inlichtingendienst die Broekhoff in 1937 leverde. Deze lijst lag ten grondslag aan de lijsten van te gijzelen communistische functionarissen uit september 1942, die veel communisten het leven hebben gekost.

Hij had een homoseksuele relatie met het hoofd van de Gestapo Heinrich Müller, die verantwoordelijk was voor het vergassen van zes miljoen Joden. In Duitse rapporten werd tussen de Gestapo en Broekhoff vastgelegd dat Duitse communistische en sociaaldemocratische vluchtelingen die politieke activiteiten in Nederland ontwikkelden naar Duitsland teruggestuurd zouden worden, behalve als de persoon in kwestie duidelijk kon maken dat de doodstraf dreigde. Voor de Duitsers was dat aantrekkelijk, want ze vermoorden toch wel veel personen in concentratiekampen zonder dat de doodstraf was opgelegd. Bovendien wisten veel vluchtelingen niet dat deze mogelijkheid bestond of werden niet in de gelegenheid gesteld om te protesteren. Dit heeft veel Duitse vluchtelingen het leven gekost en Broekhoff was medeplichtig aan deze moordpartij.

Gegevens over vluchtelingen die Broekhoff naar de Gestapo in Berlijn stuurde. Gohrke is op 23 januari 1945 in het concentratiekamp Dachau om het leven gekomen. Esser werd op 20 oktober 1938 het concentratiekamp Buchenwald binnen gevoerd.

Uit het feit dat van de genoemde personen Karl Esser in Buchenwald werd binnen gevoerd, mag worden afgeleid dat Broekhoff heeft gezorgd voor de uitlevering van al deze personen. Van Gohrke staat vast dat hij in Dachau is vermoord, terwijl het lot van de anderen onbekend is.

De brief waarin Kallenborn vermeldt dat hij van zijn chef Broekhoff in 1938 opdracht kreeg om namen en gegevens van Nederlandse communisten aan de Gestapo in Berlijn door te geven.

In 1946 zond Broekhoff’s ondergeschikte Kallenborn een brief naar de directeur-generaal van politie, waarin hij vermeldde dat hij van zijn chef Broekhoff in 1938 opdracht kreeg om namen en gegevens van Nederlandse communisten aan de Gestapo in Berlijn door te geven. Dat hij stelt dat hij gevaarlijke feiten wegliet, mag beschouwd worden als een poging om zichzelf na de oorlog schoon te wassen. De verklikbrief werd pas na de dood van Broekhoff geschreven. Hierin valt ook te lezen dat samengewerkt werd met Bruno Wolff, die in mei 1940 de leiding kreeg over de Duitse bestrijding van het communisme in Nederland en met Heinrich Müller, die tijdens de oorlog de leiding kreeg over alle concentratiekampen in Europa en daarmee de eerstverantwoordelijke was voor het vergassen van Joden en het langzaam vermoorden van mensen in concentratiekampen. (Er was bij de afdeling Bekämpfung Kommunismus slechts één persoon met de achternaam Müller in een leidinggevende positie). Verder staat er in dat Broekhoff veel informatie vanuit de Nederlandse communistische partij leverde, wat voor de Duitsers alleen interessant kon zijn in het geval van een bezetting van Nederland.

Het hoofdkwartier van de Gestapo in Berlijn waar Broekhoff in opdracht van de Nederlandse regering samenwerkte met Heinrich Müller, één van de grootste massamoordenaars uit de geschiedenis van de mensheid, bij de bestrijding van het communisme.

Hij gaf minstens tweemaal vanuit het Reichssicherheitshauptamt in Berlijn opdracht om een huiszoeking te doen in Amsterdam; het ging om een ruil: de Gestapo zou dan namen van communisten in Nederlands-Indië leveren. De eerste inval betrof een bijeenkomst tussen Nederlandse en Duitse communisten. De tweede was bij Petrus Franciscus Coenradi die in januari 1945 in Sachsenhausen om het leven kwam. Hij overhandigde een Duitstalige versie van de lijst van linksextremisten van de Centrale Inlichtingendienst aan de Gestapo. Hij stond toe dat de Gestapo een Duitse communistische vluchteling ui Amsterdam ontvoerden en liet daarbij enkele ter plekke aanwezige communisten door zijn eigen mensen arresteren. Hij werkte nauw samen met Duitse spionnen die in Amsterdam opereerden.
De Belgische Inlichtingendienst vroeg aan Broekhoff schriftelijk om inlichtingen over de Duitse spionnen Hugo Weigl en Paul Ullrich, die in Amsterdam verbleven. Vervolgens vroeg Broekhoff aan zijn Berlijnse collega Heinrich Müller wat hij over die twee spionnen aan zijn Belgische collega kon melden. Daarna hoefden ze niet meer gearresteerd te worden, want ze waren naar Duitsland vertrokken.
Broekhoff werkte nauw samen met de Duitse spion Herbert Neesemann, die met zijn zakenpartner De Capelle als dekmantel een transportbedrijf bezat; de zakenpartner onderhield contacten met de Roode Hulp. Toen bij andere Nederlandse instanties bekend werd dat Neesemann een Duitse spion was, waarschuwde Broekhoff twee Gestapo-mannen die toen net op bezoek waren. Neeseman werd toen hals over kop naar Duitsland teruggehaald.
Bij zijn bezoeken aan Berlijn raakte hij bevriend met de president (hoofdcommissaris) van de Berlijnse politie Wolf-Heinrich Graf von Helldorff. Dit was een extreem-rechts figuur die in deelnam aan de Kapp-putsch. Hij was een felle antisemiet. In 1933 werd hij als fanatiek aanhanger van Hitler voor diens partij NSDAP afgevaardigde in de Rijksdag. In 1935 werd hij president van de Berlijnse politie. In die functie stelde hij extreem antisemitische maatregelen voor en realiseerde die in Berlijn. Toen de kansen voor Duitsland keerden scharde hij zich voorzichtig aan de kant van de aanslagpleger op Hitler Von Stauffenberg. Daarom werd hij in 1944 in Plötzensee opgehangen.
In 1937 ontving Broekhoff het ‘Verdienstkreuz des Ordens vom Deutschen Adler erste Klasse´. Na de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland verhuisde de zetel van de IKK van Wenen naar Berlijn. Van toen af werden in het blad van de IKK ‘Internationale Kriminalpolizei’ veel antisemitische artikelen opgenomen, maar dat was geen bezwaar om de samenwerking voort te zetten. Binnen de IKK werden de namen van valsgelddrukkers doorgegeven. Voor zover deze lieden in het machtsgebied van Duitsland actief waren, werden ze gearresteerd. Een aantal werd naar het concentratiekamp Sachsenhausen gestuurd en werden later vanaf september 1939 ingezet in de operatie Bernhard om valse Engelse ponden te drukken, met het doel die boven Engeland uit te strooien en de Britse economie aldus te ontwrichten.
In 1938 vond de Anschluß van Oostenrijk bij Nazi-Duitsland plaats. Daarmee kwam het Büro der Internationale Kriminalpolizeiliche Kommission van de IKK, dat in Wenen gevestigd was, in Nazi-handen. Het tijdschrift van de IKK werd omgedoopt in Internationale Kriminalpolizei en nam veel racistische en antisemitische artikelen op. Desondanks bleef Broekhoff een prominent lid van de antisemitische IKK. Vervolgens werd het Büro der Internationale Kriminalpolizeiliche Kommission verplaatst naar Am Kleinen Wannsee 16, hetzelfde gebouw waar IKK-voorzitter Heydrich de Wannsee-conferentie, waar tot het uitroeien van de Europese Joden werd besloten, oorspronkelijk voor 9 december 1941 gepland had. Door het uitbreken van de oorlog met de Verenigde Staten ging die bijeenkomst niet door, waarna een nieuwe bijeenkomst werd gepland voor 20 januari 1942 in een van de twee villa’s van het oorspronkelijke Büro der Internationale Kriminalpolizeiliche Kommission aan de Große Wannsee, dat inmiddels het gastenhuis van de Sicherheitspolizei was geworden.
Voor de oorlog was Broekhoff voorzitter van de Nederlandse Wandelsport Bond. In deze bond waren sterke fascistische invloeden, doordat de wandelsport gebruikt werd om het marcheerverbod te omzeilen dat tegen de NSB-organisatie WA gericht was. Na de oorlog werd Visser de voorzitter van de Wandelsport Bond
In 1939 nodigde hij de Gestapo-functionaris Bruno Wolff uit. Deze Wolff werd na de Duitse inval in Den Haag de eerste chef van de Sicherheitsafdeling voor de bestrijding va het communisme in Nederland. Hij stond op een in 1939 opgestelde Duitse ‘Fahndungsliste’ van mensen waarmee na een Duitse inval onmiddellijk contact gezocht moest worden.
Hij werd meteen na de Duitse inval, op voorspraak van Gestapo-functionarissen die in Nederland gedetacheerd werden, bevorderd tot plaatsvervangend hoofdcommissaris. Hij liet in het eerste oorlogsjaar Amsterdamse communisten arresteren, maar verbood de politie om aan de verwanten mededelingen te doen waar hun spoorloos verdwenen verwanten waren gebleven. De Duitse bezetter maakte meteen plannen om alle politiekorpsen, inclusief de marechaussee, samen te voegen in een staatspolitie. Een commissie ter voorbereiding werd daarvoor ingesteld, waarin onder anderen Broekhoff, de Zeistse burgemeester Visser en hoofd van de marechaussee August de Koningh benoemd werden. Visser was erg sterk pro-Duitts en liep allerlei recepties af van NSB’ers die door de bezetter in bestuursfuncties werden benoemd. Na de oorlog werd Visser de corrupte en criminele burgemeester van Den Haag, die zijdelings bij de moord op Friedrich Schallenberg betrokken was.
Na de Februaristaking liet hij communisten arresteren die aangewezen waren door zijn infiltranten (Lou de Jong schrijft daarover dat het infiltranten van de Sicherheitsdienst waren, maar dat is grote onzin. De infiltranten waren mensen die al in de jaren twintig of eerste helft jaren dertig door de Amsterdamse Politie Inlichtingendienst de communistische partij waren ingestuurd. De Jong schrijft trouwens zelf dat de illegale CPN werd samengesteld uit politiek vertrouwde mensen en dat kunnen dus nooit mensen zijn die na de Duitse bezetting door Duitsers de CPN in zouden zijn gestuurd). Tot in april 1941 ging het om tientallen Amsterdamse communisten die gearresteerd werden.
Vanuit de leiding van het politiekorps (de hoofdcommissaris of de plaatsvervangend hoofdcommissaris Broekhoff) werd aan alle politiebureaus opdracht gegeven dat als mensen navraag kwamen doen naar een verdwenen huisgenoot (meestal echtgenoot of zoon), dat er niet langer doorverwezen mocht worden naar de Inlichtingendienst. Hieruit kan afgeleid worden dat de Inlichtingendienst heimelijk communisten arresteerde en waarbij de verwanten in het ongewisse werden gelaten, zoals ver na de oorlog in Argentinië zou gebeuren en wat nu als een ernstige schending van de mensenrechten wordt beschouwd. Uit het feit dat zo een opdracht schriftelijk aan alle politiebureaus werd verstrekt kan worden opgemaakt dat het hoofd van de politie, burgemeester De Vlugt, van deze praktijken op de hoogte moet zijn geweest.
Bij de Duitse inval in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941 liet hij op bevel van de Sicherheitsdienst lijsten van communisten samenstellen die gearresteerd moesten worden en waarvan het voor iedereen duidelijk was dat ze vermoord zouden worden (dat gebeurde ook voor 90%). De arrestaties vonden plaats op 25 juni door de Amsterdamse politie.
Hij trad in juli 1941 vrijwillig terug uit de politie, omdat hij het niet eens was om bemanning van de Amsterdamse Politie Inlichtingendienst te vervangen door op inlichtingendienstwerk onervaren NSB’ers te vervangen. Deze verklaring werd na de oorlog gegeven, maar naar mijn mening kan de werkelijke reden zijn dat hij lid was van de Vrijmetselarij, waardoor hij voor de Duitsers onaanvaardbaar was. Hij ging zich toen met het familiebedrijf N.V. Drukkerij en Uitgeversmaatschappij voorheen Kemink en Zoon bezighouden en het vertalen en schrijven van een boek. Hij had echter nog steeds goede contacten met de Duitser politiefunctionarissen, zoals Rauter. Toen er ten gevolge van Duitse maatregelen liquidatie van het bedrijf dreigde wendde hij zich tot de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD Wilhelm Harster. Hij noemde zichzelf ‘plaatsvervangend hoofdcommissaris buiten dienst’ en vroeg hem om steun om liquidatie van het bedrijf te voorkomen.
Broekhoff hield na zijn terugtreding in zijn woning regelmatig drinkgelagen tot ’s-morgens vroeg met Duitse politiefunctionarissen; dit ging voort tot 1945.
Hij werd na de oorlog hoofdcommissaris in Amsterdam. Hij overleed in 1946 na een mislukte operatie vanwege een hersentumor, waarna geruchten de ronde deden dat hij een onnatuurlijke dood was gestorven. Al die tijd bleef hij in het huis van Barmat wonen.

Samuel (Sam) Citroen
Amsterdam 13 december 1896, Amsterdam 29 april 1966
Ondanks dat hij slechts één voornaam had refereerde hij later in zijn leven naar zichzelf als Sam S. Citroen; waar de tweede S voor staat is mij onbekend, mogelijk naar de voornaam van zijn vader Soesman. Zijn vader was diamantslijper. Zijn eerste beroep was kantoorbediende. Hij woonde van 1918 tot 1922 in Den Haag en voor de rest van zijn leven in Amsterdam.
Hij was in de jaren dertig onbezoldigd Bureauchef van de Amsterdamse afdeling van de Liberale Staatspartij de Vrijheidsbond (LSP); hij stond toen in het Amsterdams bevolkingsregister als zodanig vermeld en zonder beroep dat hem inkomen zou opleveren. Na de oorlog was hij administrateur van de afdeling Amsterdam van respectievelijk de Partij van de Vrijheid (PVV) en de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD).
Hij werd door de Centrale Inlichtingendienst gesignaleerd als voorzitter van de Inetrnationale Anti-Militaristische Vereniging (IAMV) en daarom geplaatst op de lijst van links-extremistische personen. Het ontging de Inlichtingendienst dat het om een infiltrant ging. Opvallend is dat hij als infiltrant voorzitter kon worden.
Van 1933 tot 1940 had hij de leiding over de In 1933 werd de geheime dienst van de Liberale Staatspartij opgericht. Deze particuliere geheime dienst werd door de regering gesubsidieerd. Citroen had van 1933 tot 1940 de leiding over deze geheime dienst. Hij werkte daarbij samen met respectievelijk het hoofd kapitein Tiete Solke Rooseboom van de Centrale Inlichtingendienst, de chef van de Amsterdamse Politie Inlichtingendienst Karel Broekhoff, de chef van de Haagse Politie Inlichtingendienst Johannes Amiabel en diens ondergeschikte Johannes Veefkind en de leider van de Algemeene Nederlandsche Fascisten Bond Jan Baars. Deze geheime dienst is een voorloper van de naoorlogse criminele organisatie SOAN en de met buitenlandse fascistische terreurgroepen samenwerkende organisatie Operatiën & Inlichtingen. De geheime dienst van de LSP verrichtte inbraken en verduisteringen bij politieke opponenten, waartoe ook de NSB werd gerekend.
In de jaren dertig werden bij hem vanwege zijn publieke politieke activiteiten de ruiten ingegooid. In de meidagen van 1940 zag hij kans om naar Engeland te ontkomen. Na de oorlog spande hij zich in om gratie te verkrijgen voor de martelbeul van de Haagse Politie Inlichtingendienst en NSB’er Johannes Veefkind.



Hendrik Philippus Clasie
Amsterdam 9 maart 1897, Neuengamme 4 april 1945
(zijn CABR-dossier heb ik maar ten dele bestudeerd, zodat sommige wandaden hier niet beschreven worden)
Hij werkte tot vlak voor oorlog bij de politie in Schiedam. Hij werd commissaris over de Haagse Bestuurspolitie, en gedurende een deel van de oorlog plaatsvervangend hoofdcommissaris in Den Haag. In die laatste functie onderhield hij goede contacten met de Duitse spion Protze en stond toe dat diverse politiemannen voor Protze allerlei spionageactiviteiten verrichtten. Hij werd in september 1944 na Dolle Dinsdag vermoedelijk vanwege defaitisme gearresteerd en kwam op 4 april 1945 in Neuengamme om het leven.

Johann Gottlieb Crabbendam
Amsterdam 16 augustus 1898, Den Haag 19 juni 1974
(Het zuiveringsdossier en het dossier van de Bijzondere Rechtspleging zijn verdwenen, waarschijnlijk gaf Crabbendam in zijn functie van hoofd van sectie B van het Bureau Nationale Veiligheid opdracht om ze te verduisteren; daar zijn aanwijzingen voor. Daardoor zijn verreweg de meeste van zijn wandaden onbekend)

Crabbendam (met wit haar) bij de arrestatie van Mussert (met hoed)

Crabbendam kwam in 1920 bij de Haagse Gemeentepolitie. Hij was werkzaam bij de Verkeerspolitie. In die functie stuurde hij een ingezonden stuk naar een krant, waarin hij stelde dat voetgangers verplicht zouden moeten worden om op het trottoir aan de rechterkant van de straat te lopen. Het geeft inzicht in zijn rechtlijnig denken en het idee dat burgers absolute gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan een alles strikt regelende staat. Die instelling paste goed bij zijn lidmaatschap van het Theosofisch Genootschap en van de Vrijmetselarij. Die club eiste absolute geheimhouding en absolute gehoorzaamheid.
In 1927 solliciteerde hij naar de functie van commissaris van politie in Paramaribo, maar werd niet aangenomen. In 1929 kwam hij bij de brandweer en gaf daarbij leiding aan het blussen van de enorme brand in het stadhuis van Leiden.
Hij nam op 1 november 1929 ontslag en hij ging bij de bij de bevoorrading van schepen bij het scheepvaartbedrijf KPM werken. Terwijl hij in dienst bij de KPM bleef maakte vertrok hij op 20 mei 1930 als passagier met het KPM-schip Johan de Witt naar Nederlands-Indië. Na aankomst keerde hij vrijwel onmiddellijk daarop met het schip Johan van Oldenbarnevelt weer terug naar Nederland. Hij was op 29 oktober weer terug in Amsterdam en werd per 1 november met een paar extra periodieken weer bij de Haagse politie aangesteld.
In 1931 trouwde hij met zijn bijna negen jaar oudere gescheiden buurvrouw Marie Antoinette Pex. Het huwelijk bleef kinderloos. Later kreeg hij naast zijn huwelijk een relatie met Cornelia Plesman die in de Javastraat 128 woonde.
Hij werd binnen de afdeling Generale Controle onder commissaris Rugers een soort persoonlijke assistent van hoofdcommissaris François van ’t Sant en werd diens vertrouweling. Hij kreeg uitstekende beoordelingen van de hoofdcommissaris en werd in 1932 naar de rang inspecteur eerste klasse bevorderd, onmiddellijk na het behalen van het daarvoor vereiste politiediploma. Hij solliciteerde In 1935, na het gedwongen vertrek van Van ‘t Sant, naar de functie van politie in Schiedam, maar ook daar werd hij niet aangesteld.
Van ’t Sant werd als hoofdcommissaris opgevolgd door Nicolaas van der Meij. Crabbendam kwam in conflict met hem en werd weggewerkt naar eerst de Justitieelen Dienst overgeplaatst en vervolgens naar de Algemeenen Dienst. In september 1939 moest hij vanwege de mobilisatie in militaire dienst, wat erop wijst dat de hoofdcommissaris hem goed misbaar achtte. Na de capitulatie van het Nederlandse leger keerde hij terug bij de Haagse politie op de afdeling Secretariaat.
Begin september 1940 vonden er relletjes plaats ten gevolge van provocaties door marcherende WA’ers. Daarbij zag een politieman zich gedwongen te schieten, waarbij het WA-lid Peter Ton dodelijk werd getroffen. Het incident werd door de Duitsers aangegrepen om hoofdcommissaris Van der Meij tot zondebok te verklaren en hem bij wijze van voorbeeld af te zetten. In plaats daarvan werd de NSB’er Petrus Hamer aan te stellen. Hamer stelde bijna onmiddellijk daarop Crabbendam aan bij zijn secretariaat. Daarbij stelde Hamer vast dat Crabbendam door zijn voorganger onredelijk was behandeld. Zo hoopte Hamer kennelijk een uiterst loyaal figuur aan zich te binden.
Begin november 1940 werd Crabbendam aangesteld als chef van de Politie Inlichtingendienst, waardoor hij feitelijk voor de Sicherheitsdienst ging werken. Op 25 november 1941 werd de Documentatiedienst opgericht. De Inlichtingendienst ging daar deel van uitmaken. Vrijwel het volledige personeel van de voormalige Inlichtingendienst ging naar de Documentatiedienst over. Als tijdelijk chef van de Documentatiedienst stelde Hamer Crabbendam aan. Hij kreeg een soort bevordering tot ‘inspecteur die een commissaris vervangt’. Voor de oorlog was het gebruikelijk dat de politie-infiltrant Van Soolingen aan de chef van de Inlichtingendienst werd voorgesteld; daarmee lijkt het zeer waarschijnlijk dat hij ook aan Crabbendam werd voorgesteld, zodat Crabbendam goed op de hoogte moet zijn geweest van de dodelijke activiteiten.

Bekendmaking van de oprichting van de Haagse Documentatiedienst met Crabbendam als chef. Volgens staatsgeschiedschrijver Lou de Jong werd de Documentatiedienst op 1 januari 1941 opgericht met een zekere C. Simon als chef. [Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 5, blz. 465]

Alhoewel Crabbendam al sinds oktober 1940 voor de Haagse Politie Inlichtingendienst werkte, was hij volgens deze bekendmaking formeel nog verbonden aan het Secretariaat. Behalve Crabbendam kwamen van de hier genoemden na de oorlog bij de BVD werken: Van Laere, Gestapo-man Van der Ploeg, Sicherheitsdienstman Eckhart, Gros en SS’er van Dijk (alle 5 werkten voor de oorlog voor de Haagse Politie Inlichtingendienst). Geschiedvervalsers proberen dit te verzwijgen, omdat Crabbendam later de zeer hoge functie van hoofd bestrijding communisme bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst ging vervullen. Volgens Lou de Jong werd de Documentatiedienst per 1 januari 1941 opgericht met Simon als chef en volgens de geschiedvervalsende BVD- en AIVD-historicus Dick Engelen werkte Crabbendam niet tijdens, maar voor de oorlog bij de bestrijding van het communisme.

Laan Copes van Cattenburch 6 (nu Burgemeester Van Karnebeeklaan 6), de ingang van eerst de Haagse Politie Inlichtingendienst en vervolgens Documentatiedienst. Op 12 augustus 1941 werden hier de communistische verzetsmensen eerst binnen gevoerd en geregistreerd, voordat ze naar het Oranjehotel werden afgevoerd. De meesten zouden om het leven komen. Vanaf zomer 1942 werd van hieruit de deportatie van de Haagse Joden geregeld, wat meer dan 10.000 mensen het leven zou kosten. Men kan het de toegangspoort tot de hel noemen.


Crabbendam gaf leiding bij het opsporen van verzetsgroepen als de communisten, de Stijkelgroep en De Geuzen. Hij liet twee rechercheurs, waarbij een NSB-er, een schrobbering geven toen die het nut niet inzagen een Engelsgezinde marechaussee te arresteren en stuurde ze terug om het alsnog te doen.
Op 7 januari werd George Elders gearresteerd, waarna leden van de Documentatiedienst hem verhoren. Hij was lid van de anti-Duitse groepering De Geuzen (dit was een andere organisatie dan de gelijknamige verzetsorganisatie). Crabbendam laat hem aan de Sicherheitsdienst overdragen, die hem na twee weken vrijlaat. Toch heeft dit de dood van Elders veroorzaakt, want op 30 juli werd hij op straat herkend door Anton van der Waals, die al in januari 1941 voor de Sicherheitsdienst werkte en die arresteerde hem. Van der Waals hield een Duitse auto aan en leverde hem op het Binnenhof af. Daar vluchtte Elders en die werd toen door Van der Waals doodgeschoten.
In februari 1941 werden onder zijn leiding door Inlichtingendienstman Eckhardt minstens vier rapportjes over politieke activiteiten door communisten opgesteld. De inlichtingen waren afkomstig van informanten. Het toont aan dat onder leiding van Crabbendam het communistisch verzet ten behoeve van de Sicherheitsdienst bespioneerd werd. Deze activiteit werd in 1945 een aanbeveling om aangesteld te worden bij de afdeling bestrijding communisme van het Bureau Nationale Veiligheid, welke functie in 1948 werd omgezet in een soortgelijke functie bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst.
Hij werd officieel per 3 april, maar vermoedelijk pas effectief op 23 juni 1941 overgeplaatst naar de Justitieelen Dienst. Hij werd per februari 1943 bevorderd tot hoofdinspecteur. Deze overplaatsing viel samen met de Duitse opdracht dat het Theosofisch Genootschap net zo als de Vrijmetselarij moest worden ontbonden: het waren geheime genootschappen die buiten de waarneming van de Duitsers vielen en daarmee voor hen bedreigend. Daarbij moesten de ondergeschikten Van Crabbendam het Genootschap waar hun chef Crabbendam een bestuursfunctie bij bekleedde ontmantelen en eventuele tegenstribbelden leden van het Genootschap arresteren. Voor de Duitsers was Crabbendam als prominent lid van het Theosofisch Genootschap door de gedwongen ontbinding een potentieel anti-Duits persoon geworden en daarmee onaanvaardbaar bij de Documentatiedienst.
Aan het eind van de oorlog haalde hij de personen op uit de gevangenis (meestal kleine criminelen), die door plaatsvervangend hoofdcommissaris Valken aangewezen waren om bij wijze van represaille gefusilleerd te worden.
Hij had direct na de Duitse capitulatie de leiding over de arrestatieploegen die NSB’ers arresteerden en was persoonlijk aanwezig bij de arrestatie van Anton Mussert. Hij werd de plaatsvervanger van de waarnemend hoofdcommissaris Valken.
De directeur van het Bureau Nationale Veiligheid beval (BNV) Crabbendam aan voor de positie van hoofd sectie B van het BNV, dat de communisten moest gaan registreren en volgen. Als argument suggereerde hij dat Crabbendam dit werk al eerder had gedaan, zonder dat letterlijk te beweren. Maar Einthoven vermeldde daar niet bij dat de ervaring door Crabbendam alleen was opgedaan ten behoeve van de Sicherheitsdienst, wat zestig Haagse communisten het leven had gekost. Crabbendam moest wel aangeven wat voor verzetswerk hij had gedaan; het enige wat hij vermeld was dat hij in het vroege voorjaar zo moedig was geweest om stiekem op een kamertje lijsten van te arresteren NSB’ers had opgesteld. Dat hij zo moedig was geweest zestig communisten de dood in te jagen vermeldde hij niet.

De brief van Einthoven bijlage met de suggestie dat Crabbendam eerder jacht op communisten had gedaan. Hierop baseren luie en liegende historici dat Crabbendam voor de oorlog voor de Inlichtingendienst werkte, terwijl hij in werkelijkheid alleen tijdens de oorlog voor de Sicherheitsdienst communisten opspoorde. Bij het nauwkeurig juridisch lezen van de brief zie je dat Einthoven op geraffineerde wijze helemaal niet beweert dat Crabbendam voor de oorlog bij de Inlichtingendienst werkte, maar dat hij alleen voorkeur heeft voor iemand die dat wel gedaan heeft. Einthoven probeert hier op geraffineerde wijze de lezers op het verkeerde been te zetten, zonder expliciet te liegen.
Bijlage bij de aanbevelingsbrief voor Crabbendam.

Bij het lezen van de bijlage bij de aanbevelingsbrief van Einthoven, dient men zich te realiseren dat, ondanks de valse bewering van de AIVD-medewerker Dick Engelen, Crabbendam voor de oorlog nooit voor de Inlichtingendienst heeft gewerkt en pas in oktober 1940 met Duitse instemming daarbij benoemd is en toen leiding ging geven bij de bestrijding van het communistisch verzet wat 98 mensen het leven zou kosten. Ondanks zijn suggestie in de brief dat Crabbendam voor de oorlog voor de Inlichtingendienst gewerkt zou hebben, durft Einthoven voorzichtigheidshalve deze valse bewering niet in deze bijlage met diens antecedenten op papier te zetten. (Einthoven is hoofd van de geheime dienst en heeft daarmee veel vijanden: met valsheid in geschrifte zou hij zich kwetsbaar maken) Als Crabbendam echt voor de oorlog bij de Inlichtingendienst gewerkt zou hebben, dan zou Einthoven dat zeker bij diens antecedenten vermeld hebben. Einthoven en de latere BVD en AIVD wilden verhullen dat Crabbendam een Gestapo-medewerker was, omdat het tot problemen kon leiden als dat uitkwam.
Verder staat er nog en manipulatie van de feiten in. Einthoven wekt de suggestie dat Crabbendam voor de oorlog benoemd werd tot ‘inspecteur die een commissaris vervangt’. Door de zin in de verkeerde chronologische volgorde te zetten wordt de indruk gewekt dat dat voor de oorlog was en dat hij zielig was. In werkelijkheid was Crabbendam voor de oorlog nooit benoemd tot ‘inspecteur die een commissaris vervangt’, want hij lag bij hoofdcommissaris Van der Meij uit de gratie. Pas bij zijn aanstelling met Duitse instemming bij de Documentatiedienst werd hij ‘inspecteur die een commissaris vervangt’ in afwachting van een nieuwe chef bij de Documentatiedienst die wel commissaris zou worden. Na zijn overplaatsing in mei 1941 naar de Justitieelen Dienst werd hij opnieuw benoemd tot ‘inspecteur die een commissaris vervangt’.
Deze brief van Einthoven bevat dus geen leugens, maar manipulaties zodat een verkeerde indruk wordt gewekt en op het verkeerde been wordt gezet. Het waren juist de Duitsers die hem, weliswaar zonder formele bevordering, in oktober 1940 in een positie met een hogere status lieten benoemen. De zieligdoenerij van Einthoven was dus volkomen onterecht.
In 1945 werd zijn half-Joodse buurman gearresteerd, omdat men hem voor de beruchte massamoordenaar Friedrich Frank van de contraspionage aanzag. Crabbendam had tijdens de oorlog vaak bij hem gegeten, maar toen die vanwege zijn Joodse achtergrond hulp nodig had hij geweigerd die te geven. Crabbendam wist dus heel goed dat de verkeerde gearresteerd was, maar weigerde voor zijn vrijlating te zorgen. De reden was dat men de jacht op Friedrich Frank niet opnieuw wilde starten. Emil Frank werd in de gevangenis verschillende malen aan diverse personen getoond, om te laten zien dat men de oorlogsmisdadiger en massamoordenaar Friedrich Frank te pakken had. Zo bleef Emil Frank een jaar lang onschuldig gevangen zitten.
Als hoofd van sectie B trok Crabbendam als staf een reeks lieden aan die voord de Sicherheitsdienst dood en verderf onder vooral communisten, maar ook andere verzetsgroepen gezaaid hadden. Daarbij waren Anne van der Ploeg die voor de Duitse contraspionage had gewerkt en een van de belangrijkste figuren bij de massamoord op de Haagse communisten was geweest en Johannes Eckhardt die anderhalf jaar dood en verder gezaaid had door zijn activiteiten voor de treincontrole, lijsten had samengesteld van communisten die vermoord moesten worden en die meegeholpen had ondergedoken Joden op te sporen voor deportatie naar Polen.
In 1945 begon hij met het achterhalen van de communisten die de concentratiekampen hadden overleefd en vroeg aan de burgemeesters of er op de meegezonden lijst van naar concentratiekampen gezonden communisten personen stonden die zich na de bevrijding in hun gemeente gevestigd hadden. Hij liet daarbij merken dat hij het uiterst kwalijk vond dat ze verzet tegen de Duitsers hadden gepleegd. Op 15 januari 46 schreef hij een brief aan korpschefs de van Den Haag, Amsterdam, Utrecht, Haarlem om communisten op te sporen met de volgende zinsnede: ‘Volgens een bij mij ingekomen bericht zouden de volgende personen zich gedurende de bezettingstijd, doch vooral in de jaren 1940/41 hebben bezig gehouden met het verspreiden van het blad “De Waarheid”, terwijl zij tevens als illegale werkers voor de CPN moeten worden beschouwd.’ Hiermee is duidelijk aangetoond dat de politieautoriteiten vlak na de oorlog alweer het plegen van verzet tegen de Duitse bezetter als een uiterst kwalijke zaak beschouwden.
Hij liet een lijst van 8.000 communisten opstellen, die gearresteerd moesten worden als er oorlog met de Sovjet-Unie zou ontstaan. Vanwege het kostenperspectief werd die lijst later tot 2.000 gereduceerd. Hieraan kun je zien dat het een ander doel had. Als er oorlog met de Sovjet-Unie zou uitbreken, heb je je hele politiemacht nodig om de orde te bewaren en dan kun je niet 16.000 politiemannen vrijmaken om communisten te arresteren. En in geval van oorlog doen de kosten er toch niet meer toe, dan confisqueer je alles wat nodig is. Daarom waren de lijsten bestemd om meteen, dus zonder oorlog, de communistische verzetsmensen te arresteren en in concentratiekampen op te sluiten. Dan zou men mooi de geliefde NSB’ers vrij kunnen laten om plaats te maken voor communisten.
Onder zijn leiding werden behalve Indonesiërs ook Surinamers nauwkeurig in de gaten gehouden. In een brief van 3 juli 1946 van het bureau van Crabbendam werd de volgende walgelijke racistische zin geschreven: ‘A.C. Sunker van Surinaamse vereniging, “qua origine Britsch-Indiër”, is belangrijk intelligenter dan doorsnee Surinamer.’ Hiermee is duidelijk aangetoond dat het bureau van Crabbendam, de voorloper van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, een racistische en fascistische instelling was. Hij was de contactman tussen de BVD en SOAN. Hij was betrokken bij het corruptieschandaal rond burgemeester Visser om geld ten behoeve van een schatrijke NSB’er Nederland binnen te smokkelen en legde tijdens de rechtszaak tegen Visser daarover achter gesloten deuren een verklaring af.
Hij schreef in 1948 een brief waarin de uitermate laffe bewering gedaan werd dat superieuren die misdadige bevelen gaven onschuldig waren, maar dat ondergeschikten die ze uitvoerden wel schuldig waren. Daarbij moet bedacht worden dat ondergeschikten die weigerden bevelen uit te voeren door de superieuren bestraft werden, met in het uiterste geval uitlevering aan de Sicherheitsdienst die ze dan naar een concentratiekamp kon sturen. De toen tot hoofdcommissaris bevorderde Valken medeondertekende die brief.
Hij was vrijwel zeker betrokken bij Van Soolingens frauduleuze vrijlating. Terwijl hij vanuit zijn functie officieel niets met Van Soolingen te maken had, vroeg hij in 1948 diens strafprocesdossiers op. De vermoedelijke reden was dat hij bezwarende informatie tegenover zichzelf en enkele van zijn Gestapo-ondergeschikten wilde verwijderen. In het strafdossier ontbreken nu veel documenten die er normaliter wel ingezeten moeten hebben.

Het briefje waarin Crabbendam het dossier van Van Soolingen opvroeg.

Hij werkte in 1950 samen met de Gestapo-agent Pierre Sweerts, die tijdens de oorlog een opleiding tot geheim agent bij de Duitse contraspionage had genoten en vanwege betrokkenheid bij een massamoord in België ter dood was veroordeeld.
Zijn personeelsdossier bij de Haagse politie werd op enig moment grotendeels leeggehaald. Onder andere verdwenen de negatieve beoordelingen van voor de oorlog, de aantekeningen van zijn aanstellingen tijdens de oorlog en het naoorlogse zuiveringsrapport. In plaats daarvan werd een personeelskaart uit het leger toegevoegd van een naamgenoot. Bij een vluchtige beschouwing valt niet op dat het om een andere persoon gaat, maar de geboortedatum maakt het duidelijk. De enige instantie die bij machte was een personeelskaart van het leger in een gemeentepolitiedossier te stoppen was de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Er viel duidelijk iets zwaarwegends te verbergen.

De personeelskaart uit het leger aanwezig in het personeelsdossier van Johann Gottlieb Crabbendam bij de Haagse gemeentepolitie. Let op de afwijkende geboortedatum.

Hij werd per 1 september 1963 eervol ontslagen en vertrok naar de Verenigde Staten waar hij zich wijdde aan de Theosophical Society. Hij werd in de jaren zestig door een Amerikaanse onderzoekscommissie naar aanleiding van de moord op Robert Kennedy gehoord over de activiteiten van het Theosofisch Genootschap. Zijn eerste vrouw overleed in 1969 en hij trouwde daar opnieuw met de Amerikaanse Jean B. Vaughan die lid was van de Theosophical Society.
Hij keerde met zijn nieuwe vrouw weer terug naar Nederland en ging weer in zijn Haagse woning wonen die hij kennelijk had aangehouden.
Ondanks dat hij indirect meer dan honderd doden communistische verzetsmensen had veroorzaakt en leiding had gegeven bij het arresteren van de Stijkelgroep met 30 doden als gevolg, komt zijn naam niet voor in de werken van Lou de Jong. Op een plek waar zijn naam had moeten staan, werd die door een andere vervangen.

Mr. dr. Laurentius Nicolaas Deckers
Heese 14 februari 1883, Den Haag 1 januari 1978
Hij was van 1929 tot 1935 namens de Rooms Katholieke Staatspartij (RKSP) minister van Defensie, vervolgens tot 1937 minister van Landbouw en Visserij. Hij was vanaf 1937 tot 1946 fractievoorzitter van de RKSP, resp. Katholieke Volkspartij (KVP), in de Tweede Kamer.
Hij was verantwoordelijk voor het bombarderen in 1933 van het schip de kruiser Zeven Provinciën, waarop een muiterij gaande was uit protest tegen de herhaalde salarisverlagingen. Er vielen daardoor 23 doden. Hij verbood in 1933 aan militairen het lidmaatschap van linkse partijen, waar ook de SDAP onder viel, en van de vakbond NVV. Het lidmaatschap van fascistische partijen vormde voor hem geen enkel probleem.
Hij was lid van het erecomité van de vereniging Union Nordique, waarvan Fritz Mucke directeur was. Het doel van de vereniging was het bevorderen van de handel tussen de kleine Noord-Europese landen door het organiseren van tentoonstellingen en congressen.
Hij werd op 7 oktober 1940 gearresteerd om als gijzelaar naar Buchenwald gestuurd te worden, waar hij twee dagen later aankwam. Als reden voor de gijzeling werd vastgelegd: ‘Als Geisel wegen Behandlung der internierten Reichsdeutschen in den Aussenbesitzungen der Niederlande’. In tegenstelling tot de andere gijzelaars werd hij al binnen een maand, op 7 november, weer vrijgelaten.
Hij was tijdens de oorlog commissaris van de bedrijven ABEX, Sprietlaeck en Nassaulaan van Zwolsman, bedrijven die handelden in onrechtmatig verkregen Joods onroerend goed. Hij participeerde actief in de handel van onroerend goed door het bedrijf.
Hij was vlak voor de oorlog en van december 1945 tot april 1946 voorzitter van de RKSP-fractie in de Tweede Kamer. Hij bekleedde na de oorlog een leidinggevende positie in de criminele particuliere geheime dienst SOAN. Na de oorlog werd hij lid van de Raad van State.

Johan van Delft
Naaldwijk 20 maart 1898, Rotterdam 27 oktober 1955
(zijn CABR-dossier heb ik maar voor een klein deel bestudeerd, zodat de meeste van zijn wandaden hier niet beschreven worden)
Hij was politieman in Rotterdam. Hij was een van de vier politiemannen die geroepen werden bij het lichaam van Sally Dormits, die op een politiebureau zelfmoord had gepleegd. Hij was actief betrokken bij de opsporing en arrestatie van leden van de Nederlandse Volks Militie (NVM). Hij werkte nauw samen met de Sicherheitsdienst. Zijn activiteiten leidden tot de dood van tientallen Joden en communisten. Hij observeerde in Den Haag bij station Hollands Spoor een ontmoeting tussen de neven Hendrik en Caspar Speksnijder. Bij de arrestatie ontstond een worsteling, waarbij de Duitse SD’er Hoffmann de kaak van de op de grond liggende Hendrik kapot trapte. Beide neven zijn om het leven gekomen. Hij deed mee aan een door de Sicherheitsdienst aangeboden vreet- en zuipfestijn om de dood van gearresteerde Joden en communisten te vieren. Hij werd vanwege zijn bijdrage aan de massa-arrestaties van leden van de NVM bevorderd.
Hij bleef na de oorlog in dienst van de Rotterdamse politie.

Abraham van Dijk
Westhem 16 januari 1899, Den Haag 23 augustus 1984
Hij werkte vanaf 1926 of eerder voor de oorlog bij de Haagse Politie Inlichtingendienst. Ook volgens de historicus Frans Kluiters was hij een agent van de Duitse Abwehr (contraspionage). [http://docplayer.nl/48618979-Abw-b03-adressen-1-bijlage-3-adressen.html]
Hij wierf in 1934 de NSB’er en Duitse spion Boegheim als informant voor de Inlichtingendienst.
Hij werd in augustus 1940 lid van de SS en een paar maanden later van de NSB-organisatie Rechtsfront. Hij was vanaf augustus 1940 een van de leden van het ontvangstcomité bij het Englandspiel, dat met Britse vliegtuigen gedropte Nederlandse geheime agenten opving en aan de Sicherheitsdienst uitleverde.
Hij werkte van begin af aan bij de Documentatiedienst. Hij werkte tijdens de oorlog ten nadele van de Nederlandse belangen mee aan de Duitse contraspionage en de spionageactiviteiten door de Duitse groep Stelle P van de spion Protze. Hij was betrokken bij de inbraak in een archief van het Ministerie van Oorlog om geheime documenten buit te maken en aan Protze te overhandigen. Veder was hij betrokken bij het smokkelen van Duitse spionnen langs een door de Duitsers geïnfiltreerde pilotenlijn (waarlangs het verzet neergehaalde piloten terug naar Engeland smokkelde). Hij werd per 1 januari 1943 bevorderd vanwege zijn goede onderzoeksresultaten voor de Duitse contraspionage en in februari 1943 werd hij opnieuw voor bevordering voorgedragen. Ook de spionne Dolly Peekema-Dibbets kreeg haar opdrachten van Protze via Van Dijk doorgespeeld en ze moest ook via hem terug rapporteren. Omstreeks 1943 / 1944 werd in het Signalementenblad van het verzet gewaarschuwd voor Van Dijk.
De historicus Frans Kluiters schrijft over de spion Van Dijk, dat die tot 1941 voor Protze gewerkt zou hebben en vervolgens vanwege religieuze redenen van verdere medewerking had afgezien, iets wat Protze geaccepteerd zou hebben. Echter het Documentatiedienstlid Cornelis Leemhuis, die ook voor Protze werkzaam was, verklaarde in 1947 dat Van Dijk minstens tot medio 1943 voor Protze heeft gewerkt. Na de oorlog verklaarde de Duitse spionagechef Joseph Schreieder dat Van Dijk een V-Mann voor de Abwehr (contraspionage) was.
In 1944 werkte hij voor een Einsatzkommando in Assen.
Na de oorlog zou hem het Nederlanderschap afgenomen hebben moeten worden, omdat hij door zijn lidmaatschap van de SS in vreemde krijgsdienst was getreden; maar deze wetsregel gold alleen voor communisten die het fascisme bestreden en niet voor landverraders die als Gestapo-agent in dienst van de vijand waren getreden. Kort na de bevrijding werd hij speciaal rechercheur bij de koningin, hij kreeg toen een Koninklijke onderscheiding. Hij claimde na de oorlog dat hij met Crabbendam omstreeks juli 1940 overleg had gevoerd om lid te worden van de SS. Dit is buitengewoon ongeloofwaardig, omdat Crabbendam toen geen bemoeienis met de Inlichtingendienst had en Crabbendam vanwege zijn ruzie met de hoofdcommissaris in het verdomhoekje zat. Maar Crabbendam had zich na de oorlog wel in een machtspositie gemanoeuvreerd, zodat zijn bevestiging zeer nuttig was om een strafvervolging wegens zwaar landverraad te ontlopen.
Toen de infiltrant Van Soolingen na de oorlog in de gevangenis zat, werd hij daar door leden van de Inlichtingendienst opgezocht en werd hem te verstaan gegeven dat hij tijdens verhoren niet de naam van Van Dijk mocht noemen. Hier gaat de suggestie van uit dat Van Dijk ook betrokken was bij de infiltratie van Van Soolingen in de ondergrondse CPN, welke infiltratie meer dan 100 communistische verzetsmensen het leven heeft gekost.
Hij werkte na de oorlog tot aan zijn pensionering voor de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Bij de BVD was hij een collega van de vader van Theo van Gogh, die hem ‘Brammetje’ noemde.
Hij vroeg omstreeks 1987 een verzetspensioen aan bij de Stichting 1940-1945.

Berend Jan Doornebos
Deventer 5 augustus 1894
Hij was formeel van september 1940 tot november 1944 chauffeur bij de Sicherheitsdienst, was gewapend en droeg gewoonlijk een Duits uniform. Hij wilde lid van de Nederlandse Germaanse SS worden, maar werd vanwege zijn te geringe lengte afgewezen. Hij was een V-Mann voor de Sicherheitsdienst. Hij zette het betrappen van de communist Jan Montfoort op het verspreiden van het blaadje De Vonk in scene, wat leidde tot de arrestatie van vier communisten eind april 1941. Hij ging als vrijwilliger naar het bezette deel van de Sovjet-Unie om daar Sicherheitsdiensttaken in Riga en Minsk te verrichten. Hij behoorde tot de ingewijden die wisten wat er speelde bij het ontvangstcomité bij het Englandspiel. Hij werd in cassatie tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld en kwam in 1950 vrij.


Willem Drees
Amsterdam 5 juli 1886, Den Haag 14 mei 1988
(Ik vermeld hem hier vanwege zijn contacten in maart 1945 met de Duitse contraspionage in Den Haag, voor een goede biografie verwijs ik naar de uitgebreide literatuur over hem)
Hij was oorspronkelijk van beroep stenograaf bij de Staten-Generaal. Hij was lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), die in 1946 omgedoopt werd in Partij van de Arbeid (PvdA). Hij was van 1919 tot 1931 in Den Haag wethouder van Sociale Zaken en vervolgens tot 1933 van Financiën en Openbare Werken. Verder was hij van 1919 tot 1941 lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en van 1933 tot 1940 lid van de Tweede Kamer. Hij was na de oorlog van 1945 tot 1948 minister van Sociale Zaken en van 1948 tot 1958 minister-president.
Hij zat van 7 oktober 1940 tot 7 oktober 1941 als gijzelaar geïnterneerd in Buchenwald (aankomst in Buchenwald op 9 oktober), waarna hij werd vrijgelaten wegens een maagkwaal. Als reden voor de gijzeling werd vastgelegd: ‘Als Geisel wegen Behandlung der internierten Reichsdeutschen in den Aussenbesitzungen der Niederlande’. De internering was een milde vorm van vrijheidsberoving, die niets met de concentratiekampomstandigheden te maken had: de geïnterneerden kregen voldoende voedsel, werden niet mishandeld, hadden weinig kans om besmettelijke ziekten op te lopen en hoefden geen dwangarbeid te verrichten. Ze brachten hun tijd vooral door met praten en lezen. Wel konden ze zo nu en dan mishandelingen van uitgemergelde gevangen waarnemen. In mei 1942 zat hij ook nog een week geïnterneerd in St. Michielsgestel, waarna hij vanwege zijn gezondheid weer werd vrijgelaten.
In maart 1945 stuurde de V-Mann van de Sicherheitsdienst Reinder Zwolsman zijn chauffeur Gerrit Rodermond op pad om Drees, de voormalige secretaris-generaal van Justitie Jan Tenkink en het voormalige hoofd van respectievelijk de marechaussee en onder de Duitse bezetting van politie August de Koningh van huis af te halen Zwolsman werkte als V-Mann voor het Sonderkommando Frank, dat onderdeel was van de Duitse contraspionage in Nederland die onder leiding van Joseph Schreieder stond. Ze moesten naar het hoofdkwartier van Rauter aan het Plein in Den Haag gebracht worden. Daar voerde Zwolsman besprekingen met hen. Volgens een naoorlogse verklaring van Drees ging het over de voedselvoorziening. Mijns inziens is dit ongeloofwaardig, aangezien geen van deze personen iets met de voedselvoorziening te maken had.
Tenkink en De Koningh waren beiden voormalige politiefunctionarissen die nauw met de Duitse bezetter hadden samengewerkt, onder andere bij de bestrijding van het communisme. Zwolsman had als relatief onbelangrijk persoon geen enkele bevoegdheid om namens de Duitsers onderhandelingen of besprekingen te voeren met personen waarvan verwacht werd dat ze na de oorlog een in Nederland een topfunctie zouden gaan vervullen. Waarschijnlijker is dat Joseph Schreieder bij de besprekingen aanwezig was en dat de besprekingen over anticommunistische acties na de oorlog gingen; ook Drees had een rabiaat anticommunistische instelling. Schreieder was toen volop bezig met de operatie Werwolf, waarbij een samenwerking tussen Duitse, Britse en Nederlandse geheime diensten gesmeed werd om na de oorlog het communisme te bestrijden. Deze operatie zou na de oorlog leiden tot de criminele inlichtingendienst SOAN en toen die door grote schandalen opgeheven moest worden tot de Gladio-organisatie Operatiën en Inlichtingen.

Willem Hendrik van Duivenboden (de bult, de kromme)
Den Haag 26 augustus 1911
(zijn CABR-dossier heb ik maar ten dele bestudeerd, zodat veel wandaden hier niet beschreven worden)
Hij werd op 29 maart 1933 lid van de NSB met stamboeknummer 1953. Hij werd voor de oorlog politie-infiltrant binnen de CPN.
Hij had rossig haar. Hij werd in 1938 uit militaire dienst ontslagen wegens een rugkwaal, die in een bochel resulteerde. Zijn bijnamen werden daardoor ‘de bult’ en ‘de kromme’.
Hij werd tolk binnen de Sicherheitsdienst en werkte vooral voor Ernst Knorr en Otto Lange. Hij deed mee met veel arrestatieacties en huiszoekingen. Hij mishandelde en martelde gevangenen ernstig, soms tot blijvende invaliditeit volgde. Hij deed meerdere pogingen om Gerrit Kastein op zijn huisadres te arresteren. Hij was betrokken bij de Duitse acties in verband met het Englandspiel. Als V-Mann gebruikte hij de naam Pieck.
Begin 1942 zat hij een maand gevangen in het Oranjehotel en kamp Amersfoort wegens het op de zwarte markt verkopen van echte koffie, die werknemers van de Sicherheitsdienst voor een gering bedrag kon aanschaffen. Hij werd uit dienst van de Sicherheitsdienst ontslagen, maar in november 1943 weer aangenomen.
Op 2 maart 1945 was hij aanwezig bij de executie in Varsseveld van zesenveertig gevangenen, hij moest van de Duitsers per groep van twaalf man de mededeling vertalen dat ze binnen enkele ogenblikken doodgeschoten zouden worden. De represaille-executie vond plaats vanwege een aanslag enkele dagen eerder op een Wehrmacht-auto, waarin vier militairen de dood vonden.
Na de oorlog werd hij veroordeeld tot achttien jaar gevangenisstraf.

Johannes Gerardus Hendricus Eckhardt
Den Haag 5 januari 1906
Hij kwam al ver voor de oorlog bij de Haagse Gemeentepolitie. Hij kwam in 1935 bij de Haagse Politie Inlichtingendienst.
Tijdens de bezetting maakte hij van begin af aan deel uit van de Documentatiedienst in een soort onderchefpositie, waar hij ten behoeve van de Sicherheitsdienst werkte. Volgens meerdere getuigenverklaringen was hij lid van de NSB en had een NSB-insigne gedragen.
Hij liquideerde de politieke partij RSAP. Hij stelde in februari 1941 rapportjes over politieke activiteiten door communisten op, gebaseerd op mededelingen van informanten.

Een van de minstens vier door Eckhardt opgestelde rapportjes over politieke activiteiten door communisten.

Hij verzamelde eind juni 1941 de gegevens die van de burgemeesters in de Haagse regio binnen kwamen voor de zogenoemde communistische functionarissenarrestaties door de Sicherheitsdienst naar aanleiding van de inval in de Sovjet-Unie; arrestaties die tot de dood van tientallen communisten leidden.
Eckhardt leverde in 1941 zeven personen, die anti-Duitse propaganda hadden gevoerd, uit aan de Sicherheitsdienst. Daarvan zijn Johannes Karel Jozef Hoffmann en Jan Prent in kamp Amersfoort om het leven gekomen. Ook leverde hij in 1942 de binnenhuisarchitect Bastiaan Johannes van Pelt, die geen lid van de Kulturkammer was geworden, uit aan de Sicherheitsdienst; Van Pelt overleed vlak na de oorlog in Duitsland aan de gevolgen van zijn gevangenschap. Hij werd in het najaar van 142 betrokken bij het opsporen van ondergedoken Joden, die zich niet voor deportatie naar Polen hadden gemeld. Een arrestant maakte er na de oorlog melding van dat hij Eckhardt zag met een NSB-speldje op zijn revers, wat impliceert dat Eckhardt lid van de NSB zou zijn geweest.
Hij werd in mei 1943 naar de treincontrole overgeplaatst en bleef daarbij tot de spoorstaking van september 1944 werkzaam. De leiding daarover had Krieno Luurssen. Daarbij moest hij de persoonsbewijzen controleren, wat een gevaar opleverde voor iedereen met een vals persoonsbewijs of als gezocht te boek stond. Er werden zo honderden ondergedoken verzetsmensen, Joden, ontduikers van de Arbeitseinsatz, deserteurs en piloten op weg naar een veilige plek de dood in gejaagd. Hij kwam bij de treincontrole in contact met drie politiemannen uit Velsen die contact met het verzet hadden; dit maakte deel uit van wat na de oorlog bekend werd als de beruchte Velser affaire waarbij veel communisten vermoord werden.

Voorbeeld van iemand die met een vals persoonsbewijs door de treincontrole werd opgepakt.


Eckhardt maakte na de oorlog weer deel uit van BNV, CVD en BVD.

Mr. Louis Einthoven
Soerabaja (Nederlands-Indië) 30 maart 1896, Lunteren 29 mei 1979
Hij was lid van de Vrijmetselarij. Hij werd per 1 januari 1934 tot hoofdcommissaris van politie in Rotterdam benoemd en gaf rechtstreeks leiding aan de Rotterdamse Politie Inlichtingendienst.
Hij liet Anton van der Waals in 1937 in de Rotterdamse CPN infiltreren. Het doel was om de groep scheepssaboteurs in de Rotterdamse haven op te sporen. Dat bleken leden van de groep Wollweber (Internationale Zeeliedenhulp) te zijn. Hun doel was schepen die wapens naar de opstandelingenleider Franco in Spanje brachten, tot zinken te brengen. Het ging om schepen van Duitsland, Italië en Japan. Feitelijk schond Nederland zijn zelfverklaarde neutraliteit in de Spaanse burgeroorlog door de Rotterdamse haven voor met wapens beladen schepen met bestemming fascistisch Spanje open te stellen. Daarnaast bracht de groep Wollweber wapens, springstoffen en in Duitsland verboden illegale literatuur en pamfletten aan boord van zeeschepen met bestemming Duitsland en pamfletten aan boord van binnenschepen.
Uiteindelijk werden twee leden van de groep gearresteerd en tot een gevangenisstraf veroordeeld. Maar Einthoven liet de namen van de leden van de groep aan de Gestapo in Hamburg doorgeven, terwijl hij wist dat dit vrijwel zeker de dood van deze mensen zou betekenen als ze in handen van de Gestapo zouden vallen. Na de Duitse inval in Nederland zouden er inderdaad tien van deze leden op een uiterst gruwelijke wijze om het leven komen.
In het verlengde van die actie bezocht in 1938 Heinrich Müller van de Gestapo hem (deze Müller zou tijdens de oorlog de grote man van het vergassen van de Europese Joden worden). [Belgisch rapport Cahiers Inlichtingenstudies] Hij stond op een in 1939 opgestelde Duitse ‘Fahndungsliste’ van mensen waarmee na een Duitse inval onmiddellijk contact gezocht moest worden.
Toen Einthoven samen met Bennekers in 1938 bij een door de Gestapo in Hamburg georganiseerde conferentie was, gaf hij door dat de in Rotterdam woonachtige Duitser W. Pötsch voor een Britse geheime dienst actief was. Als gevolg daarvan werd Pötsch bij een bezoek aan Duitsland gearresteerd, ter dood veroordeeld en onthoofd.
Direct na de Nederlandse capitulatie verklaarde hij zich in mei 1940 een principieel tegenstander van de democratie en een voorstander van het Führerprinzip. Alle democratische instellingen (parlement, Provinciale Staten, gemeenteraden) moesten opgeheven worden. In plaats daarvan moest een op politieke betrouwbaarheid geselecteerd gezelschap alle bestuurderen in Nederland aanwijzen. Hij hevelde Anton van der Waals meteen aan het begin van de Duitse bezetting over naar de Sicherheitsdienst.
In de eerste weken van de bezetting liet Einthoven vier communisten en een Engelse spion arresteren en aan de Duitsers uitleveren. Ze hebben het geen van allen overleefd (een van was waarschijnlijk Herman de Kadt).
Hij was medeoprichter van de Nederlandse Unie, die zichzelf een fascistische groepering noemde. De Nederlandse Unie was een soort voortzetting van de fascistische Nationale Unie, die tussen 1925 en 1934 bestond en fuseerde met de Algemeene Nederlandsche Fascisten Bond tot de Corporatieve Concentratie (het bijbehorende periodiek heette De Unie, welke naam bij zowel Nationale als Nederlandse Unie past). Hij was betrokken bij de besprekingen met Arnold Meijer over een fusie tussen de Nederlandse Unie en het Nationaal Front, die op zijn beurt een voortzetting van het fascistische Zwart Front was.
Hij was het eens met de politieke opvattingen van Arnold Meijer, die een aanhanger van het Mussolini-fascisme was. Hij vond dat de Nederlandse bevolking eerst opgevoed moest worden alvorens ze kennis mocht nemen van de werkelijke doelstellingen van de Nederlandse Unie. In verband met zijn activiteiten voor de Nederlandse Unie nam hij per 1 september 1940 onbetaald verlof voor onbepaalde tijd als hoofdcommissaris van politie. Zijn activiteiten voor de Nederlandse Unie eindigden medio december 1941 toen de organisatie door de Duitsers verboden werd.
In 1941 vonden er veel arrestaties binnen de verzetsorganisatie Vrij Nederland plaats. Een aantal Rotterdamse politiemannen waren er absoluut zeker van dat Van der Waals daarachter zat. Ze wilden hem liquideren, maar vonden dat ze daarvoor toestemming van Einthoven nodig had. Einthoven verbood de liquidatie, omdat er onvoldoende wettig bewijs zou zijn. Daarom zagen de politiemannen ervan af, wat tot tientallen extra doden in het verzet leidde.
Hij werd in 1942 als gijzelaar opgesloten in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. Hij werd in de zomer van 1942 uitgekozen om gefusilleerd te worden omdat de daders van een bomaanslag op een Duitse trein zich niet gemeld hadden. Hij werd echter op het laatste moment vervangen door zijn voormalige ondergeschikte Bennekers. Hij beweerde na de oorlog in de zomer van 1944 te zijn ontsnapt uit het gijzelaarskamp, maar het had er meer van weg dat de Duitsers hem lieten gaan om door de linies heen naar het hoofdbureau van prins Bernhard in Brussel te kunnen gaan.
Vanuit Brussel gaf Einthoven advies over het aanstellen van mensen die na de Duitse nederlaag het gezag en de orde moesten handhaven. Voor Den Haag adviseerde hij de door de Duitsers aangestelde NSB-burgemeester Harmen Westra aan te stellen. Deze Westra had actief meegeholpen om de Joden uit hun huizen te slepen en naar Polen te deporteren.
Hij werd na de oorlog directeur van het Bureau Nationale Veiligheid (BNV). Hij verklaarde toen dat hij een voorstander was van de eenpartijstaat (dus net zo als in Hitler-Duitsland of de Sovjet-Unie van Stalin); daarbij zou de macht in handen van de extreemrechtse Ordedienst gelegd moeten worden. Hij weigerde direct na de oorlog in eerste instantie om Anton van der Waals te laten arresteren. Hij beval Crabbendam aan om hem te benoemen in de op een na hoogste functie direct onder hem, vanwege diens ervaring om leiding te geven bij het opsporen en uit leveren van communisten aan de Sicherheitsdienst om daarna vermoord te worden. Onder zijn leiding werd een lijst van uit de concentratiekampen teruggekeerde communistische verzetsmensen opgesteld om ze weer in een concentratiekamp op te sluiten. Einthoven stelde ook Anne van der Ploeg onder Crabbendam aan, terwijl die tijdens de oorlog gewerkt had voor Protze van de Duitse contraspionage. In september 1945 gaf hij aan de gemeentelijke politiekorpsen opdracht om weer een anticommunistische Politie Inlichtingendienst op te richten.
Einthoven verbood Evert Sanders om nog verder onderzoek nar de wandaden van Reinder Zwolsman te doen. Hij dwong Sanders om de tientallen dossiers in te leveren. Daarna zijn de dossiers over Reinder Zwolsman, Ed Hoelen (directeur van de Ursulakliniek), het Sonderkommando Frank en de Silbertannemoorden spoorloos verdwenen.
Ook verbood Einthoven dat de spion Protze over zijn vooroorlogse spionageactiviteiten verhoord zou worden. Daarmee voorkwam hij dat een reeks extreemrechtse politie- leger- en ambtelijke functionarissen als pro-Duitse spionnen door de mand zouden vallen. Hoe nauw Einthoven bij de spion Protze betrokken was, blijkt uit het feit dat de BNV-politieman Evert Sanders tijdens een gesprek in Duitsland met Protze vernam dat het BNV opgedoekt zou worden en dat er een nieuwe organisatie Centrale Veiligheidsdienst (CVD) zou worden opgericht. Vrijwel niemand in Nederland kende deze supergeheime informatie, ook Sanders niet.
Bij de oprichting van het BNV was hij gedwongen verzetsmensen en leden van de Binnenlandse Strijdkrachten op te nemen. De eerste vond hij politiek onbetrouwbaar en het tweede bestond vooral uit laag opgeleide mensen. Hij wilde daarvan af en ook van de mensen die zich bezig hielden met het opsporen van NSB’ers die misdrijven en verraad hadden gepleegd. Hij wilde een dienst hebben die alleen communisten en ander links gajes opspoorde. Daarom werd het BNV in 1947 opgeheven en de afdeling bestrijding communisme omgezet in de Centrale Veiligheidsdienst. Die voldeed ook niet en toen werd in 1948 die dienst omgevormd tot de Binnenlandse Veiligheidsdienst, waarvan hij de eerste directeur werd. Hij trok vooral mensen aan die tijdens de oorlog ten behoeve van de Sicherheitsdienst communisten hadden opgespoord en uitgeleverd in de wetenschap dat ze voor het merendeel vermoord zouden worden en mensen die voor de Duitse contraspionage gewerkt hadden.
Hij eiste de dossiers over de Silbertannemoorden door de leden van het Sonderkommando Frank op van Willem Sanders en liet die vervolgens spoorloos verdwijnen.
Tijdens de voorbereiding op het proces tegen Van der Waals verbood Einthoven het zijn medewerkers om Van der Waals te verhoren. Hij stelde dat Van der Waals alleen tegenover hem en minister-president Beel verklaringen mocht afleggen. Daarmee voorkwam Einthoven dat de buitenwereld zou leren over de contacten tussen Van der Waals en Nederlandse Inlichtingendiensten en politieke ambtsdragers.
Einthoven kreeg van de regering opdracht om met de SOAN samen te werken. Dat wilde hij niet, want dan werd hij maar voor de voeten gelopen. In zekere zin had Einthoven gelijk: de SOAN kocht werkster om, om in de kantoren van de CVD dossiers te ontvreemden. Op deze wijze bespioneerde de SOAN de CVD.
Ook de CVD voldeed niet en toen werd in 1948 die dienst omgevormd tot de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), waarvan hij de eerste directeur werd. Hij trok vooral mensen aan die tijdens de oorlog ten behoeve van de Sicherheitsdienst communisten hadden opgespoord en uitgeleverd in de wetenschap dat ze voor het merendeel vermoord zouden worden en mensen die voor de Duitse contraspionage gewerkt hadden. Officieel werd de BVD opgericht om de democratie te beschermen. Maar dat was natuurlijk lariekoek, want aan het hoofd werd iemand aangesteld die zelfverklaard tegenstander van de democratie was en actief de democratie ondermijnd had. De BVD moest staatsgevaarlijke elementen bestrijden maar aan de top stonden staatsgevaarlijke lieden als Einthoven en Crabbendam.
De in 1949 vermoorde Friedrich Schallenberg stond in rechtstreeks contact met Einthoven. Schallenberg was betrokken bij de operatie Werwolf en de SOAN.
Na zijn pensionering in 1961 ging Einthoven aan de slag voor het Internationaal Documentatie en Informatie Centrum voor de bestrijding van het communisme.


Tjerk Elsinga
Sneek 20 juni 1903, Hilversum 13 november 1990
Hij werkte eerst bij de Raad van Arbeid en werd vervolgens verslaggever bij het Friesch Dagblad. Voor de oorlog was hij tweede voorzitter van het Christelijk Nationaal Vakverbond, waardoor hij regelmatig in contact kwam met de directeur-generaal van de Arbeid Aart Hacke.
Bij het keren van de Duitse kansen eind 1942 kwam hij tot het inzicht dat het belangrijk werd om vanuit de confessionele hoek tegenwicht te bieden tegen het door de communisten gedomineerde verzet. Na de Duitse nederlaag bij Stalingrad trad hij in april 1943 toe tot de verzetsgroep Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), waarin de communisten een belangrijke rol speelden. Zijn zoon werd lid van de Falsificatencentrale en werd in kamp Amersfoort gefusilleerd omdat hij een geheime zender in huis had.
In 1944 vormde Tjerk een eigen verzetsgroep die naar zijn schuilnaam José vernoemd werd. Deze groep was fel anticommunistisch wat hem er toe bracht om met de leider van de Rotterdamse Aussendienststelle van de Sicherheitsdienst Herbert Wölk in contact te treden, waarbij P.L. Hensen als tussenpersoon optrad. De groep José was een knokploeg die zich voornamelijk met stunten (roofovervallen) bezighield. Willem Bos, de latere assistent van de Zeistse en Haagse burgemeester Visser, en Aart Hacke waren hier ook lid van.
De groep José pleegde vlak 5 april 1945 een waanzinnige overval op een groep Duitse militairen in een bunker. De achteraf aangevoerde reden van de overval was ongeloofwaardig: deze Duitsers zouden een lijst van leden van de Binnenlandse Strijdkrachten in bezit hebben, terwijl zo een lijst normaal gesproken onmiddellijk in handen gegeven zou worden van de Duitse contraspionage (Abwehr), een onderdeel van de Sicherheitsdienst. De overval mislukte en een van de leden van de groep kwam om het leven. Na de oorlog ging de groep als anticommunistische geheime groepering door. Ze verdachten hun medewerkster Kitty van der Have van het verraden van de overval en martelden en vermoordden haar op een gruwelijke wijze. Elsinga en Hensen waren op de achtergrond persoonlijk bij de moord betrokken.
De collaborateur, oorlogswinstmaker en rover in samenwerking met de Sicherheitsdienst Ko Jongerius trad na de oorlog toe tot de groep José. In 1946 werden de voormalige SS’er Pierre Sweerts en Aart Hacke in de leiding van José opgenomen, waarna de groep ‘Dienst Hacke-Elsinga’ ging heten. Sweerts was in België ter dood veroordeeld en in Nederland actief in het kader van de operatie Werwolf die tijdens de oorlog met de Gestapo was afgesproken. De Dienst Hacke-Elsinga ging onder andere gegevens over homoseksuelen verzamelen om die te kunnen chanteren.
In 1947 stichtte Dirk Stikker een particuliere geheime dienst die Stichting Opleiding Arbeidskrachten Nederland ging heten vanwege de toppositie die vakbondsman Hacke er in ging bekleden. Zowel de leden van José als die van de operatie Werwolf werden hierin opgenomen. De SOAN groeide uit tot de grootste criminele organisatie uit de Nederlandse geschiedenis; de belangrijkste activiteiten waren naar het buitenland smokkelen van tijdens de oorlog geroofde juwelen en aandelen en handel in afgedankte wapens die verschrot moesten worden, maar in werkelijkheid aan opstandige militairen geleverd werden voor of een staatsgreep in Nederland of gebruik in Nederlands-Indië om een Zuid-Molukse staat te stichten. Ook werden een tiental moorden gepleegd.
In 1948 werd Stikker voor de VVD minister Buitenlandse Zaken. Hij stelde Elsinga aan op zijn ministerie en ging de SOAN vanuit de staatskas financieren. Verder regelde hij in het kabinet dat de leden van de SOAN vrijgesteld werden van het betalen van belastingen.
Elsinga werd op 10 december 1949 gearresteerd op verdenking van verduistering van bij politieke delinquenten in beslag genomen goederen. Hij werd echter niet vervolgd en in februari 1950 vrijgelaten.
In 1950 vonden er arrestaties van leden van de SOAN plaats, vanwege het omkopen van ambtenaren voor het verstrekken van inlichtingen uit processen-verbaal en uit militaire rapporten.
In 1949 werden enkele SOAN-leden vanwege smokkelpraktijken gearresteerd, waarbij Jos de Groot, die tot een gevangenisstraf werd veroordeeld. In 1950 wilde De Groot schoonschip maken en vertelde alles wat hij wist aan de justitiële autoriteiten. Daarbij noemde hij Elsinga en Hensen als medeplichtigen bij de moord op Kitty van der Have. Elsinga werd gearresteerd en vervolgens kwam aan het licht dat hij het na de oorlog resterende geld van de verzetsorganisatie LO gestolen had. Een van de gearresteerde SOAN-leden was een politieman. Bij de echtszaak voegde de rechter hem toe: ‘Hoe is het mogelijk, dat deze verdachte, een politieman met een keurige staat van dienst, zich heeft afgegeven met de duistere figuur Elsinga’. Elsinga werd veroordeeld tot een half jaar voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld.
Na de veroordeling van Elsinga werd de SOAN voortgezet onder leiding van Frits van Gemerden, Groenewoud en De Beer.
Na de vele schandalen werd de SOAN ontbonden. Daarna werden de belangrijke leden Aart Hacke en Leonardus van Beljouw toch weer samen in een auto gesignaleerd, wat werd opgevat dat de SOAN-activiteiten toch werden voortgezet. Dat klopte: het was het begin van de organisatie Operatiën & Inlichtingen die samenwerkte in een West-Europees verband dat een vervolg was van de operatie Werwolf. Dat verband werd later bekend onder de naam van Gladio, wat de naam van de Italiaanse afdeling was, die bomaanslagen pleegde op het station van Milaan met 16 doden en Bologna met 85 doden als gevolg en die de voormalige Italiaanse minister-president Aldo Moro ontvoerde en vermoordde. Aldus werd de terreur- en moordorganisatie voortgezet, waarbij in Nederland Max van de Stoel de leiding kreeg bij mensenrechten schendende organisatie.

Jacob Eskens, Amsterdam 24-10-1891
Hij was tijdens de Eerste Wereldoorlog spion voor Duitsland. Hij kocht een Amsterdamse telegraafambtenaar om, om afschriften van in cijfercode gestelde telegrammen aan hem te overhandigen. Het ging om telegrammen van de geallieerde mogendheden (Groot-Brittannië, Frankrijk, Verenigde Staten). Eskens bracht de telegrammen naar de Duitse legatie in Den Haag. Een van de telegrafisten ontving daarvoor 4.000 gulden en daarna nog eens 3.000 gulden (voor inflatie gecorrigeerd respectievelijk 33.000 en 25.000 Euro). Deze bedragen werd met een aantal andere telegrafisten gedeeld. De afspraak was dat er 3 gulden per woord betaald zou worden. Het jaarsalaris van de telegrafist bedroeg toen 400 gulden. Eskens zou voor het overbrengen van de codes 300 gulden per maand krijgen, maar bij zijn arrestatie werd er op hem bijna 14.000 gulden gevonden. Ook werd hij ervan beschuldigd dat hij aan Duitsland doorgaf wanneer welke Nederlandse schepen uit Nederland vertrokken; sommige van die schepen werden getorpedeerd.
Eskens claimde dat hij ook inlichtingen aan de Generale Staf had gegeven. Dat zou zijn gegaan om Duitse militaire stellingen aan de Nederlandse grens bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en over geldzendingen na de Russische revolutie vanuit Rusland aan de communistenleider David Wijnkoop. Het geld zou bedoeld zijn voor het ondersteunen van Russische geïnterneerde zeelieden en uit Duitsland gevluchte Russische krijgsgevangenen die onder andere in het Noord-Hollandse Bergen waren geïnterneerd en om te pogen hen naar Rusland te laten reizen. Broekhoff van de Centrale Inlichtingendienst werd daar tijdens een rechtszaak over gehoord en die verklaarde dat Eskens hem belangrijke inlichtingen had verstrekt, maar weigerde te vertellen waar het om ging, want dat was ambtsgeheim. Dit was het begin van Broekhoffs decennialange samenwerking en omgang met Duitse geheime agenten die tot 1945 zou voortduren. Eskens werd tot tien maanden gevangenisstraf veroordeeld.
Het geld kon door Broekhoff onderschept worden en ook het telegramverkeer tussen Wijnkoop en Rusland. Het geld was grotendeels inderdaad voor steun van de Russische krijgsgevangenen bedoeld, maar ook voor het communistische weekblad De Tribune. Bij de inlichtingen die Eskens over de communisten gaf, speelde Barmat ook een rol.
In de jaren dertig was Eskens in Nederland actief als spion voor Duitsland (ook door de historicus Frans Kluiters als zodanig gekenmerkt). Begin 1940 telde Eskens hoeveel Britse en Franse schepen over de Westerschelde voeren. Hij gaf die informatie aan Duitse agenten door. Na de oorlog werd hij daarvoor bij verstek tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Anthonius Josephus Maria Eijmaal
Leeuwarden 1 oktober 1912
(zijn CABR-dossier heb ik niet bestudeerd, zodat de meeste van zijn wandaden hier niet beschreven worden)
Hij werkte sinds 1933 bij de Haagse politie. Hij kwam per 23 april 1941 bij de Documentatiedienst. Hij werd lid van de NSB en de SS. Hij werd door de Sicherheitsdienst ingezet bij het ophalen van gedropte geheime agenten in het kader van het Englandspiel. Hij werd gedetacheerd bij Referat IV B4 (Judenreferat) van de Sicherheitsdienst. Hij was nauw betrokken bij het corruptie-, afpersings- en chantagespel van Fritz Hillesheim.

Adriaan Johannes Feij
Vlissingen 5 april 1895, 17 juli 1966
De historicus Frans Kluiters heeft materiaal gevonden waaruit blijkt dat Feij een agent van de Abwehr was. Het is voor mij niet duidelijk of dat al voor de oorlog het geval was of dat het slaat op zijn activiteiten tijdens de oorlog.
Feij was op de linker Maasoever in Rotterdam actief binnen de CPN. Hij was lid van de groep Wollweber (Internationale Zeeliedenhulp) die zich met scheepssabotage bezighield, waarbij de doelen schepen van de As-mogendheden waren, die wapens naar het leger van de in Spanje staatsgreep plegende generaal Franco brachten. Er werd getracht schepen tot zinken te brengen, wat in minstens en geval gelukt is. De aanslagen werden gepleegd door middel van springstoffen die uit de Limburgse mijnen afkomstig waren.
In 1937 werd Feij aan de Nederlands-Belgische grens gearresteerd, nadat hij daar vanuit België springstoffen had gesmokkeld. Oorspronkelijk zou een beroepssmokkelaar de springstoffen over de grens brengen, maar die zei op het laatste moment af, waarna Feij het zelf deed. Feij werd vlak over de grens gepakt, zodat het er sterk op lijkt dat hij er in geluisd was. Feij werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Zowel Feij als de officier van justitie gingen in beroep; het vonnis in beroep is mij onbekend.
Op 3 mei 1940 liet de Nederlandse regering 18 NSB’ers, waarbij de na Mussert belangrijkste NSB’er Rost van Tonningen, en de drie communistische leden van de groep Wollweber Johannes Proost, Jan van den Hoonaard en Feij interneren in Fort Prins Hendrik bij het dorp Ooltgensplaat. Toen de Nederlandse troepen zich moesten terugtrekken, werden de geïnterneerden meegevoerd naar Noord-Frankrijk. Onderweg begon Feij goede maatjes met de NSB’ers te worden. In Frankrijk werden de NSB’ers vrijgelaten en de communisten aan de het oprukkende Duitse leger uitgeleverd. De Duitsers lieten Feij na verloop van tijd vrij, waarna hij meehielp om andere leden van de groep Wollweber te arresteren. Al die leden van Wollweber zijn op een gruwelijke wijze om het leven gekomen door een verblijf in een concentratiekamp, de doodstraf door onthoofding met de handbijl of een doodstraf die tijdens de Berliner Blutnacht met een wurgende ophanging werd voltrokken.
Na de oorlog werd Feij tot 18 jaar gevangenisstraf veroordeeld.


Arend Anne Baron van der Feltz
Groningen 26 mei 1862, Baarn 31 december 1940
Hij was een Nederlands jurist. In juni 1918 werd hij procureur-generaal van Amsterdam. Hij werkte met Karel Broekhoff samen bij de bestrijding van het communisme. Via Broekhoff werkte hij ook samen met Julius Barmat, die door sommigen gezien werd als de grootste oplichter van Europa. Hij werd in 1927 voor de Nederlandse regering gedelegeerde bij de Volkerenbond voor de bestrijding valsmunterij. Hij ging in 1927 met pensioen maar zijn Volkenbondactiviteiten zette hij voort tot 1929.
Hij stuurde Broekhoff aan bij diens anticommunistische activiteiten binnen de Nederlandsche Centrale in Zake Falsificaten en internationale Misdadigers (een schuilnaam voor een politiedienst voor de bestrijding van het communisme). Deze Centrale was deels een dekmantel voor anticommunistische activiteiten, waarvoor ook de Internationale Kriminalpolizeiliches Kommission (IKK) was opgericht, een Europese politieorganisatie voor zowel de bestrijding van communisme als ‘internationale criminaliteit’ als valsemunters en rondreizende bendes zakkenrollers. Aangezien het erg onwaarschijnlijk is dat voor de twee genoemde vormen van criminaliteit een grote pan-Europese organisatie met veel internationale conferenties en zeer veel internationale dienstreizen werd opgericht, kan gevoeglijk aangenomen dat de bestrijding van het communisme de belangrijkste reden was.
In 1924 en 1925 werd er tussen Van der Feltz en de minister van Justitie gecorrespondeerd over het beschikbaar stellen van financiële fondsen voor het aanleggen van een ‘lijst van internationale en communistische misdadigers’. Opvallend is dat de term ‘internationale misdadigers’ correspondeert met de term ’internationale criminaliteit’ die voor de stichting van de IKK werd gebruikt, waarin een bevestiging gezien kan worden dat de IKK voornamelijk voor de bestrijding van het communisme werd gesticht. In deze correspondentie werden de communisten per definitie gelijk gesteld aan ‘misdadigers’, zonder dat er sprake was van wetsovertredingen. Deze houding maakte de geesten rijp voor de massamoord op de communisten tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De brief van Van der Feltz aan de minister van Justitie over een aan te leggen ‘Centrale verzameling Communistische en Internationale misdadigers’. Die verzameling wordt de lijst van ‘linksextremisten’ van de Centrale Inlichtingendienst, die in 1937 aan de Gestapo in Berlijn wordt geleverd. Uit de brief wordt ook duidelijk dat de Nederlandsche Centrale inzake Falsificaten alleen maar een dekmantel is voor anticommunistische activiteiten die het daglicht niet kunnen verdragen. Met de verklaring dat de communisten per definitie ‘misdadigers’ zijn, werden de geesten rijp gemaakt voor de massamoord op communisten tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Hendrikus Johannes Figee
Schiedam 5 juli 1888
(zijn CABR-dossier heb ik maar ten dele bestudeerd, zodat sommige wandaden hier niet beschreven worden)
Figee was voor de oorlog politieman. Hij verrichtte werkzaamheden voor de Sicherheitsdienst. Hij was betrokken bij de moord op Tjerk Kloostra door leden van de Haagse politie. Hij was getuige van het doodschieten van de SD’er Zinkel door Kloostra. Hij achtervolgde Kloostra en participeerde in het vuurgevecht. Hij wist de hand van Kloostra te grijpen toen die in een kolenhok bescherming tegen de kogels had gezocht. Hij kreeg daarvoor beloning van 300 gulden van de Sicherheitsdienst. Na de oorlog moest hij de 300 gulden teruggeven. Hij ging kort na de oorlog met vervroegd pensioen om vervolging te ontlopen.

Mr. dr. Karel Johannes Frederiks
Middelburg 10 februari 1881, Den Haag 18 februari 1961
(zijn CABR-dossier heb ik niet bestudeerd, zodat de meeste van zijn wandaden hier niet beschreven worden)
Hij was van 1931 tot 1944 secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken. Hij was vanaf 1941 ook waarnemend secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken en ook een korte tijd waarnemend secretaris-generaal van Algemene Zaken. Hij schreef in oktober 1940 een brief aan alle politiekorpsen dat alle gegevens over illegale geschriften en pamfletten aan de procureur-generaal in Amsterdam dienden te worden gezonden en dat die geschriften meegezonden moesten worden. Hij liet in december 1940 de brief van Polizeiführer Rauter verspreiden dat de politie geacht werd geen opsporingsactiviteiten met betrekking tot anti-Duitse acties te ondernemen; maar wel kennis daarover aan de Duitse instanties door te geven. Hij nam het initiatief bij raciale en politieke antecedentenonderzoeken in geval dat een politieman voor een bevordering werd voorgedragen. Hij werd in 1945 gestaakt.

Prof. mr. dr. Robert van Genechten
Antwerpen (België) 25 oktober 1895, Den Haag 13 december 1945
(zijn CABR-dossier heb ik niet bestudeerd, zodat de meeste van zijn wandaden hier niet beschreven worden)
Hij was van oorsprong Belg. Tijdens de Eerste Wereldoorlog toonde hij zich sterk pro-Duits. Hij huwde een Nederlandse vrouw en verhuisde naar Nederland. Hij was een voornaam lid van de NSB met stamboeknummer 27978. Hij was de gemachtigde van de NSB-Leider Anton Mussert voor onderwijs en opvoeding.
Hij werd door de Duitsers benoemd tot procureur-generaal en was toen chef van de op zijn bureau benoemde hoofdcommissaris Van der Meij en de chef van de Haagse Politie Inlichtingendienst Amiabel. Hij deed in het openbaar sterk antisemitische uitspreken. In februari 1941 nam hij zitting in een commissie die het politiestelsel in Nederland moest omvormen tot een nationale Staatspolitie. Dat moest de Duitse bezetter meer grip op het politieapparaat geven. In die commissie zaten onder anderen ook directeur-generaal van politie Antoni Brants, inspecteur-generaal van politie August de Koningh en de afgezette Haagse hoofdcommissaris Nicolaas van der Meij.
Onmiddellijk na de Duitse inval in de Sovjet-Unie vroeg hij aan alle hoofdcommissarissen een opgave van alle personen die bij de laatste verkiezingen voor de Provinciale Staten kandidaat hadden gestaan voor de CPN en alle personen die de kandidatenlijsten ter ondersteuning getekend hadden. Verder zond hij een telegram aan alle (hoofd-)commissarissen waarin hij eiste dat iedere sympathiebetuiging met de Sovjet-Unie krachtig de kop moest worden ingedrukt, anders zouden Duister troepen worden ingezet die zonder enige terughoudendheid onmiddellijk met scherp zouden schieten.
Hij werd in 1943 benoemd tot commissaris van Zuid-Holland, zonder de toevoeging van de koningin. Hij werd na oorlog ter dood veroordeeld, maar pleegde zelfmoord.

Prof. mr. Pieter Sjoerds Gerbrandy
Goënga 13 april 1885, Den Haag 7 september 1961
Hij was van 10 augustus 1939 tot 21 februari 1942 minister van Justitie. Hij handhaafde de door zijn voorganger Goseling in diens ‘Circulaire’ en ‘Aanwijzingen’ vastgelegde opdracht aan de burgemeesters dat alle politiefunctionarissen inclusief de gemeentelijke inlichtingendiensten na een Duitse bezetting door moesten blijven werken ten behoeve van de Duitse bezetter. Daardoor bleven ook de verraderlijke politie-informanten hun dodelijk werk verrichten. Hij veroorzaakte daarmee minstens ruim tweeduizend arrestaties onder het communistisch verzet, waardoor er ongeveer duizend om het leven kwamen. Ondanks dat hij tijdens de oorlog via radio Oranje tot verzet opriep, was hij verreweg de belangrijkste bestrijder van het verzet, omdat hij het communistisch verzet, dat de eerste oorlogsjaren 80% van het verzet uitmaakte, de dood in liet jagen.
Op 3 mei 1940 liet hij naast 18 NSB’ers ook drie communisten arresteren; het waren leden van de meest actieve anti-Duitse groepering in Nederland, de organisatie Wollweber (Internationale Zeeliedenhulp). Hij nam geen maatregelen om ze na de Nederlandse capitulatie vrij te laten, waardoor ze met terugtrekkende troepen mee naar Noord-Frankrijk werden genomen. De NSB’ers werden daar vrijgelaten en de communisten aan de Duitsers uitgeleverd. Een van de communisten liep uit angst naar de Duitsers over en de andere twee werden twee jaar later onthoofd. Door martelingen verkregen de Duitsers zoveel informatie dat ze nog meer leden van de organisatie Wollweber konden arresteren, die allemaal om het leven kwamen, wat tot in totaal minsten negen doden leidde. (Het bestaan van deze organisatie werd door Hitler in 1941 aangevoerd als een van de belangrijkste redenen om de Sovjet-Unie aan te vallen.)
Op 10 mei 1940 liet hij grote aantallen communisten arresteren, die wel na de Nederlandse capitulatie werden vrijgelaten.
Na de Duitse inval vertrok hij met de gehele regering naar Londen. Na het verraderlijk vertrek van minister-president De Geer naar bezet Nederland werd hij door koningin Wilhelmina op 3 september 1940 tot minister-president aangesteld, wat hij tot 25 juni 1945 bleef.
Zijn zwager Nicolaas Johannes Gerardus Sikkel, officier van Justitie in Haarlem, was samen de Sicherheitsdienst-agent Krieno Hendrik Luurssen betrokken bij duistere zaken binnen de Raad van Verzet die vermoedelijk tot de dood van Hannie Schaft hebben geleid. Gerbrandy en Sikkel hielden elkaar de hand boven het hoofd en daardoor kon Luurssen een lange gevangenisstraf ontlopen.
In 1947 was hij betrokken bij de voorbereiding tot een staatsgreep, die op het laatste moment werd afgelast ondanks dat er al 15.000 militairen in Den Haag gereed stonden. Bij de staatsgreep behoorde een moordaanslag op de PvdA-voorman Koos Vorrink. Men vergat die aanslag af te gelasten, maar toen de moordenaars bij zijn huis kwamen was hij niet thuis. De staatsgreep zou moeten plaats vinden samen met de geheime dienst SOAN; deze door de Liberale Staatspartij en later door de VVD overgenomen organisatie was de grootste criminele uit de Nederlandse geschiedenis, die veel moorden heeft gepleegd. Bij de staatsgreep was ook de in België wegens medeplichtigheid aan massamoord ter dood veroordeelde oorlogsmisdadiger en SS’er Pierre Sweerts betrokken, die kort daarop BVD-ambtenaar zou worden.
Hij was van 1948 tot 1959 lid van de Tweede Kamer voor de ARP.

Mr. Carolus Maria Joannes Franciscus Goseling
Amsterdam 10 juni 1891, Buchenwald 14 april 1941
Hij was van 1927 tot 1937 lid van de Tweede Kamer voor de RKSP. Hij was fractieleider van mei 1936 tot juni 1937. Hij was van juni 1937 tot juli 1939 minister van Justitie.
Hij voerde een vreemdelingenbeleid waarbij de komst van politieke en Joodse vluchtelingen zoveel mogelijk tegen werd gegaan en getracht werd vluchtelingen op onwettige wijze weer de grens over te zetten in de handen van de moordlustige Gestapo. Hij stond toe dat de Gestapo min of meer vrijuit in Nederland werkte en Duitse spionnen in Nederland actief waren. Hij trad niet op tegen de ontvoering van communistische vluchtelingen door de Gestapo, maar liet er juist medewerking aan verlenen.
Hij stelde het strafbaar om dienst te nemen in de Internationale Brigade die aan aan de zijde van de wettige regering tegen de door Hitler, Mussolini en Salazar gesteunde fascistische opstandeling generaal Franco vocht, terwijl de Nederlandse regering wel de bevoorrading van Franco via Nederlandse havens toestand. Er werden twee soorten straffen uitgedeeld: verlies van Nederlanderschap en gevangenisstraf. Tot zover kun je het immoreel noemen. Maar hij stelde het ook strafbaar als medici en verplegenden gewonden op het slagveld te hulp kwamen. Het strafbaar stellen van het verlenen van medische zorg kan gelijk gesteld worden aan het onthouden van medische zorg aan gewonden in een oorlogssituatie. En dat is gedefinieerd als oorlogsmisdaad. Goseling was dus per definitie een oorlogsmisdadiger.
Hij zette de door zijn voorganger Van Schaik aangegane intensieve samenwerking met de Gestapo voort. Hij liet in 1938 aan alle burgemeesters de geheime zogenoemde ‘Circulaire’ en ‘Aanwijzingen’ uitgaan. Daarin stond dat in geval van een Duitse bezetting de politie voor de bezetter moest blijven doorwerken, inclusief het personeel van de gemeentelijke inlichtingendiensten. Er werd geen voorbehoud gemaakt voor maatregelen die tegen de Nederlandse wetten in zouden gaan; dat maakte het mogelijk dat de politie zonder enige terughoudendheid alle anti-Joodse maatregelen gingen uitvoeren. Zulke anti-Joodse maatregelen waren toen al te verwachten.
Het gevolg van de Circulaire en de Aanwijzingen was dat de Joden makkelijk uitgeroeid konden worden en dat het verzet fel bestreden werd. Vooral het communistisch verzet, dat voor de oorlog nog niet met veel geweld bestreden werd, kon daardoor keihard de bestreden worden met minstens duizend doden als gevolg. Dit laatste werd aanmerkelijk versterkt doordat Goseling ook nog eens de lijst van linksextremisten van de Centrale Inlichtingendienst in 1938 en 1939 in het Duits liet vertalen en aan de Gestapo leveren (zijn voorganger Van Schaik had dat ook al in 1936 gedaan). Het paste geheel binnen het al jarenlange bestaande RKSP-beleid van anticommunisme, pro-fascisme en enigszins bedekt antisemitisme.

Afschrift van de ‘Circulaire’ uit 1938 van Goseling, waarin hij opdracht geeft aan justitiële ambtenaren om voor een bezetter door te blijven werken en waarin voor de Inlichtingendiensten geen uitzondering wordt gemaakt. In het onderste fragment beriepen de oorlogsmisdadiger Viëtor, Leemhuis en Heijnis zich op deze Circulaire dat ze door de Nederlandse overheid opdracht hadden gekregen de bevelen van de bezetter op te volgen. Als gevolg van deze Circulaire gaven alle Nederlandse burgemeesters aan hun politiekorpsen, inclusief de Inlichtingendiensten, opdracht om voor de bezetter te blijven doorwerken, wat de inleiding tot de massamoord op communistische verzetsmensen vormde. De opdrachten van de burgemeesters kan begrepen worden dat ze vonden dat de te verwachten massamoord op de Nederlandse communisten in ‘belang’ van de Nederlandse regering (bevolking) was.

Tijdens de bezetting werd hij samen met enkele andere prominente politici in Buchenwald als gijzelaar gevangengezet; in Buchenwald werd zijn gevangenschap bij aankomst in Buchenwald op 9 oktober 1940 als ‘Schutzhaft’ omschreven. Als reden voor de gijzeling werd vastgelegd: ‘Als Geisel wegen Behandlung der internierten Reichsdeutschen in den Aussenbesitzungen der Niederlande’. Dit werd na de oorlog gebruikt als propaganda van hoe goed ze wel waren geweest, dat ze in een concentratiekamp werden opgesloten. De werkelijkheid was dat ze gevangen werden gezet om de Nederlandse bevolking te intimideren en invloedrijke personen te pressen zonder enig voorbehoud met de bezetter samen te werken. In Buchenwald werden deze gijzelaars niet mishandeld, kregen ruim voldoende voedsel, hoefden geen dwangarbeid te verrichten en werden niet bedreigd om bij wijze van represaille gefusilleerd te worden. Ze mochten hun tijd doorbrengen met lezen en discussiëren.
Hij overleed in 1941 in Buchenwald aan longontsteking. Als doodsoorzaak werd vastgelegd: ‘Versagen des Herzens bei rechtsseitigen Lungenentzündung, Nierenentzündung’.

Jochem de Graaf
Tiel 14 oktober 1897
(zijn CABR-dossier heb ik maar voor een klein bestudeerd, zodat de meeste van zijn wandaden hier niet beschreven worden)
Hij was voor de oorlog politieman. Hij was lid van het Rechtsfront. Hij werd in 1942 lid van Documentatiedienst. Bij het observeren van een ontmoeting tussen Piet Wapperom en een onbekende achtervolgde hij de laatste. Dat bleek Tjerk Kloostra te zijn. Hij was getuige van het neerschieten van de Duitse SD’er Zinkel door Tjerk Kloostra. Hij achtervolgde Kloostra opnieuw en kon collega’s die een vuurgevecht met Kloostra hadden gevoerd komen assisteren. Hij schoot Tjerk Kloostra, die vastgehouden werd, van zeer nabij door het hoofd. Hij kreeg daarvoor een beloning van 300 gulden van de Sicherheitsdienst.
Bij de naoorlogse politiezuivering vond men dat het van dichtbij doodschieten van iemand die onder controle was, niet laakbaar was. De Graaf moest alleen de 300 gulden teruggeven. Verder kon deze moordenaar gewoon bij de politie in dienst blijven.


Jhr. Robert Frédéric Groeninx van Zoelen
Den Haag 7 februari 1889, Katwijk 18 april 1979
Hij was bestuurslid van de fascistisch georiënteerde Nationale Unie, waar ook Anton Mussert lid van was voordat hij de NSB oprichtte. De Nationale Unie streefde de omvorming van Nederland naar een corporatieve staat na, wat een hoofdkenmerk van het fascisme was.
In 1932 werd hij door de Haagse inspecteur van politie Sebastiaan van der Mark aangezocht om op Prinsjesdag 1932 communisten te provoceren. De communisten hielden op die dag een protestvergadering tegen het regeringsbeleid nadat een aangekondigde demonstratie verboden was. Die bijeenkomst werd ‘Rooden Dinsdag’ genoemd. Het was de bedoeling dat met stokken, ploertendoders, messe4n, sabels en pistolen bewapende groepen leden bij het uiteengaan van de vergadering door de communisten te marcheren en hen met steun van de politie aan te vallen. Het idee van provoceren leidde ertoe dat een politieman met een mes werd neergestoken, waar die door zou overlijden. Een communist werd ervan beschuldigd de politieman te hebben neergestoken, maar die werd vrijgesproken doordat het als getuige gehoorde lid van de Haagse Politie Inlichtingendienst Steven Pegels op meineed werd betrapt (Pegels zou zich tijdens de oorlog als fanatiek fascist bekend maken). Door het wapengeweld werden tientallen communisten min of meer ernstig verwond en enkele raakten zelfs levensgevaarlijk gewond onder andere door kogels uit wapens van fascisten en politie. De politie-inspecteur werd enkele maanden later beloond met een dubbele promotie tot commissaris van politie in Nijmegen, wat het waarschijnlijk maakte dat de hoofdcommissaris en burgemeester achter het fascistisch wapengeweld stonden.
In 1933 ging de Nationale Unie eerst samenwerken en vervolgens fuseren met de Algemeene Nederlandsche Fascisten Bond van Jan Baars onder de naam Corporatieve Concentratie. In 1934 splitste die zich weer in De Vuurslag en het Zwart Front, welke namen verwezen naar de blaadjes die ze uitgaven; deze twee organisaties bleven echter welk samenwerken. De leiders waren respectievelijk Groeninx van Zoelen en Arnold Meijer. Vervolgens fuseerde De Vuurslag met een groep ontevredenen uit de NSB, omdat die vonden dat de NSB te veel verwaterde door de toeloop van baantjesjagers. De nieuwe organisatie heette Nederlands Volksfascisme.
In de zomer van 1940 werd de Nederlandse Unie opgericht onder leiding van Jan de Quay, Louis Einthoven en Hans Linthorst Homan. Groeninx van Zoelen speelde een belangrijke rol in deze groepering, wat het waarschijnlijk maakt dat de naamgeving verwijst naar de eerdere nationale Unie. Dit vermoeden wordt versterkt door het feit dat er plannen zijn geweest om de Nederlandse Unie voort te zetten onder de naam De Vuurslag. Ook zijn er serieuze fusiebesprekingen met het Zwart Front geweest; die fusie mislukte door ruzie over wie de leiding zou krijgen en wie de zeggenschap kreeg over de rijkelijk gevulde kas van de Nederlandse Unie.

Johannes Meindert van Groin de Planque
Den Haag 9 september 1897
(zijn CABR-dossier heb ik maar voor een klein deel bestudeerd, zodat de meeste van zijn wandaden hier niet beschreven worden)
Hij was al in 1933 lid van de NSB met nr. 3717, bedankte in 1934 vanwege het ambtenarenverbod, maar werd in 1940 opnieuw lid. Zijn bijnamen bij de politie waren Planken of Plantinga.
Hij werd lid van de Germaanse SS en het Rechtsfront. Hij deed onderzoek naar de activiteiten van de niet-communistische verzetsman Elders. Hij kwam in februari 1942 bij de politie en meteen bij de Documentatiedienst. In de loop van 1942 tot begin 1943 kreeg hij binnen de Documentatiedienst de leiding over het opsporen van communisten. Eind 1942 nam hij deel aan de inval bij Gerbert Bakker, waar verschillende arrestaties uit volgden. Hij was betrokken bij de diefstal van allerlei goederen als levensmiddelen, rookwaren en fietsbanden uit de woning van Bakker. Hij arresteerde Evert Ruivenkamp en Dominicus Middendorp, die later gefusilleerd zouden worden.
Hij werkte tijdens de oorlog voor de Duitse spionagegroep Stelle P van de vooroorlogse spion Protze. Hij werd na de oorlog ter dood veroordeeld wegens het doodschieten van enkele gevangenen, maar kreeg gratie, waarbij de straf werd omgezet in eenentwintig jaar en vijf maanden.

Jacob Gros
Finkum 1 april 1900, 1968
(Omdat zijn dossiers door bevriende politieambtenaren verduisterd werden, waarschijnlijk op instigatie van Crabbendam, is er weinig over zijn wandaden bekend, alleen wat in andere dossiers is vermeld geeft enig inzicht; verreweg de meeste wandaden zijn daarom onbekend)
Hij kwam al voor 1925 bij de Haagse Gemeentepolitie. Hij werkte vanaf 1935 bij de Haagse Politie Inlichtingendienst. De politie-infiltrant Van Soolingen rapporteerde aan hem.
Hij kwam in november 1940 bij de Documentatiedienst waar hij ten behoeve van de Sicherheitsdienst werkte. Hij ging in april 1941 naar de Justitieelen Dienst. Hij verleende tijdens de oorlog speciale diensten aan procureur-generaal Van Genechten. Hij kreeg een radio cadeau vanwege speciale diensten die hij op verzoek van Van Genechten aan de Sicherheitsdienst had verleend. Hij werkte samen met de politieman Johannes Hendrik Christiaan Krom uit het Sonderkommando Frank van de Duitse contraspionage en de V-Mann Johannes Bosschieter bij het opsporen van communisten en ondergedoken Joden.
Eind 1944 maakte hij deel uit van het Kommando Markgraaf dat roofovervallen moest bestrijden. Dat Kommando arresteerde ongeveer honderd personen, die door de waarnemend hoofdcommissaris Valken aan de Sicherheitsdienst werden uitgeleverd en konden dienen als slachtoffers bij represaille-fusillades. Veel van de ze overvallers waren zware criminelen, maar er zaten ook verzetsmensen bij die bonnen, voedsel en andere nuttige zaken voor onderduikers trachten te verkrijgen. Er werd geen onderzoek gedaan naar wie om criminele redenen en wi4e om verzetsredenen overvallen plaagde.
Direct na de oorlog werd hij weer bij de Inlichtingendienst geplaatst. In juni 1945 benaderde hij Van Soolingen opnieuw om hem over te halen zijn infiltratiewerk in de CPN voort te zetten. Daarna kwam hij achtereenvolgens bij de afdeling B van het BNV, CVD en BVD te werken. Hij probeerde Van Soolingen na de oorlog weer bij het anticommunistisch werk te betrekken, maar dat ging niet door, omdat van Soolingen op 22 juni 1945 gearresteerd werd. Het naoorlogse zuiveringsdossier van Gros is verdwenen evenals het dossier voor de Bijzondere Rechtspleging.
Hij liet tijdens het proces tegen Van Soolingen hem verzoeken om zijn naam niet te noemen. Hij verzocht Van Soolingen om na diens veroordeling niet in cassatie te gaan, want wist wel een mogelijkheid om hem vrij te krijgen (later werd Van Soolingen inderdaad frauduleus uit de gevangenis vrijgelaten). Hij zocht Van Soolingen regelmatig op toen die na zijn frauduleuze vrijlating door de minister van Justitie thuis zat. Hij bleef na zijn pensioengerechtigde leeftijd aan de BVD verbonden om Van Soolingen regelmatig in de gevangenis op te zoeken, met het doel hem te bewegen om niet te gaan praten over daden van politiemannen.

Ir. Felix Hendrik Eugenius Guljé
Den Haag 26 juni 1893, Leiden 1 maart 1946
Hij was voor de oorlog voorzitter van de Algemene Katholieke Werkgevers Vereniging. Voor, tijdens en na de oorlog was hij directeur van de NV Hollandsche Constructiewerkplaatsen.
Tijdens de oorlog ging zijn bedrijf voor de Wehrmacht en Kriegsmarine werken. Daardoor groeide het bedrijf spectaculair. De Duitsers wezen het daarom aan als Rüstungsbetrieb, wat betekende dat het dermate belangrijk voor de Duitse oorlogsindustrie was en dat het niet toegestaan was orders van andere bedrijven aan te nemen. Tijdens de april-meistakingen in zijn bedrijf uit protest tegen de terugroeping van militairen in krijgsgevangenschap liet hij daarvan aan de Duitse autoriteiten melding maken.
Guljé had samen met zijn mededirecteuren bezittingen van Duitse opdrachtgevers als de Wehrmacht en Kriegsmarine verduisterd, Duitse opdrachtgevers omgekocht en valse facturen voor ruim 300.000 gulden te eigen bate opgesteld. Dat geld had hij na de oorlog aan de Nederlandse staat moeten overhandigen, omdat hij dat niet had gedaan maakte hij zich schuldig aan diefstal van geld van de Nederlandse staat.
Hij werd op 11 augustus 1945 gedetineerd op beschuldiging van economische collaboratie, omkoping en fraude met valse facturen. Hij werd op 13 oktober alweer vrijgelaten toen de beschuldiging van collaboratie werd ingetrokken. Hij kreeg wel huisarrest vanwege de beschuldiging van fraude: hij mocht zich alleen thuis en op zijn bedrijf bevinden en de kortste weg daartussen.
Hij werd op 1 maart 1946 in de deuropening van zijn woning doodgeschoten. Hij was op slag dood. Bij zijn begrafenis kwam een afvaardiging van de regering bestaande uit minister-president Schermerhorn en minister van Justitie Kolfschoten. De eerste had met zijn maatregelen van voor de oorlog ongeveer duizend dode communistische verzetsmensen veroorzaakt en Kolfschoten bagatelliseerde de massamoorden die door de politie gepleegd waren; beiden vertoonden zich nooit op de begrafenissen van verzetsmensen. Bij de begrafenis werd geclaimd dat Guljé Joodse onderduikers in huis had gehad en het verzet had geholpen. Deze beweringen zijn later onderuit gehaald, het enige wat hij gedaan had was dat hij de bij de buren ondergedoken Joden, die verwanten van de buren waren, niet verraden had. In 2011 bekende Atie Ridder-Visser hem te hebben doodgeschoten.

Jan Haakman (Ringeling)
Weesp 6 augustus 1899
Hij was in de jaren twintig een zakenman die zich in diverse beleggingen stortte. Hij trachtte in 1920 een pand aan Dirk Vrijenhoek te verkopen tegen betaling van waardeloze effecten. In 1932 organiseerde hij de verkoop van premieobligaties voor ABEX, het bedrijf dat later in handen van Zwolsman kwam. Hij verkocht obligaties en ridderorden. Er werd vier keer proces-verbaal tegen hem opgemaakt wegens oplichting. Hij organiseerde loterijen voor liefdadigheidsverenigingen, waarbij hij een deel van de opbrengst mocht houden. Hij verkocht academische diploma’s en ridderorden.
Hij werd in de jaren dertig filmproducent en stichtte de bedrijven Instituut voor Onderwijsfilms en de Nederlandsche Leerfilm Centrale in Nederland en Gloria in Berlijn. Gloria werkte vaak samen met Universum Film AG, beter bekend onder de afkorting UFA. UFA was berucht om zijn antisemitische films. De UFA was aan het einde van de Eerste Wereldoorlog door generaal Erich Ludendorff opgericht voor propagandadoeleinden en als dekmantel voor geheime diensten. In de jaren dertig werd het bezit van de staat en ging nationaalsocialistische en antisemitische propagandafilms maken.
Haakman werkte gedurende de jaren dertig voor Duitse filmbedrijven. Hij werd door de secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken Jhr. Aarnout Snouck Hurgronje aangezocht als koerier voor de Nederlandse regering om diplomatieke stukken naar de ambassade in Berlijn te brengen, maar hier werd een einde aan gemaakt toen uitkwam dat hij van de gelegenheid gebruik maakte om deviezen te smokkelen; zijn koerierspas werd echter niet ingenomen, zodat hij door kon gaan met smokkelen. In 1939 werd Gloria overgenomen door UFA. In hetzelfde jaar ging hij kortstondig failliet.
Hij werd meteen aan het begin van de bezetting lid van de NSB met stamboeknummer 107256. Hoewel alle filmcamera’s door de Duitsers in beslag werden genomen, mocht hij ze behouden om voor de ontspanning van Duitse militairen te werken. Hij werd inkoper van filmmaterialen en vervolgens allerlei andere zaken voor de Wehrmacht. Dat inkopen moest hij meestal op de zwarte markt doen, waarmee hij in korte tijd schatrijk werd.
Omdat hij ook oneerlijk tegenover de Duitsers was, werd hij gearresteerd. Na een paar weken werd hij weer vrijgelaten, maar kreeg van de Inspectie Prijsbeheersing een boete van een half miljoen gulden opgelegd (nu na inflatiecorrectie zes miljoen Euro). Dit geeft inzicht hoeveel hij wist te roven. Uiteindelijk hoefde hij de boeten niet te betalen, maar moest wel bij het Sonderkommando Frank aan de slag als V-Mann bij de bestrijding van zwarte handel. Dat stelde hem in staat om zelf nog meer goederen te roven en op de zwarte markt te verkopen. Hij werkte toen onder de Duitser Fritz Hillesheim.
In opdracht van de Omnia Treuhandgesellschaft liquideerde hij verschillende Joodse ondernemingen. Hij kocht verschillende van de joden gestolen panden. Hij kocht een zakenpand aan de Weteringkade 51, waarin vervolgens Zwolsman soms korte tijd overnachtte en mensen gevangen hield. Sommige panden kocht hij aan op naam van zijn broers, omdat hij vreesde dat zijn bezittingen na de oorlog wel eens geconfisqueerd konden worden. Ook verkocht hij via Zwolsman weer een aantal Joodse panden, zodat de nieuwe eigenaren niet door hadden dat hem om gestolen Joods bezit ging. Hij werd de chef van Zwolsman bij het Sonderkommando Frank van de Duitse contraspionage. Hij kocht van Zwolsman voor 100.000 gulden aandelen in diens bedrijf Nassaulaan. Hij kreeg van Frank opdracht om te trachten verzetsbewegingen te infiltreren; hij gebruikte daarbij de schuilnaam Ringeling.

82383a01
De Weteringkade waar Haakman aan de overkant op nummer 51 een zakenpand had, waar Zwolsman soms door hem gearresteerde gevangenen opsloot om die af te kunnen persen.

De chef Friedrich Frank van het gelijknamige Sonderkommando voor de contraspionage voorzag Haakman van Bescheinigungen, waarin stond dat alle Duitse autoriteiten hem desgewenst hulp moesten bieden en hem vergunning gaven om een pistool te dragen. Hij kreeg dan ook een FN kaliber 6.35 pistool. Bij zijn activiteiten als V-Mann gebruikte hij de schuilnaam Ringeling.
De Duitse contraspionage fingeerde in Helvoirt een wapendropping. Daarbij lokte Haakman een verzetsgroep in de val waarna dertien mensen gedood werden in het vuurgevecht dat ontstond en de fouillering van de overlevenden. Op instigatie van enkele politiemannen van de Documentatiedienst verraadde hij het onderduikadres van de vooroorlogse Joodse Inlichtingendienstman De Beer. Die werd door de Sicherheitsdienst gearresteerd, waarna zijn vrouw afgeperst werd om zogenaamd vrijwillig een pakket aandelen ter waarde van 82.000 gulden af te staan.
Hij zorgde voor de vrijlating van ruim 250 gearresteerde welgestelde Nederlanders die daarvoor een losprijs moesten betalen aan de Sicherheitsdienstfunctionarissen. Dit was een onderdeel van het door Fritz Hillesheim opgestelde corruptie- en chantagespel bij de Sicherheitsdienst. De winst zette Haakman om in onroerend goed en juwelen. Hij bewerkstelligde ook de vrijlating van de Inlichtingendienst- en Sicherheitsdienstman, later BVD’er Van der Ploeg, terwijl die zelf beweerde ontsnapt te zijn. Van der Ploeg was na Dolle Dinsdag uit zijn functie bij de Sicherheitsdienst gedeserteerd en daarom gearresteerd.
Hij maakte deel uit van een keten van informatiedoorgevers, waarmee een Spiel met Londen gespeeld werd. Het Bureau Bijzondere opdrachten in Londen zond een gecodeerd bericht naar de Geheime Dienst Nederland (GDN). Die was geïnfiltreerd door de V-Mann Zwolsman voor Friedrich Frank van de Duitse contraspionage. De GDN zat in het Vredespaleis. De berichten werden gedecodeerd. Een lid van de GDN liet die berichten door een koerierster bij Zwolsman afleveren. Zwolsman gaf ze door aan Haakman en die bezorgde ze bij Frank en die gaf ze weer door aan zijn chef Joseph Schreieder die de leiding had over de Duitse contraspionage. Schreieder schreef een reactie en die volgde de omgekeerde weg.
De chef van de Duitse contraspionage wilde begin 1945 besprekingen met het verzet regelen. Eigenlijk was dat flauwekul, want het betrof een verzameling van echte verzetsmensen en collaborateurs, die voor de zekerheid wat lijntjes naar verzetsgroepen hadden uitgezet. De meeste relaties betroffen rechtse tot extreemrechtse groeperingen zoals de Ordedienst, of rechtse vertegenwoordigers van verzetssamenwerkingen zoals de Landelijke Organisatie, het Nationaal Comité en het Medisch Contact. Voor dat doel werd Haakman ingezet, die vervolgens Zwolsman benaderde. Haakman was beoogd als een van de deelnemers, maar hij kwam te laat.
Haakman kreeg in februari 1945 van Armin Hinckfusz van de Duitse contraspionage opdracht om een spionageorganisatie in Nederland op te bouwen voor na de Duitse nederlaag. Dit was een onderdeel van de operatie Werwolf, die later opging in de SOAN en nog later in de geheime organisatie Operatiën & Inlichtingen die tot in de jaren negentig zou blijven bestaan.
Op 3 maart 1945 werd Bezuidenhout gebombardeerd. Daarbij werd het woonhuis van Haakman totaal verwoest en de inhoud totaal vernietigd. Haakman, zijn vrouw en hun kind liepen geen schrammetje op. Waarschijnlijk was hij van tevoren gewaarschuwd voor het bombardement, dat door het Sonderkommando Frank was uitgelokt in een Spiel met Londen.
In maart 1945 zorgde Haakman voor de benodigde Fahrbescheinigungen om de chauffeur van Zwolsman de politicus Willem Drees op te halen voor besprekingen met de Duitse contraspionage. Andere deelnemers aan die besprekingen waren het hoofd van de Sicherheitsdienst in Den Haag Johannes Munt, de chef van de Duitse contraspionage Joseph Schreieder en de V-Mann Reinder Zwolsman.
Reinder Zwolsman had in april 1945 aan Johan Fentener van Vlissingen een Rotterdams flatgebouw verkocht voor drie miljoen gulden. Maar het probleem was dat er nog niet getekend was en Fentener van Vlissingen in Utrecht gevangen zat en dreigde gefusilleerd te worden. Zwolsman beloofde Haakman 100.000 gulden als hij kans zag te bereiken dat er alsnog getekend werd. Haakman ritselde de vrijlating bij de Sicherheitsdienst, die was goed omkoopbaar, haalde Fentener van Vlissingen uit de gevangeis en leverde hem af op het kantoor van Zwolsman.
In februari 1945, toen de hongersnood op zijn hoogst was, handelde hij op grote schaal zwart in aardappelen, die hij door zijn relaties binnen de Sicherheitsdienst, zoals Siegfried Schuster, per binnenschip kon laten aanvoeren.

Afrekening van de aankoop van 90.000 kg aardappelen door Haakman en een overgewicht van 5.567 kg. Op de zwarte markt is op dat moment de prijs 430 gulden per kilo. Dit betekende een winst van 40.000 gulden, te vergelijken met 400.000 Euro nu. Het is een voorbeeld van de grootschalige zwarte handel door de Sicherheitsdienst en zijn trawanten als Haakman en Zwolsman.

Opmerkelijk is dat Haakman na het bombardement op Bezuidenhout inwoonde bij George Meijer, die evenals Haakman V-Mann voor Friedrich Frank was, terwijl op diens landgoed De Woldberg in Epe de communistische vrouw Mijntje Tettero oppaste. De echtgenoot, een communistische verzetsman, zat in een concentratiekamp, en met als onderduiker de belangrijke Duitse communistische vluchteling Heini Meyer (spion en anti-Duitse activist voor Moskou). Heini Meyer woonde al voor de oorlog bij Tettero.
Na de oorlog kwam de V-Mann Zwolsman bij de politieke recherche werken en liet zijn ‘goede vriend’ Haakman arresteren, daarbij nam Zwolsman grote hoeveelheden kostbare goederen in beslag die hij vervolgens voor zichzelf hield. Het vermogen van Haakman werd op 15 miljoen gulden geschat (nu 85 miljoen Euro). Hij werd gedetineerd, maar zonder veroordeling vrijgelaten. Wel moest hij zijn aankopen van Joodse panden afstaan, maar mocht zijn bergen juwelen behouden.
In 1948 wilde Friedrich Schallenberg zich tot Nederlander laten naturaliseren. Daarvoor had hij uit Keulen een afschrift van zijn geboorteacte nodig. Een schriftelijke aanvraag lukte niet. Haakman had toen nog steeds contact met zijn voormalige chef bij de Sicherheitsdienst Oskar Wensky, die weer bij de politie in Keulen werkzaam was. Hij vroeg Wensky om een afschrift van de geboorteacte, waarna Schallenberg zij naturalisatieverzoek kon indienen.
Haakman stond na de oorlog in nauw contact met de Inlichtingendienst. Hij vroeg in augustus 1983 een verzetspensioen aan bij de Stichting 1940-1945.

Aart Hendrik Willem Hacke
Amsterdam 10 mei 1893, Putten 1 september 1961
Hij werd in 1932 directeur-generaal van de Arbeid in welke functie hij zich sterk maakte voor de regeringspolitiek om de crisis te bestrijden met loonsverlagingen.
Na de Duitse bezetting werd hij daarnaast benoemd tot directeur van het Rijksbureau voor Diamant. Hij weigerde echter mee te werken aan de inlevering van de diamantvoorraden. Ook weigerde hij om aan de bezetter op te geven welke Joden in de diamantindustrie werkzaam waren. Vanwege het laatste werd hij ontslagen.
Na de oorlog kwam hij in conflict met de minister van Sociale Zaken, waarna hij als directeur-generaal van de Arbeid ontslagen werd. Hij werd toen Tweede Kamerlid voor de Partij van de Vrijheid, die in 1948 opging in Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD).
Hacke richtte na de oorlog in navolging van de WA van de NSB zogenaamde weerbaarheidsafdelingen op om tegen communisten en andere linkse groeperingen te gaan vechten.
In 1947 richtte hij samen met Tjerk Elsinga de particuliere inlichtingendienst ‘Dienst Hacke-Elsinga’ op die gericht was op het bestrijden van het communisme. In deze dienst gingen de voorgaande groep José onder leiding van Elsinga en de operatie Werwolf op, benevens de vechtploegen van de door hem opgericht weerbaarheidsafdelingen en die van het fascistisch georiënteerde Nederlands Jongeren Verbond.
Vervolgens werd deze dienst op instigatie van de minister van Buitenlandse Zaken Dirk Stikker omgevormd tot de Stichting Opleiding Arbeidskrachten Nederland (SOAN), die in principe een tegen de communisten gerichte geheime dienst onder controle van de VVD was. De SOAN zou zich in korte tijd ontwikkelen tot de grootste criminele organisatie uit de Nederlandse geschiedenis. De SOAN hield zich bezig met het naar het buitenland smokkelen van gedurende oorlog geroofde juwelen en aandelen die daar te gelde gemaakt konden worden. Verder was de SOAN betrokken bij het beramen van een staatsgreep, het beramen van aanslagen op de Indonesische onderhandelingsafvaardiging voor de onafhankelijkheid, het beramen van ontvoeringen en moordaanslagen op PvdA-politici. Binnen de kring van SOAN-leden en –informanten en criminele handlangers ontstonden regelmatig onenigheden die tot een reeks moorden leidden, waar die op Friedrich Schallenberg de meest geruchtmakende was. Hacke kan daarom in plaats van politicus beter als maffiabaas gekwalificeerd worden.
Het was dat de PvdA in de regering nodig was voor een meerderheid in de Tweede Kamer, anders zou het optreden van de SOAN waarschijnlijk tot een bloedbad onder de voormalige communistische verzetsmensen hebben geleid en mogelijk zelfs tot de afschaffing van de democratie, waarbij de regeringspartij KVP onder leiding van Carl Romme ook een voorstander van de afschaffing was.
In opdracht van minister-president Louis Beel moest de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) met de SOAN samenwerken, waardoor de oorlogsmisdadiger Sweerts zelfs een werkplek bij de BVD kreeg.
In de SOAN speelde de voormalige SS’er en lid van de organisatie Werwolf Pierre Sweerts een dominante rol. Verder bestond de SOAN voornamelijk uit politiemensen en informanten die nauw met de Sicherheitsdienst hadden samengewerkt, Wehrmachtinkopers, collaborateurs, voormalige SS’ers, zwarthandelaren, oorlogswinstmakers en plegers van roofovervallen.
De schandalen rond de VVD-organisatie SOAN en de veroordelingen van vele leden van de SOAN, waarbij Tjerk Elsinga, liepen zo de spuigaten uit dat de regering zich in 1952 genoodzaakt zag de SOAN op te heffen, maar liet die in werkelijkheid geluidloos in de organisatie Operatiën & Inlichtingen (O&I). Hacke kreeg een leidinggevende rol in O&I.

Mr. Petrus Martinus Carolus Julianus Hamer
Meppel 19 februari 1891, 1975
(zijn CABR-dossier heb ik maar ten dele bestudeerd, zodat veel van zijn wandaden hier niet beschreven worden)
Hij was lid van de Vrijmetselarij. In de jaren twintig diende hij als luitenant in het KNIL in Nederlands-Indië. Hij was voor de oorlog officier-commissaris en plaatsvervangend auditeur-militair bij de krijgsraad in Den Haag. Hij zat voor de Vaderlandsche Club in de Volksraad; hij verliet die Club, maar bleef in de Volksraad. Hij overwoog een eigen fascistische groepering op te richten, maar zag daar uiteindelijk vanaf. Hij was daarnaast secretaris van het Suikersyndicaat.
Midden jaren dertig keerde hij naar Nederland terug. Hij werd lid van de fascistische groepering Rijksunie. Hij nam contact op met de NSB, waar Cornelis van Geelkerken hem probeerde over te halen om lid te worden. Hamer zag er van af, omdat het hem zou belemmeren om in dienst van het leger te treden.
Hij werd aangenomen als officier-commissaris in de IIIe Militaire Afdeeling en plaatsvervangend auditeur-militair bij de krijgsraad in de vesting Holland. Zijn kantoor was gevestigd in de Laan Copes van Cattenburch 6.
In die tijd had hij veelvuldig contacten met Duitse spionnen in Den Haag zoals Bonn en Protze, die hij in het restaurant Château Bleu van Henk Alsem of in het luxueuze Hotel des Indes ontmoette. Hij werd ook veel in gezelschap van de Duitse persattaché Heinrich Hushahn gezien, die eigenlijk ook als spion voor Duitsland functioneerde; hun kantoren lagen aan de Haagse Laan Copes van Cattenburch 50 meter uit elkaar.
Hij werd per 9 september 1941 door Polizeiführer Rauter benoemd tot hoofdcommissaris van politie in Den Haag. Hamer werd toen onmiddellijk lid van de NSB met stamboeknummer 95113, de NSNAP en begunstigend lid van de SS; het nummer beneden de 100.000 suggereert dat hij al voor de oorlog i het geheim lid van de NSB was. Hij werkte tijdens de oorlog voor de Duitse spionagegroep Stelle P van de vooroorlogse spion Protze. Als hoofdcommissaris was hij verplicht om opdrachten van het belangrijke lid van de Duitse contraspionage Protze uit te voeren. Hij was behulpzaam bij het stelen van staatsgeheimen uit een militair archief en gaf die door aan de Duitse contraspionage.

Hamer tijdens zijn eerste rede voor de Haagse politie. Geheel links commissaris Clasie.

Een van de eerste zaken die Hamer regelde was het huisvesten van de Haagse Politie Inlichtingendienst in zijn voormalige kantoor aan de Laan Copes van Cattenburch 6.
In oktober 1940 benoemde hij Crabbendam tot chef van zijn kabinet. Hij richtte de Documentatiedienst op 25 november 1940 op met Crabbendam als tijdelijke chef; de naam had hij zelf bedacht. Hij deed een oproep aan het politiepersoneel om lid te worden van de NSB en het Rechtsfront. In februari 1942 veroordeelde de arrondissementsrechtbank in Arnhem een politieman tot twee maanden gevangenis, omdat hij een arrestant bij een vluchtpoging had doodgeschoten. Hierop reageerde Hamer onmiddellijk met de mededeling aan het Haagse politiepersoneel dat de politie van een vuurwapen gebruik mocht maken om een arrestant het vluchten te beletten.
Hij had een intieme relatie met Dolly Peekema-Dibbets, die gehuwd was met een samen met de regering naar Londen vertrokken topambtenaar. Hij kende haar al uit Nederlands-Indië. Dolly werkte als spionne voor Protze. Ze reisde regelmatig naar Spanje. Ze had daar ook een relatie met een Amerikaanse militaire attaché. De attaché zou haar inlichtingen hebben verstrekt over de geallieerde invasie en zou zelfs juiste plaats, dag en tijdstip hebben verteld. Ze in die tijd een verhouding had met rijkscommissaris Seyß-Inquart, maar desondanks bereikten deze gegevens door trage berichtgeving Berlijn pas na de invasie.

De Haagse politie in fascistische paradepas tijdens een défilé in 1942, waarbij Hamer voor het pand van de Documentatiedienst staat.

Hij was alcoholist en bezatte zich in Château Bleu regelmatig in gezelschap van Duitse functionarissen. Hij werd in oktober 1943 uit zijn functie gezet vanwege zijn frequente dronkenschap.
Hij werd na de oorlog tot vijftien jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij vroeg in 1988 een verzetspensioen bij de Stichting 1940-1945 aan.

Gerhard Hanken
Rotterdam 16 januari 1901, Harderwijk 22 juli 1987
Hij kwam in januari 1927 bij de Haagse politie. Hij werd in de ondercheffunctie van Wachtcommandant lid van de Documentatiedienst. Samen met Steven Pegels arresteerde hij de verzetsman George Elders en deed er verder onderzoek naar; zijn bevindingen leidden er toe dat Crabbendam er een groter team op zette. Zijn onderzoek leidde er toe dat Elders werd vrijgelaten (vermoedelijk als lokaas) en twee jaar later door Anton van der Waals opnieuw werd gearresteerd, waarna Elders bij een ontsnappingspoging op het Binnenhof door Van der Waals werd doodgeschoten. Hij ging in september 1941 naar de Ordepolitie. Later kwam hij opnieuw bij de Documentatiedienst.
In januari 1943 vernam hij dat de gedeporteerde Joden in Duitsland vermoord werden. Die mededeling was zeer geloofwaardig, want sinds mei 1942 kwamen uit Neuengamme, Buchenwald en Groß-Rosen massaal berichten binnen over de dood van communisten, die als de andere voor de Duitsers vijandige groep beschouwd werden en voorjaar 1941 kwamen berichten uit Mauthausen binnen over de dood van nagenoeg alle bij een razzia opgepakte Amsterdamse Joden.
In 1943 werd hij door Amiabel ingeschakeld om de zoon van de voormalige Joodse informant De Beer van de Documentatiedienst te arresteren, die Amiabel om hulp bij het onderduiken had verzocht. Op diens onderduikadres werden nog twee Joodse onderduikers aangetroffen, die gearresteerd werden en omgekomen zijn; de jongen werd ook gearresteerd maar overleefde de oorlog.
Hij werd na de oorlog bevorderd tot commissaris. Na de moord op Friedrich Schallenberg kreeg hij de leiding over het onderzoek. Hij stelde Inlichtingendienstman Antonie Cornelis van der Spek daarbij als zijn assistent aan in plaats dat hij de afdeling Moordzaken inschakelde, terwijl Van der Spek in een directe corrupt-zakelijke en Inlichtingendienst-relatie met Schallenberg stond en in principe op de lijst van verdachten behoorde te staan.
Bij de Bijzonder Rechtspleging hoefde een verdachte maar de naam van Hanken bij een bepaalde verdenking te noemen en de beschuldiging verdween van tafel. Hij kwam na de oorlog bij de BVD te werken. Zijn personeelsdossier bij de Haagse politie is spoorloos uit het politiearchief verdwenen. Hij werd bevorderd tot commissaris van politie.
Hij stelde het verzamelproces-verbaal samen over de zogenaamde zelfmoord door Friedrich Schallenberg, waarbij essentiële verklaringen niet werden opgenomen. De belangrijkste niet opgenomen verklaring is die van de politieman Rietberg, die het lijk gevonden heeft en als enige een ambtsedige verklaring over de vindplaats had afgelegd. Nu is de vindplaats nog steeds onbekend. Hanken veranderde in het proces-verbaal de plaats en het tijdstip van de vondst van het lijk.

Ing. Justinus Johannes van Hasselt
Rotterdam 1903, Wassenaar 7 april 1945
Zijn roepnaam was Just. Hij was de zoon van de eerste coach van het Nederlands voetbalelftal Kees van Hasselt. Hij was gehuwd met de Venezolaanse vrouw Josefina Mendez Omana. Hij was werktuigbouwkundige van beroep. Hij werkte eerst op de scheepswerf De Schelde in Vlissingen, vervolgens werd hij omstreeks 1941 bedrijfsleider bij de precisiemetalenfabriek van Dirk Vrijenhoek. Er ontstond een vriendschappelijke relatie tussen Vrijenhoek en Van Hasselt.
Het bedrijf ging contracten aan voor leveringen aan de Luftwaffe, waarbij het bedrijf als onderaannemer voor de collaberende bedrijven De Schelde, Pander, Aviolanda en Fokker fungeerde. In 1942 gooide Van Hasselt het roer om en ging exclusief voor het Duitse bedrijf Warsitz Werke opdrachten uitvoeren; dat bedrijf had een belangrijke vestiging in Amsterdam. Warsitz Werke was een fijnprecisiemetaalproductenbedrijf dat uitsluitend voor de Luftwaffe werkte en was betrokken bij de ontwikkeling van straalvliegtuigen en V2-raketten.
Vrijenhoek werd begin 1942 gearresteerd, omdat hij zijn Joodse buurman Herman Levy en zijn vrouw op bezoek had en die daarbij geen ster op hadden. Levy was een bekende sportjournalist en moet in die hoedanigheid Van Hasselts vader Kees goed gekend hebben. Levy was in zekere zin ondergedoken en woonde als huisbewaarder in een pand van Zwolsman, die daar eerder zelf in gewoond had. Het lijkt erop dat de politie getipt was over het bezoek. De tipgever kan Zwolsman, Van Hasselt of een van de buren zijn geweest. Vrijenhoek werd in Vught opgesloten.
Van Hasselt had het nu in het bedrijf voor het zeggen en gooide meteen het roer om en ging exclusief voor het Duitse bedrijf Warsitz Werke opdrachten uitvoeren; dat bedrijf had een belangrijke vestiging in Amsterdam. Warsitz Werke was een fijnprecisiemetaalproductenbedrijf dat uitsluitend voor de Luftwaffe werkte en was betrokken bij de ontwikkeling van straalvliegtuigen en V2-raketten. Hij werd in juni 1943 lid van de SS, maar zegde dat drie maanden later alweer op.
In maart 1944 zag Vrijenhoek kans om zich ook via Hillesheim vrij te kopen. Toen hij in Den Haag terugkeerde, nam hij het roer in het bedrijf weer over. Hij constateerde dat er met de boekhouding was geknoeid en ontsloeg Van Hasselt. Daarna was de onderlinge verstandhouding vijandig. Vervolgens werd Van Hasselt zelf ook naar Vught gestuurd, omdat hij bij leveringen aan de Duitsers ook geknoeid had. Na een paar maanden werd hij weer vrijgelaten.
Na de oorlog vertelde de typiste van Friedrich Frank, lid van de Duitse contraspionage, dat ze een rapport moest type, waarin stond dat een V-Mann een bespreking meteen lid van de Geheime Dienst Nederland (GDN) had in café The Corner, waarbij verteld werd dat dat een ingenieur gegevens en werktekeningen over onderdelen van de V2 zou verstrekken. Het lijkt er sterk op dat hier Van Hasselt werd bedoeld.
Begin 1945 zocht Van Hasselt contact met Franks V-Mann Richard Salter om in Antwerpen de Geallieerden een exemplaar van het sluitstuk van de V2 in handen te spelen. Salter stapte naar Frank en kreeg te horen dat Van Hasselt niets van de V2 afwist. Frank zorgde voor valse werktekeningen van V2-onderdelen. Salter gaf ze aan Van Hasselt. De werktekeningen moesten afkomstig lijken te zijn van de Warsitz Werke.
Het is onduidelijk wat de positie van Van Hasselt was. Of hij was een V-Mann van Frank, of hij speelde een dubbelrol of hij probeerde zich door middel van een ‘goede daad’ schoon te wassen. Frank vond Van Hasselt onbetrouwbaar en wilde hem uit de weg geruimd hebben. Maar hij wilde het niet door zijn dienst laten opknappen, omdat wantrouwen bij partners in andere operaties zou kunnen veroorzaken. Hij koos de weg om Van Hasselt bij andere verzetsorganisaties of pseudoverzetsorganisaties zwart te maken.
De Sicherheitsdienst (SD) organiseerde in samenwerking met de GDN in maart 1945 een voedseltocht naar het noorden van het land, waarbij de SD voor zes vrachtwagens en benzine zorgde. Het meerdere doelen. Ten eerste had de Sicherheitsdienst zelf voedsel nodig, ten tweede gaf het waardevolle goederen die op de zwarte markt door handlangers van de Sicherheitsdienst als Zwolsman verhandeld konden worden, ten derde kon er goede sier bij het ‘verzet’ mee gemaakt worden door hen wat toe te schuiven en ten vierde was het goed voor naoorlogse public relations door wat aan ziekenhuizen af te staan. Terwijl de tocht door de SD was georganiseerd, werden de deelnemers op de terugtocht in Alkmaar gearresteerd en aan Frank overgeleverd, waarna Van Hasselt snel werd vrijgelaten. Daarmee werd veel wantrouwen gezaaid. Daarna werd hij ervan beschuldigd de hand te hebben gehad in het verraden van mensen die ondertussen al gefusilleerd waren.
Op 31 maart 1945 overvielen twee politiemannen de woning van Van Hasselt, terwijl een handlanger, Ton Wolf, buiten bleef wachten. Ze kwamen zogenaamd huiszoeking doen, maar daarbij werden en passant een aantal waardevolle goederen gestolen. Een van de politiemannen vertrok en toen kwam Wolf binnen. De twee schoten op het echtpaar en maakten zich uit de voeten. Van Hasselt verloor werd in de arm getroffen en verloor het bewustzijn en bij zijn vrouw ketste een kogel op de schedel af.
Het echtpaar werd in ziekenhuis Westeinde opgenomen, maar de vrouw werd kort daarop naar de Ursulakliniek overgebracht. Toen bekend werd dat Van Hasselt het overleefd hard werd Zwolsman er met twee marechaussees uit het Sonderkommando Frank erop uitgestuurd om Van Hasselt te ontvoeren. Dat deed Zwolsman op 2 april om middernacht in gezelschap van twee marechaussees, terwijl ze allen gekleed waren in het uniform van de Sicherheitsdienst. Van Hasselt werd ook naar de Ursulakliniek overgebracht. Dar werd hij in de gesloten afdeling opgesloten onder permanente bewaking van marchaussees.
Op 7 april kwam Zwolsman geagiteerd in de Ursulakliniek en zei dat Van Hasselt ‘weg’ moest. Er werd in de kelder een graf gegraven. Voor de schijn werd er een verhoor afgenomen, waarvan de verzetsman Edmund Wellenstein een rapport opstelde. Er stond niets bijzonders in. Het verhoor werd afgenomen nadat Van Hasselt een zware morfine-injectie had gekregen, zodat hij willoos alleen maar iets onverstaanbaars mompelde. Vervolgens werd Van Hasselt met een injectie om het leven gebracht.
Na de oorlog ging Cornelis, de broer van Van Hasselt, op onderzoek uit. Hoelen vond hem kennelijk lastig, want hij sloot hem op in de gesloten afdeling van de Ursulakliniek en hield hem maanden, misschien wel jarenlang gevangen, onder het mom dat hij een psychiatrisch patiënt was.
In november 1945 vond Hoelen het tijd worden dat het lijk uit de kelder verwijderd werd. Het lijk werd op 17 november 1945 opgegraven en het overlijden werd op 21 november bij de burgerlijke stand van Wassenaar aangegeven.

Cornelis Gysbert van Hees
Arkel 11 mei 1895
(zijn CABR-dossier heb ik maar ten dele bestudeerd, zodat veel van zijn wandaden hier niet beschreven worden)
Hij was voor de oorlog politieman. Hij werd lid van Documentatiedienst en werkte nauw samen met de Sicherheitsdienst bij het bestrijden van het communisme. Bij het observeren van een ontmoeting tussen Piet Wapperom en een onbekende achtervolgde hij de laatste. Dat bleek de communist Tjerk Kloostra te zijn. Hij was getuige van het neerschieten van de Duitse SD’er Zinkel door Tjerk Kloostra. Hij achtervolgde Kloostra opnieuw en kon collega’s die een vuurgevecht met Kloostra hadden gevoerd komen assisteren. Kloostra werd daarbij van dichtbij door het hoofd geschoten, nadat hij onder controle was gebracht. Hij kreeg daarvoor een beloning van 300 gulden van de Sicherheitsdienst.
Bij de naoorlogse zuivering werd gesteld dat Van Hees in de zaak Kloostra juist had gehandeld: men vond het juist dat hij communistische verzetsmensen in de val liet lopen. Hij legde na de oorlog als politieman een valse verklaring aan de minister van Justitie af. Hij werd eind jaren veertig weer als lid van de Inlichtingendienst naar vergaderingen van de CPN gestuurd.

Weerd-Heijnis

Cornelis Heijnis
Zuid en Noord Schermer 19 december 1911, Kerkrade 17 april 1998
Hij was sinds 1931 politieman. Hij verrichtte zo nu en dan activiteiten in burger voor de Inlichtingendienst. Hij was al voor de oorlog geheim lid van de NSB.
Hij werd tijdens de oorlog openlijk NSB-lid met stamboeknummer 110123. Hij werd lid van de SS. Hij werd per april 1941 bij de Documentatiedienst benoemd. Hij werkte in 1941 zo nu en dan samen met Johannes van Soolingen. Hij kreeg daar opdracht om voornamelijk aan de bestrijding van het communisme te werken en werkte daarbij zo nu en dan samen met Johannes van Soolingen. Zelf meldde hij daar na de oorlog over dat er verschillende mensen binnen de Documentatiedienst aan de bestrijding van het communisme werkten. (Mijn inschatting op basis wat ik over activiteiten uit die periode is dat die mensen waren: Crabbendam, Van den Bos, Veefkind, Eckhardt, Van der Ploeg en Heijnis; behalve Crabbendam allemaal vooroorlogse leden van de Inlichtingendienst.)
Hij arresteerde in januari 1942 Leo Ziekenoppasser, omdat hij hem er van verdacht een nummer van Vrij Nederland te hebben verspreid, met een artikel over de nederlaag van Napoleon in Rusland (Duitsland had was toen al de Sovjet-Unie binnengevallen). Hij arresteerde in 1942 ondergedoken joden. Hij observeerde in december 1942 een ontmoeting tussen Jaap Boekman en Van Soolingen, waardoor de illegale CPN voor de derde keer opgerold kon worden. Hij arresteerde Boekman met twaalf doden als gevolg. Hij arresteerde ook Willem Herder. Hij arresteerde veel communisten, waarvoor hij bovenop zijn salaris veel hoge beloningen kreeg. Een deel van dat geld belegde hij in huizen die hij via Reinder Zwolsman kocht.
Hij deed een schijnhuiszoeking bij Tampoebolon. Hij gaf leiding aan de infiltratie van de verzetsgroep Karl.
Hij kwam in 1944 bij de treincontrole werken. Hij werd na de opheffing van de Documentatiedienst in de zomer van 1944 lid van de Sicherheitsdienst. Tussen medio 1943 en maart 1945 moest de politie-infiltrant Van Soolingen aan hem rapporteren.
Heijnis liet Van Soolingen uitzoeken wie de illegale De Waarheid drukte. Hij was op 9 maart 1945 aanwezig bij de arrestatie van de drukkers Harry van der Logt en Hans van ‘t Veen die op 12 maart gefusilleerd werden. Hij verhoorde Petronella Verheijen en versprak zich daarbij, waardoor de dodelijke rol van Soolingen aan het licht kwam.
Hij werd op 11 mei 1945 gearresteerd. Hij werd veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf.

Simon Willem den Held
6 juni 1918
Zijn roepnaam was Jimmy. Hij was de broer van Corrie den Held, die tijdens de oorlog met Anton van der Waals trouwde; althans dat dacht ze, want Van der Waals gebruikte een valse naam en daarmee was het huwelijk ongeldig. Een andere zuster van Jimmy, Kitty, kreeg een relatie met de chef van de Duitse contraspionage Joseph Schreieder. Jimmy was net zoals zijn zwager Van der Waals een V-Mann van Joseph Schreieder.
Hij hield zich bezig met het afpersen van familieleden van arrestanten van de Sicherheitsdienst met de belofte dat hij voor vrijlating kon zorgen. De opbrengst deelde hij met Van der Waals. Hij hield zich ook bezig met berovingen en inbraken, waarna de buit op de zwarte markt verkocht werd.
Zijn zwager Van der Waals vermoorde zijn butler op een woonboot en zaagde het lijk in stukken en omwikkelde die met staaldraad. Daarna gooide hij de stukken in de Westeinder plassen. Daarbij waren Jimmy en Corrie aanwezig. Jimmy kon zien dat het om menselijke resten ging.
Een van zijn partners bij de zwarte handel was Reinder Zwolsman. Hij was lid van een criminele bende die zich zoals zo veel andere criminele bendes ‘knokploeg’ noemde. Bij een bepaalde inbraak die begin 1945 door Zwolsman georganiseerd was, werd de politie gewaarschuwd niet in de buurt te komen, maar toevallig kwam er een niet-ingewijde politieagent langs. Die arresteerde een van de inbrekers. De inbreker kwam in handen van de Sicherheitsdienst en chanteerde hem om zich voor tienduizend gulden vrij te kopen. Als tussenpersoon werd Jimmy ingeschakeld en die eiste van verwanten van de inbreker, die ook aan de inbraak hadden meegedaan, een veel hoger bedrag. Dat deed hij omdat hij wist dat de opbrengst veel hoger was geweest. Maar daardoor bleef er minder voor Zwolsman over. Zwolsman had goede relaties met de chantage- en afpersingsploeg bij de Sicherheitsdienst en leerde zo dat hij bedrogen was. Daarna nam hij Jimmy gevangen en sloot hem op in het kantoor van Jan Haakman. Nadat Zwolsman Jimmy zwaar mishandeld had, vertelde Jimmy waar hij de buit van enige tienduizenden guldens in geld en juwelen verstopt had. Zwolsman nam die in beslag en behield die weer voor zichzelf, zonder de andere inbrekers te laten delen. Vervolgens liet hij Jimmy door de Sicherheitsdienst ophalen.
Na de oorlog wilde men hem vervolgen vanwege de overvallen, de zwarte handel en misschien ook wel vanwege de relaties met de Duitse contraspionage. Hij werd gearresteerd en verhoord en beweerde toen Britse Intelligence Service te hebben gewerkt. Om verdere vervolging te ontlopen liet hij zich in de psychiatrische inrichting Ursulakliniek opnemen en bleef hardnekkig beweren dat hij prins Willem I was. Een waanidee waarvan tijdens de oorlog geen spoor van te ontdekken was. Hij werd in juli 1947 van verdere vervolging ontslagen met als reden dat hij geestesziek was.

Dr. Eduardus (Ed) Quirinus Hubertus Maria Hoelen
Amsterdam 28 februari 1896, Den Haag 17 mei 1962
Hij was in de jaren dertig zenuwarts in dienst van de St. Jacobsstichting. Hij richtte in 1935 de St. Ursulakliniek op waar hij directeur van werd. Hij was de arts van Zwolsman en gaf hem regelmatig morfine-injecties en lijkt daarmee controle over Zwolsman te hebben gekregen.
Hij werd in 1942 commissaris in het door Zwolsman opgerichte bedrijf Sprietlaeck, dat voorheen ABEX heette en later omgedoopt werd in Nassaulaan, de straat waarin Hoelen woonde. Hij nam actief deel in de handel in Joods onroerend goed.

De woning van Hoelen in de Nassaulaan 8. Het bedrijf van Reinder Zwolsman dat in Joods onroerend goed handelde was naar dit adres vernoemd.

Hij onderhield nauwe contacten met de top van de KVP zoals Deckers, Romme en Beel.
Hij had tijdens de oorlog goede relaties met de Sicherheitsdienst, in het bijzonder met het Sonderkommando Frank van de Duitse contraspionage. Hij staat daarbij op goede voet met Friedrich Frank, Jan Haakman en Zwolsman.
Hij bemiddelde voor zijn buurman Sebastiaan van der Mark, een voormalige commissaris van politie in Arnhem die wegens criminele praktijken een flinke gevangenisstraf had uitgezeten, dat die een vervroegd politiepensioen kreeg vanwege zijn geestesgesteldheid. Daarna regelde hij voor hem een baan bij een Nederlandse bunkerbouwer in het Duitse Kassel, waar Zwolsman ook actief was geweest.
Hij verklaarde rijke relatie van hem psychisch ziek om zo de Arbeitseinsatz te ontlopen, maar als het om minder welgestelde personen ging voegde hij die toe dat ze zich niet moesten aanstellen en als een flinke kerel naar Duitsland moesten gaan.
Hij hield in de gesloten afdeling van de Ursulakliniek Alsem gevangen, omdat die ruzie had met Zwolsman over door Hillesheim verborgen rijkdommen; Zwolsman dacht dat Alsem daar meer over wist.
Hij regelde voor Zwolsman met Van der Mark de aankoop van bouwmaterialen en –machines van de bunkerbouwer Adrianus de Vetten met de afspraak dat hij die na de oorlog terug zou krijgen; het was de bedoeling om naoorlogse inbeslagname te voorkomen. Maar na de oorlog behielden Hoelen en Zwolsman de spullen, terwijl daar niet eens voor betaald was.
Hij kwam aan het eind van de oorlog regelmatig bij de Geheime Dienst Nederland (GDN) in het Vredespaleis op bezoek. De GDN stond via Zwolsman onder controle van de Duitse contraspionage. Hoelen zelf was kind aan huis bij de Duitse contraspionage die in de vlakbij gelegen Willemsparkflat zetelde.
Er werden grote hoeveelheden door de Nederlandse regering gedropte wapens met vrachtauto’s van de Sicherheitsdienst aangevoerd naar de terreinen van de Ursulakliniek en daar opgeslagen voor naoorlogs gebruik. De wapens werden bewaakt door leden van het Sonderkommando Frank.
Hij stemde er mee in dat Just van Hasselt in de Ursulakliniek gevangen werd gehouden en door een van de medewerkers werd vermoord. Na de oorlog werd de broer van de vermoorde in de Ursulakliniek gevangengehouden.
Hij verborg na de oorlog diverse bunkerbouwers, de Duitse oorlogsmisdadiger Siegfried Schuster die een belangrijke rol had gespeeld bij het veroorzaken van de hongersnood, de V-Mann en zwarthandelaar Jimmy den Held en later de corrupte burgemeester Visser van Den Haag om aan gerechtelijke vervolging te ontkomen. De bunkerbouwer Marinus ’s-Gravendijk stond als dank voor zijn opname zijn auto, een Buick, af. Een psychisch patiënt mag niet in een inrichting gearresteerd worden. Hoelen rekende extreem hoge verpleegtarieven aan deze gasten.
Hoelen werd op 1 juli 1945 gearresteerd, maar zijn vriend en zakenrelatie Zwolsman liet hem op 4 juli alweer vrij. Het onderzoeksdossier nr. 113207 over Hoelen voor de Bijzondere Rechtspleging verdween spoorloos. Waarschijnlijk is het door corrupte vriendjes (Bijv. Zwolsman) bij de politie of het Bureau Nationale Veiligheid verwijderd, omdat ze daarmee zelf in een kwaad daglicht kwamen te staan. Het kan ook zijn dat een neef van hem die op het Bureau Nationale Veiligheid werkte en toegang tot de strafdossiers had, het verwijderd heeft.
Hoelen had een machtspositie binnen de KVP. Dat blijkt uit het feit dat zijn vrouw zomaar KVP-minister Kolfschoten kon bellen en toen ze te horen kreeg dat die in bespreking was, kon ze zijn secretaresse de opdracht laten doorgeven dat Kolfschoten bij haar langs moest komen. De secretaresse was goed geïnstrueerd, want ze zei zonder ruggenspraak dat hij onmiddellijk na de bespreking langs zou komen.
De van kunstroof in Polen beschuldigde Pieter Menten liet zich vanwege psychische problemen in de Ursulakliniek opnemen. Daardoor kon hij niet gevangen worden gezet, maar kreeg wel huisarrest opgelegd. Maar hij verliet ’s-nachts stiekem de kliniek om een getuige te bewerken. Dit kwam de politie ter ore en kwam hem arresteren. Dit werd aan Hoelen gemeld en die kwam schreeuwend, scheldend en tierend tussenbeide. In de consternatie die ontstond kon Menten door een raampje ontvluchten. De politieman schoot hem in de rug. Menten liet zich in het geheim in ziekenhuis Westeinde behandelen en keerde in het geheim terug naar de Ursulakliniek, daar verwittigde Hoelen zijn advocaat het katholieke Tweede Kamerlid Rad Kortenhorst, die hem van de meeste beschuldigingen wist vrij te pleiten.
In de jaren vijftig ontstonden er geruchten dat men koningin Juliana onder toezicht van Hoelen wilde laten opsluiten. Tijdens een kabinetsformatie bezocht hij de formateur Romme, een persoonlijk vriend uit de studententijd. Het zou de bedoeling zijn dat hij of minister van Volksgezondheid zou worden of een advies zou opstellen over wat te doen met een staatshoofd met psychische problemen.

Willem Hol
Vianen 17 oktober 1883
Hij was begin jaren twintig chef van de Haagse Politie Inlichtingendienst; in 1926 werd hij aangesteld als chef over de Zedenpolitie. Hij was bij het uitbreken van de oorlog commissaris van politie bij de Justitieelen Dienst, waar de Zedenpolitie onder leiding van Jan Hopman onder viel. Direct na de Nederlandse capitulatie bracht burgemeester De Monchy de Inlichtingendienst onder bij de Zedenpolitie onder Hol.
In 1941 werden onder leiding van Hol lijsten samengesteld van alle Haagse Joden en alle Haagse bedrijven en onroerend goed in Joodse handen, waarbij de politiefunctionarissen ’s-zondags doorwerkten.
In 1943 ontvreemdde hij 7.000 (of 23.000) gulden uit het politiepotje voor de bestrijding van de zwarte handel. Hij werd per 1 mei 1944 eervol ontslagen, nadat er beschuldigingen waren geuit betreffende het verzamelen van wapens (voor hobby), rassenschande, Jodenbegunstiging en verduistering. Hij had een relatie met een inwonende (ondergedoken) Joodse vrouw die hij een persoonsbewijs zonder ‘J’ bezorgde. Hij bezat een wapenverzameling van 5.500 exemplaren, waarbij 2.000 bruikbare revolvers; de verzameling was voor een deel op het politiebureau verborgen.
Hij kwam na de oorlog terug bij de politie, werd niet vervolgd maar ging spoedig daarop met pensioen. Ook het door hem gestolen geld werd niet teruggevorderd.
Na de oorlog werd beweerd dat hij als eerste de leiding over de Documentatiedienst had, maar die onjuistheid (halve waarheid, want hij had de leiding over de Inlichtingendienst) was een afleidingsmanoeuvre om te verhullen dat Crabbendam de eerste leider was en die na de oorlog de leiding over de communistenjacht bij het Bureau Nationale Veiligheid kreeg. Bij de zuivering kreeg hij een berisping, omdat hij ‘in zijn houding tegenover de Duitsers was tekortgeschoten’.

Jan Frederik Everardus Hopman
Amersfoort 21 juni 1912
Na een proefperiode kwam hij per 1 november 1931 in vaste dienst bij de Haagse gemeentepolitie, werd per 21 juni 1933 bevorderd tot adspirant-inspecteur en per 1 maart 1934 tot inspecteur tweede klasse. Toen de Haagse Politie Inlichtingendienst in 1935 contact zocht met de Gestapo in Wuppertal, werd de politiemannenzangvereniging Entre Nous als dekmantel gebruikt. Voor dat doel werden in het bestuur leden van de Inlichtingendienst opgenomen. In dat kader werd Hopman in 1938 ook bestuurslid van die vereniging. Op het moment van uitbreken van de oorlog had hij de officiersrang van inspecteur.
Hij werd op 27 juli 1940 door hoofdcommissaris Van der Meij benoemd tot chef van de Inlichtingendienst en tevens als verbindingsman voor contacten tussen de Inlichtingendienst en de Sicherheitsdienst (voor de overige contacten tussen de politie en de Sicherheitsdienst werd inspecteur Hermanus van Looy benoemd). Vanaf 18 september was hij de enige contactman tussen politie en Sicherheitsdienst. Als beloning kreeg hij binnen een jaar tijd door zijn chef commissaris Willem Hol vier keer extra periodieken toegekend.
Hij werd bij de oprichting van de Documentatiedienst op 25 november 1940 meteen opgenomen als enig lid van het onderdeel Verbindingsdienst.
Hij deserteerde kort na Dolle Dinsdag 5 september 1944 en werd vanwege dat feit op 6 januari 1945 met terugwerkende kracht tot de laatste werkdag 13 september ontslagen.
Hij werd na oorlog weer bij de Haagse politie aangesteld. Hij werd in 1955 bevorderd tot commissaris van politie. Hij werd in 1961 benoemd tot hoofdcommissaris van politie in Arnhem.

Nicolaas Anthonius Jongerius
9 april 1897 Jutphaas, 6 maart 1980 Utrecht
Hij werd vaak ‘ome Ko’ genoemd. Hij was directeur van het naar zijn vader vernoemde automobielbedrijf NV Jan Jongerius.
Hij was tijdens de oorlog inkoper voor de Wehrmacht en had daarmee miljoenen verdiend. Zijn bedrijf had hout en camouflageverf aan Luftwaffe-bases geleverd en veel automobielen aan de Wehrmacht. En het bedrijf had ten behoeve van de inzet aan het oostfront eenassige brandweeraanhangwagens aan de Wehrmacht geleverd en ook nog eens duizend karren die door paarden getrokken moesten worden. Verder werden er onderdelen van vliegtuigen en duikboten gerepareerd.
Friedrich Schallenberg was een Duitser die voor de oorlog in Den Haag woonde en daar kleine criminele en frauduleuze activiteiten ontwikkelde. Hij moest tijdens de oorlog voor de Wehrmacht dienen. De Sicherheitsdienstman Helmuth Pröbsting bracht Schallenberg in 1944 in contact met Jongerius en vertelde daarbij dat hij geen bezwaar had als ze zouden ‘stunten’ (roofovervallen plegen), mits hij een deel van de buit kreeg.
Na de oorlog noemde de criminele bende onder leiding van Jongerius zich de Margrietgroep en profileerde zich als verzetsgroep. Ze arresteerden de Wehrmachtinkoper Fritz Mucke, die door zwarte handel schatrijk was geworden. Ze trokken in de woning van Mucke en roofden veel waardevolle zaken.
Er volgde een proces vanwege de activiteiten tijdens de oorlog. Daarbij getuigden leden van de criminele Margrietgroep dat hij veel voor het verzet had gedaan. Maar er bleken ook nog getuigen uit bona fide verzetsgroepen te zijn, die getuigden dat hij iedere medewerking aan het verzet geweigerd had. Hij werd tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld, waarvan acht maanden voorwaardelijk. Verder mocht hij zes jaar lang geen leidende functie in zijn bedrijf uitoefenen. Maar desondanks bleef hij officieus wel de directeur.
Hij trad toe tot de geheime dienst José, die later genoemd werd de dienst Hacke-Elsinga en die later overging in de SOAN. Deze door VVD-minister Stikker opgerichte organisatie was de grootste criminele organisatie uit de Nederlandse geschiedenis. Hij kocht grote hoeveelheden voedsel en sigaretten in op de zwarte markt, die hij gaf aan zijn NSB-vrienden die in Fort Rhijnauwen gevangen zaten. Daarvoor werd hij nog eens tot vier maanden veroordeeld. Ook had hij nauwe bindingen met de particulier geheime dienst ‘De witte cel’, een aan de KVP gelieerde groep die uit de Ordedienst was voortgekomen.
Minstens twee personen lieten hun auto door Jongerius repareren. Beiden reden zich kort daarna te pletter en kwamen om het leven. In beide gevallen werden identieke vreemde problemen aan de wielbevestiging geconstateerd.
Vervolgens werd door het bedrijf op grote schaal fraude gepleegd met facturen aan het leger, waarmee het ministerie van Oorlog voor vele tonnen werd opgelicht. De bedrijfsleider en de procuratiehouder kregen een voorwaardelijke straf van vier maanden. Jongerius, die de kwade genius was, werd niet veroordeeld, want hij kon niet verantwoordelijk worden gehouden omdat hij geen directeur mocht zijn. Het bedrijf ging uiteindelijk failliet omdat het jarenlang geen sociale lasten had betaald; het kon de achteraf opgelegde rekening niet betalen en kon niet concurreren als er sociale lasten betaald moesten worden.
In de periode 1947-49 bracht Schallenberg als lid van de SOAN regelmatig enorme sommen geld naar Jongerius. Toen kwam Jongerius met de mededeling dat hij een enorme som aan aandelen en juwelen op het spoor was. Het ging om een deel van het vermogen dat Fritz Mucke met zwarte handel vergaard had. Mucke had zich uit de voeten moeten maken toen arrestatie dregde. Hij kon niet zijn hele vermogen in veiligheid stellen en bracht twee koffers met een deel van zijn rijkdommen onder bij de Zeistse burgemeester Willem Visser, die ondertussen burgemeester van Den Haag was geworden. Visser was ook lid van de SOAN. Er deden twee schattingen van de waarde de ronde: een van een half miljoen gulden en een andere van 2,8 miljoen gulden. Daarna waren de koffers zoekgeraakt, doordat iemand ze zich had toegeëigend. Maar die persoon kon ze niet te gelde maken, omdat de grote hoeveelheid juwelen zouden opvallen en de aandelen geregistreerd stonden. Alleen de SOAN had een netwerk om ze per KLM naar de Verenigde Staten te smokkelen en daar te gelde te laten maken. Verschillende lieden uit de SOAN bemoeiden zich ermee om er zelf beter van te worden. Ze wilden de koffers in handen krijgen en dan tegen 10% van de waarde aan de SOAN af staan.
Op 14 september 1949 zouden Schallenberg en Jongerius een ontmoeting hebben, maar die ging niet door. Ze hebben die avond elkaar nog wel telefonische gesproken. De volgende dag werd Schallenberg vermoord. De dader was vrijwel zeker de Belgische voormalige Gestapoman Pierre Sweerts die ook lid van de SOAN was.

Jan Willem Marie Keunen
Bandoeng 27 januari 1919, Den Haag 2013
In 1934 nam hij tennisles bij Friedrich Schallenberg. Hij kreeg een homoseksuele relatie met hem. In 1937 ging het gezin op de Groot Hertoginnelaan 22 in Den Haag wonen.
Hij werd tijdens de oorlog door de Sicherheitsdienst gearresteerd. Na een paar dagen werd hij weer vrijgelaten, waarna hij V-Mann werd. Daarbij hebben de veelvuldige contacten met Schallenberg een rol gespeeld. Hij bracht de nieuw door de Sicherheitsdienst geworven V-Mann Jacob Mendels in contact met de verzetsman pater Ten Berge, die betrokken was bij een pilotenlijn die van Nijmegen naar Spanje liep. Hij had veelvuldig contact met de spionne voor de Duitsers Dolly Peekema.
Na de oorlog volgde hij een medische studie die hij in 1949 zo ver afgerond had dat hij semiarts was.
Bij de speculaties over de achtergronden van de moord op 14 september 1949 op Schallenberg werd de homoseksuele relatie tussen die twee als reden van de moord genoemd. Dat werd versterkt, doordat Schallenberg bij zijn laatste wandeling naar het pand van de SOAN op Groot Hertoginnelaan 26 langs het huis van Keunen kwam. Toen Keunen op 9 september 1949 bij zijn broer op bezoek ging trof hij daar Schallenberg en Ko Jongerius aan, waarbij opviel dat Schallenberg zoveel geld in zijn borstzak had, dat hij zijn jas niet dicht kon knopen. Schallenberg en Jongerius vertrokken vandaar gezamenlijk. Keunen zag Schallenberg het laatst op 11 september.

August Willem de Koningh
Geertruidenberg 11 maart 1885, Den Haag 15 januari 1969
Hij was voor de oorlog inspecteur van de marechaussee en had de rang van kolonel. Hij werd in de zomer van 1940 door de Duitse rijkscommissaris Seyß-Inquart benoemd tot inspecteur-generaal van politie. Hij riep politiemannen op om deel te nemen aan de inzamelingsacties voor de NSB-organisatie Winterhulp.
Hij maakte deel uit van een door de Duitsers ingestelde commissie die advies moest uitbrengen over de centralisatie van de politie. Die commissie bracht eind 1940 bracht advies uit. In deze commissie zaten naast hem onder anderen de Amsterdamse commissaris Broekhoff en de Zeistse burgemeester Visser. Hij nam in februari 1941 opnieuw zitting in een commissie die de politie moest reorganiseren in één Staatspolitie, die door de Duitsers beter te controleren zou zijn. In die commissie zaten ook directeur-generaal van politie Brants, de NSB-procureur-generaal van Den Haag Van Genechten en de afgezette hoofdcommissaris van Den Haag Van der Meij.
Hij werd per 30 april 1941 als inspecteur-generaal ontslagen. Hij werd op 18 maart 1943 op non-actief gezet. Hij werd in kamp Amersfoort opgesloten, maar na korte tijd door bemiddeling van de Duitse zwarthandelaar Fritz Mucke weer vrijgelaten. Daarna dook hij onder bij Mucke, die voor de Wehrmacht goederen inkocht die nuttig waren aan het Oostfront, zoals bijvoorbeeld warme kleding. De Koningh kreeg op dat adres gezelschap van de Zeistse burgemeester Visser. Na de oorlog beweerde Mucke dat hij De Koningh een baan bezorgde bij het Reichsministerium für die besetzten Ostgebiete bezorgde. De Koning ging Mucke vanuit diens kantoor aan het Domplein in Utrecht bij diens werkzaamheden in de zwarte handel assisteren.
Alhoewel hij naar eigen zeggen bij de zwarthandelaar Mucke ondergedoken had gezeten en zich daar bekwaamd had in de zwarte handel, beval hij in de zomer van 1944 de zakenman Reinder Zwolsman bij de Sicherheitsdienst aan als geschikt persoon om leiding te geven aan een peloton marechaussees dat ingezet zou gaan worden bij de bestrijding van de zwarte handel.
Reinder Zwolsman moest verantwoording afleggen voor het geld dat hij had gekregen van oorlogswinstmakers die zich van collaboratie probeerden schoon te wassen. Daarbij beweerde hij 80.000 gulden aan De Koningh te hebben betaald, terwijl De Koningh toegaf 40.000 gulden te hebben ontvangen. De Koningh zei dat hij het geld had uitgegeven voor onderhoud aan auto’s van de marechaussees, maar in die tijd was hij helemaal niet meer aan de marechaussee verbonden, terwijl het onderhoud uit andere fondsen betaald werd.
In maart 1945 nam hij deel aan besprekingen tussen de Sicherheitsdienst en enkele Nederlanders; die andere Nederlanders waren Reinder Zwolsman en Willem Drees en Jan Tenkink. Drees zei hier na de oorlog over dat het om besprekingen over de voedselvoorziening ging. Maar geen van de deelnemers had beleidsmatig met de voedselvoorziening te maken of had expertise op dat gebied. Wel waren ze behalve Drees betrokken bij politiediensten en de bestrijding van het communisme. Het lijkt daarom dat het doel van die besprekingen dat laatste was.
Hij werd per 29 december 1945 benoemd tot algemeen inspecteur-generaal van de Rijkspolitie.
Hij kreeg omstreeks 1946 de koffers met door zwarte handel en fraude verkregen rijkdommen van Fritz Mucke in beheer en droeg die vervolgens over aan de Zeistse burgemeester Visser. Deze koffers zouden de inzet gaan vormen bij de onenigheid tussen leden van de SOAN, die tot de moord op Friedrich Schallenberg zou leiden.
In 1948 vroeg hij aan de minister van Justitie om de zuiveringsmaatregelen tegen de marechaussees die bij het Sonderkommando grote aantallen misdrijven hadden gepleegd in te trekken. Die misdrijven betroffen roofovervallen, bedreigingen met vuurwapens, zwarte handel, mishandelingen, onrechtmatige arrestaties en uitleveringen aan de Sicherheitsdienst die tot de dood van mensen hadden geleid.

Mr. Leonardus Gerardus (Rad) Kortenhorst
Weesp 12 november 1886, Den Haag 13 januari 1963
Zijn roepnaam was Rad. Hij was advocaat van beroep. Hij was tussen 1925 en 1963 lid van de Tweede Kamer voor respectievelijk de katholieke partijen Algemeene Bond, Rooms Katholieke Staatspartij (RKSP) en de Katholieke Volkspartij (KVP). Hij was commissaris en juridisch adviseur voor het bedrijf van zijn zakencompagnon van Romme bij het bedrijf Remaco. Romme verkocht het bedrijf aan het rabiaat antisemitische Duitse bedrijf ‘parteiamtliche Werbestelle der NS-Presse Allgemeinen Anzeigen GmbH’, dat een onderdeel van Hitlers partij NSDAP was. Het bedrijf verzorgde de fascistische propaganda en de antisemitische hetze. Door deviezenproblemen ontstond er vertraging in de verkoop en op verzoek van de Duitsers bleef Romme aan als directeur.
Op verzoek van de toekomstige Duitse eigenaren wilde Romme als eerste werkgever in Nederland zijn Joodse personeel ontslaan. Kortenhorst gaf toen juridisch advies dat voorzichtigheid betracht moest worden, omdat de ontslagenen rechten hadden die door een rechter konden worden toegewezen. Dientengevolge ontsloeg Romme slechts de helft van zijn Joodse werknemers. In 1944 kochten Romme en Kortenhorst het bedrijf voor een relatief gering bedrag terug. Na de oorlog spanden ontslagen werknemers een proces tegen het bedrijf aan wegens de onrechtmatige ontslagen aan en eisten een schadevergoeding.
Hij verdedigde de oorlogsmisdadiger Pieter Menten die van kunstroof in Polen beschuldigd werd. Kortenhorst wist hem van de meeste beschuldigingen vrij te pleiten. In 1976 werd Pieter Menten opnieuw gearresteerd en in een proces tot vijftien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens betrokkenheid in 1941 bij massamoorden op Joden in Polen.
Na de oorlog werd Kortenhorst voorzitter van de Tweede Kamer. In die functie weigerde hij de communistische verzetsman Marcus Bakker bij diens intrede in de Tweede Kamer de gebruikelijk hand te geven. Je kunt nu eenmaal niet van een antisemitische collaborateur verwachten dat die een moedige verzetsman een hand geeft.
In 1963 overleed Kortenhorst onder verdachte omstandigheden. Er stonden vijf witte Volkswagen kevers van de politie voor zijn woning, wat betekent dat een politieploeg van tussen de vijf en twintig man de woning binnenviel voor huiszoeking. Het politierapport is nooit openbaar gemaakt; vermoedelijk had het te maken met een morfineverslaving van Kortenhorst, die waarschijnlijk in verband stond met dezelfde verslaving van Reinder Zwolsman.
Later werd een borstbeeld van de deze antisemitische collaborateur bij de Tweede Kamer geplaatst.

Drs. Hendrik Harm Kraai
Dordrecht 18 februari 1902, Delft 16 juli 1968
Hij studeerde biologie, maar kon in zijn vakgebied geen baan vinden. Hij woonde in Dordrecht. Hij was gehuwd met de dochter van een hoofdinspecteur van politie. Ondanks dat hij werkloos was beschikte hij over veel geld, waarvan vermoed werd at het door smokkelhandel verkregen was.
Hij werd in 1932 lid van de Algemeene Nederlandsche Fascisten Bond (ANFB) en stond in rechtstreeks contact met de leider daarvan Jan Baars en het lid van het hoofdbestuur Jacobus Conrad Snijder van Wissenkerke. In 1932 kreeg Baars ruzie met de geldschieters van de ANFB en wilde daarom begin 1933 overgaan tot een ‘terreurgroep’, zonder nader te specificeren waar die terreurdaden uit zouden bestaan. In 1933 werd Kraai lid van de NSB en kreeg toen het stamboeknummer A372.
Onder de valse naam van kapitein Kells benaderde hij Manus Koppe en Gerrit Schippers, die leden van de communistische partij CPH waren, om hem te helpen lid te worden van de CPH. Vanwege allerlei manipulaties door fascistische organisaties en de inlichtingendiensten hanteerde de CPH namelijk een systeem, waarbij alleen partijleden een nieuw lid konden voordragen; dat kon de toeloop afremmen van ongewenste leden die de partij in diskrediet wilden brengen. Hij stelde hen voor om het treinverkeer in de ‘kapitalistische’ landen te ontregelen in geval van een oorlog met de Sovjet-Unie en andere terreurdaden te plegende twee communisten wezen hem de deur. Schippers trad vervolgens uit de CPH en werd in 1936 lid van de NSB.
Schippers kwam met zijn nieuwe kompaan Willem van Dijk eind 1933 opnieuw in contact met Kraai. Die wilde dat de twee lid van de CPH werden. Verder zei hij dat de CPH pas echt revolutionair kon worden als de partij in de illegaliteit gedreven werd. Dat wilde hij bereiken door een trein te laten ontsporen en de schuld bij de CPH laten komen. Hij had al overleg gevoerd met Snijders van Wissenkerke en die weer met NSB-leider Mussert. Die wilde wel met de beweringen over aanslagen door de communisten in de openbaarheid treden, maar wilden wel concrete bewijzen zien. Daarom zouden Schippers en Van Dijk bij de Moerdijkbrug bouten van de rails moeten losdraaien, zodat de Pullmanexpres naar Parijs zou ontsporen, met waarschijnlijk vele tientallen doden als gevolg. De uitvoering van de aanslag zou voor het door Mussert gewenste bewijs moeten zorgen. Kraai zei: ‘Als er doden bij zouden vallen zou dat alleen maar meegenomen zijn’. Als datum werd 28 december 1933 gekozen, maar dat vervolgens naar een latere datum verschoven.
Op 22 december 1933 vloog het telefoonkantoor in de Raadhuisstraat in Amsterdam in brand, wat het telefoonverkeer wekenlang ernstig verstoorde. Zonder enige aanwijzing voor brandstichting hield de politie twee monteurs aan: een werd na verhoor vrijgelaten, maar de ander werd als verdachte aangemerkt, omdat die lid was van de Nederlandsche Syndicalistische Federatie van Overheidspersoneel. De monteur werd tot na de kerstdagen gevangengehouden.
Het dagblad fascistisch georiënteerde blad De Telegraaf startte een hetze tegen de monteur, want die zou uitermate verdacht zijn omdat die meteen de brandweer liet waarschuwen (de telefoon werkte niet meer, daardoor moest hij het een ander laten doen) en niet eerst zijn colbertjasje met daarin zijn vulpen in veiligheid had gebracht. De Telegraaf, het fascistische Verbond voor Nationaal Herstel en de NSB eisten meteen een verbod van de CPH, terwijl er geen enkele connectie met tussen de brand en de CPH bestond. Vervolgens werd er op 10 januari 1944 in De Telegraaf een interview een interview met Anton Mussert geplaatst, waarin die voorspelde dat de communisten een spoorwegongeluk zouden veroorzaken. Er volgden nog een sporenonderzoek dat tot de conclusie kwam dat er sprake was van brandstichting, maar zonder in de richting van een dader te wijzen. Wel raakte bekend dat de zoons van de directeur, die lid van de NSB waren, regelmatig met brandende sigaretten door de bedrijfsruimtes liepen, terwijl ze daar niets te zoeken hadden. In sommige ruimtes lag het uiterst licht ontvlambare celluloid en de zoons gooiden soms de nog brandende peuken op de vloer. Mij lijkt dat de meest voor de hand liggende oorzaak; brandende peuken weggooien in een ruimte met celluloid zou je als brandstichting kunnen aanmerken.
Schippers en Van Dijk zegden hun medewerking aan het laten ontsporen toe, maar trokken dat op 10 januari 1934 weer in; het is onbekend of ze het artikel in De Telegraaf toen al kenden. Ze lieten echter weten dat als er tienduizend gulden betaald werd, ze het alsnog wilden doen. Kraai zegde toe het met Mussert te gaan bespreken.
Schippers en Van Dijk meldden zich op 21 januari 1934 bij de CPH en deden hun verhaal. Daarbij toonden ze als bewijs enkele briefjes die Kraai aan hen had geschreven.
De CPH deed aangifte bij de politie. Maar nu trad de politie niet op en ze arresteerden Kraai niet. Die kreeg daardoor alle kans om bewijsmateriaal weg te werken. Het Tweede Kamerlid Schalker stelde vragen aan de katholieke minister van Justitie Van Schaik. Maar de minister weigerde op te treden.
Op 18 mei 1934 kwam Kraai voor de rechter. Die besloot op eigen initiatief de zaak achter gesloten deuren te behandelen. Daardoor is niets over de rechtszaak beken. Kraai werd vrijgesproken, omdat hij niet tot uitvoering van de aanslag was overgegaan.
In 1941 maakte hij plannen voor een roofmoord. Samen met een medeplichtige bracht hij iemand met 14 messteken om het leven. In maart 1941 werd hij vanwege de moord aangehouden en tot 15 jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Mr. Joannes Hermannus Krom
Rotterdam 4 januari 1900
Hij was tot aan 1942 kandidaat-notaris. In 1933 werd hij een van de eerste NSB-leden met stamboeknummer 1349. In 1942 werd hij tot notaris in Amsterdam benoemd, ondanks dat hij alleen geschikt werd geacht voor een kleinere plaats.
Hij was specialist in schenkingsaktes aan Lippmann, Rosenthal & Co, waarmee van Joden gestolen bezittingen (vooral onroerend goed) een wettelijke basis kregen. Hij verdiende daar 185.000 gulden mee. Ook verliep de diefstal van onroerend goed van de vakbewegingen via zijn kantoor. Met dit soort transacties stegen zijn inkomsten tot duizelingwekkende hoogten. Het was ook de bedoeling dat de Kroondomeinen via zijn kantoor verduisterd zouden worden, maar dit ging uiteindelijk niet door; kennelijk werd hij door het verloop van de oorlogskansen angstig.
Een van de panden die hij in 1941 verleed was Domplein 22 dat aan de Nederlandsche Bond van Personeel in Overheidsdienst toebehoorde. Het werd verkocht aan de liquidateur van de vakbonden de NSB-voorman Jan Woudenberg verkocht. Die verkocht het weer aan Pieter Knoops, die het een maand later aan Fritz Mucke verkocht.
Hij regelde ook de aankoop van een groot aantal veelal Joodse panden in Amsterdam door een onbekende hoge Berlijnse functionaris, met als tussenpersoon H. Henckel in Berlijn, via een van de vastgoedbedrijven van Reinder Zwolsman, waarbij een Argentijnse vrouw in schijn eigenaresse werd. De assistent van Krom, kandidaat-notaris Nicolaas Albert Schol, werd commissaris in het bedrijf 4e Grebico, waarin Zwolsman het onroerend goed in liet onder brengen. Na de oorlog werd hij vanwege die laatste affaire gearresteerd, maar wist vanuit de gevangenis een briefje aan zijn kandidaat-notaris Schol te zenden met de opdracht alle correspondentie in deze affaire te laten vernietigen.

Johannes Hendricus Christiaan Krom
Den Haag 14 maart 1916
(zijn CABR-dossier heb ik maar ten dele bestudeerd, zodat veel van zijn wandaden hier niet beschreven worden)
Voor de oorlog werkte hij voor het Ministerie van Defensie, en op het laatst voor de afdeling GS III, waar de Centrale Inlichtingendienst onder viel.
Meteen na de Duitse inval werd hij lid van de NSB en trad tot de SS toe. Op 17 november 1941 kwam hij bij de Haagse politie werken en wel meteen bij de Documentatiedienst.
Hij werkte voor de Duitse spion Protze en pleegde voor hem een inbraak in het archief van het Ministerie van Defensie aan de Fluweelen Burgwal in Den Haag om geheime documenten te bemachtigen van de Centrale Inlichtingendienst. Hij arresteerde de Joodse verzetsman Mendels, waarna een zogenoemde pilotenlijn naar Spanje geïnfiltreerd kon worden en ook de belangrijke communistische verzetsman Pam Pooters gearresteerd kon worden.
Vanaf zomer 1944 maakte hij deel uit van het Sonderkommando Frank van de Duitse contraspionage, dat deel uitmaakt van de Duitse contraspionage en dat verantwoordelijk was voor de Silbertannemoorden. Hij kreeg van Frank een stengun om zo door te kunnen gaan voor een lid van een verzetsorganisatie om zo een organisatie binnen te kunnen dringen. Hij arresteerde veel mensen die vervolgens op een dodenlijst werden geplaatst om bij wijze van represaille gefusilleerd te worden.
Hij werkte nauw samen met de communistenjager Jacob Gros van de vooroorlogse Haagse Politie Inlichtingendienst. Hij arresteerde het echtpaar Hans en Anna Polak (de ouders van de schrijfster Chaja Polak) dat door de V-Mann Salter uit het Sonderkommando verraden was. Tijdens een verhoor wilde hij het echtpaar Polak dwingen te vertellen waar hun kleine dochtertje ondergebracht en daartoe mishandelde hij ze ernstig, terwijl de partner moest toekijken. Een paar dagen later arresteerde hij nog een aantal communisten, waarvan er een aantal om het leven zijn gekomen.
Hij maakte deel uit van het corruptiespel van Hillesheim om welgestelde gevangenen te pressen zich vrij te laten kopen. Hij werkte nauw samen met Reinder Zwolsman en in dat kader nam hij deel aan de opsporingsactie tegen Hillesheim die gedeserteerd was om zijn uit afpersing, fraude en diefstal verkregen vermogen veilig te stellen.
Hij arresteerde de ondergedoken Joodse Salomon de Beer, die voor de oorlog informant voor de Inlichtingendienst was, om hem vervolgens zijn grote vermogen in effecten af te persen. Na de oorlog kreeg hij de doodstraf, maar hij werd gegratieerd.
Hij werkte nauw samen met Reinder Zwolsman bij diens praktijken van roofovervallen en zwarte handel.
Hij werd na de oorlog ter dood veroordeeld, maar dat werd vanwege gratieverlening omgezet in levenslange gevangenisstraf. Hij werd in 1962 vrijgelaten door minister van Justitie Beerman uit het kabinet van de KVP-fascist De Quay. Op 15 december 1989 vroeg hij een verzetspensioen bij de Stichting 1940-1945 aan.
Zijn naam komt voor op de lijst van Abwehr-agenten die door de historicus Frans Kluiters is samengesteld.